Leesfragment: De man die een berg werd

15 maart 2022 , door Grete Simkuté
|

Donderdag 24 maart om 18.00 bij Athenaeum Boekhandel Spui presenteert Lebowski Publishers de debuutroman van Grete Simkuté: De man die een berg werd. Simkuté laat het oude Japan tot leven komen in een meeslepend verhaal over liefde, toewijding en opoffering. Wij publiceren voor.

Noord-Japan, negentiende eeuw. Myo groeit op in een rijstboerengezin. Om redenen die niemand begrijpt, praat hij niet. Dit verandert wanneer zijn zusje Asa wordt geboren. Als hij na een hongersnood alleen met zijn zusje overblijft, maar ook haar moet achterlaten, wordt hij gered door een mysterieuze bergsekte. Samen met de excentrieke bergmonniken ondergaat Myo loodzware proeven om zijn lijf en geest te harden. Hoewel hij vriendschap sluit met dichter S. en de verboden liefde leert kennen, blijft zijn verleden hem achtervolgen. Als hij van de grootst mogelijke uitdaging verneemt, besluit Myo die aan te gaan.
De man die een berg werd is een onvergelijkbare debuutroman over een van de geheimzinnigste rituelen uit de geschiedenis. Grete Simkuté laat het oude Japan tot leven komen in een wonderlijk verhaal over liefde, toewijding en opoffering.

 

Proloog

Maart 2019

Als we uit het vliegtuig stappen, slaat de droge warmte me in het gezicht. Kleine korrels zand die in de lucht zitten blijven plakken op mijn lippen. De sterke wind waait knopen in mijn haar; ik kan de zee al ruiken. Terwijl we bij de bagageband wachten, klinkt er luid gelach en een ‘Yeah, man’. Een groepje jonge mannen met dreadlocks, wijde kleding en een zongebruinde huid loopt voorbij. Surfers. Ik kijk naar mijn vriend en zie hoe hij ze met een glunderend gezicht nakijkt. Pas in de taxi doe ik mijn wollen trui uit. Lusteloos staar ik naar de voorbijtrekkende palmbomen, witte stenen huizen tussen dorre bergvlaktes, kamelen die bereden worden door mannen in gewaden en tulbanden.
Nog maar vijf uur geleden deed ik blokken hout in de kachel en zag hoe dikke sneeuwvlokken tegen de ruit vielen. Het geluid van knisperend hout en dof getik tegen glas. Ik werp een blik op mijn horloge en denk aan wat mijn schoonouders nu doen. Waarschijnlijk hebben ze de paarden hooi gevoerd en drinken ze nu een kop thee aan de keukentafel met het witte, gehaakte tafelkleed. Zo meteen gaat mijn schoonmoeder naar het ziekenhuis, waar ze werkt, en blijft mijn schoonvader alleen achter in het huis. Hij zal het hek rond het land repareren of misschien de olie van de trekker verversen.
‘I can’t wait to test the waves,’ zegt mijn vriend, terwijl hij naar de blauwe kustlijn kijkt die steeds zichtbaarder wordt. Hij denkt aan wat er komen gaat, ik denk aan wat er was. Ik knik en glimlach door mijn ongemak heen, dat ik niet alleen nu, maar al maanden voel.
Vier maanden geleden zijn mijn vriend en ik ingetrokken bij zijn ouders op hun boerderij op een uur rijden van Oslo. Meer dan een bewuste keuze is het een tussenoplossing die voor niemand bevredigend is. Mijn vriend wil rondreizen en surfen in Azië, waar we elkaar ontmoet hebben, ik wil samen een appartement zoeken. Wat eigenlijk betekent: mijn vriend wil geen relatie, ik wel (niet per se met hem, zal ik later beseffen). Tot een van ons het aandurft om het uit te maken, modderen we wat aan in een huis dat niet het onze is. Een vakantie naar Taghazout, Marokko, dat de temperatuur en de surfcultuur heeft waar mijn vriend zo naar verlangt, zou wat verlichting moeten bieden. Maar eigenlijk is het, net als ons leven in Noorwegen, een compromis.
Meteen nadat we in onze kamer in het fonkelblauwe hostel zijn aangekomen, wil mijn vriend op verkenning. Een surfplank lenen, de andere reizigers in het hostel groeten, de temperatuur van het water voelen en zien hoe krachtig de golven zijn. ‘Sure, just go, I’ll be here,’ zeg ik en ik zie hoe hij de deur achter zich dichttrekt. Ik probeer diep adem te halen, maar het is alsof de lucht halverwege blijft hangen in mijn keel, en ik loop naar het balkon. De mozaïeken tegelvloer voelt koel aan onder mijn voeten. Met een deinend gevoel, alsof ik nog steeds in het vliegtuig zit, ga ik zitten op een witte plastic stoel. We hebben uitzicht op het strand. Meeuwen cirkelen rond mannen met dikke snorren en hengels die over het zandstrand lopen; de geur van vis is penetrant. Ik zie blauw geschilderde, houten boten die op het strand zijn gesleept en topjes van witte surfplanken die als ijsschotsen boven het zeeoppervlak uitsteken.
En daar, daar loopt mijn vriend. Ik wacht of hij omhoog zal kijken, naar mij, maar dat doet hij niet en hij verdwijnt om de hoek van een gebouw.
‘We’ve just arrived. It’s great here!’ sms ik naar mijn schoonmoeder en ik stop mijn telefoon weer in mijn tas.

De dagen die volgen brengen we veelal afzonderlijk door. Mijn vriend, voorzien van een wetsuit en een surfplank, is aangehaakt bij een groepje surfers uit Australië en is vooral op het water te vinden; ik wandel lange uren over de kust, zoek verkoeling in grotten, drink thee in een café waar buiten schoteltjes melk klaarstaan voor de straatkatten. Het is oké, zeg ik tegen mezelf: ik surf niet, hij heeft plezier, het is goed zo. Maar echt genieten lukt me niet. Die avond, terwijl we in het restaurant van ons hostel couscous eten, vraagt mijn vriend me voorzichtig wat ik ervan zou vinden om een paar dagen ‘echt ons eigen ding te doen’. Hij wil nieuwe mensen leren kennen in het hostel en heeft bedacht dat hij op een slaapzaal zou kunnen gaan slapen. Ik voel daar weinig voor, dat weet hij. Maar ik stem in. Ik herinner me de paar yogastudio’s waar ik die dag langs ben gelopen en zeg tegen hem dat ik misschien op een korte retraite kan gaan. We scrollen door een paar opties die me fijn lijken en ik boek meteen. Het voelt goed dat ik zo’n flexibele vriendin ben en mijn ontgoocheling voor mezelf heb gehouden.
De yoga-retraite bevindt zich in een gehucht even verderop, aan een strand waar her en der plastic afval uit het zand steekt. Ik deel een tweepersoonskamer met een vrouw van boven de vijftig die net gescheiden is. ‘O, ben jij ook Nederlands,’ zegt ze met enige teleurstelling in haar stem als ik me voorstel. De retraite bevat iets minder yoga dan ik had verwacht: elke ochtend voor zonsondergang is er een vinyasa-les, ’s avonds een gemeenschappelijk diner en de rest van de dag zijn we vrij om zelf de omgeving te verkennen. Nadat de eerste les erop zit en de anderen, die er langer zijn, aan de ontbijttafel plannen maken om samen een surfles te volgen, ga ik naar mijn kamer en pak mijn spullen. Naast een handdoek, een fles zonnebrand en een fles water stop ik het boek, waarvan ik niet had verwacht dat ik eraan toe zou komen deze vakantie, in mijn tas en vertrek.
Als ik op het strand ben aangekomen, loop ik een eindje. Ook al is het zonnig, de wind waait hard en het water is nog te koud om er ontspannen in te zwemmen. Het frisse maartwater is er alleen voor surfers met wetsuits die bezeten zijn van golven. Het is er dan ook rustig. Op een paar stellen met kinderen die een wandeling maken na ben ik alleen. Het zonlicht gloeit zacht op mijn wangen en het blauw van het water schittert, maar ik kan niet anders dan me afvragen wat ik hier doe.
Ik ben zo ver gewandeld dat de zandkust overgaat in rotspartijen. Voorzichtig klim ik erop; het water slaat met geweld tegen de grijze stenen. Ik klim nog een eindje hoger en ga zitten op een steen waarvan de warmte lekker aanvoelt tegen mijn billen. Ik kijk naar de zee. Hier zijn geen surfers, de golven zijn te hoog en de rotsen te gevaarlijk. Uit mijn tas haal ik mijn telefoon tevoorschijn. Geen bericht van mijn vriend. Er is teleurstelling, maar meteen ook de twijfel aan mezelf: misschien ligt het aan mij, verwacht ik te veel.
Ik moet iets doen. Ik stop de telefoon weer weg en pak het boek. Het is de nieuwste van Haruki Murakami: De moord op Commendatore. Met weifelende aandacht, die toch steeds weer uitgaat naar mijn vriend, lees ik over een net gescheiden kunstschilder uit Tokio. Door zijn relatiebreuk kan hij niet goed meer schilderen en besluit naar een natuurrijk gebied te trekken, waar hij een geïsoleerd huis in de bergen huurt. Terwijl hij over zijn ‘painter’s block’ probeert heen te komen, maakt hij kennis met zijn mysterieuze buren en de omgeving. Op een nacht hoort hij een vreemd geluid, een rinkelende bel, uit de kelder van het huis. Hij wil onderzoeken wat het is en stuit op de geest van een sokushinbutsu: een monnik die zichzelf levend heeft gemummificeerd in de bergen, een inmiddels wettelijk verboden praktijk die tamelijk in het geheim tussen de elfde en negentiende eeuw werd uitgevoerd. In de ondergrondse tombe mediteerde zo’n monnik dagenlang en rinkelde met een belletje om de mensen boven te laten weten dat hij er nog was.
De passage over de monnik is kort, maar het beeld raakt me meteen. Ik sla het boek dicht. Terwijl ik kijk naar hoe het felle zonlicht de zee transformeert tot een oppervlak van talloze glimmende spiegels, denk ik aan een persoon die ademend, levend in een kist onder de grond zit. Hoe pathetisch en dramatisch het misschien ook klinkt, ik herken er iets in. Het je niet kunnen verbinden – met de wereld, met je geliefde – komt letterlijk tot uiting in het beeld van iemand die zich in een ondergrondse ruimte bevindt. Opgesloten en alleen met zichzelf.
Het is vreemd, maar lezen over iemand die op die wijze versterft, wekt in de dagen die volgen in mij juist een levendige energie op. Nog steeds zijn er de gedachten aan mijn vriend, de twijfels, de onduidelijke gevoelens over de toekomst, maar er is nu ook de monnik. In mijn vrije middagen tijdens de retraite, en daarna als ik alleen theedrink en mijn vriend surft, lees ik online alles wat ik kan vinden over de sokushinbutsu. Het is niet veel – er bestaan maar weinig academische artikelen over dit onderwerp en de meeste daarvan zijn in het Japans. Maar dat wat ik vind, noteer ik op witte servetten waarvan de randen gekruld worden door de Marokkaanse wind.

Een week later zijn we terug in Noorwegen. Het is zoals het was: mijn schoonmoeder heeft dienst in het ziekenhuis, mijn schoonvader loopt het huis steeds in en uit tussen zijn klussen door. Ik ben in de woonkamer, die mij, als freelance tekstschrijver die op afstand kan werken, is toegewezen als werkruimte, en hoor de voetstappen van mijn vriend boven mij, die van en naar de badkamer loopt. Daarna klinkt het clowneske intromuziekje van de game die hij start op zijn computer. Ik leg de beschreven servetten, het zijn er een stuk of tien, naast elkaar op het tapijt. Het geluid van de game verstomt; hoe langer ik kijk naar de witte vierkante vlakken, hoe meer het lijkt of mijn zicht wordt vertroebeld door dikke mist, tot deze uiteindelijk optrekt en er een majestueuze berg verschijnt.

 

© Grete Simkuté, 2022
© Lebowski Publishers, Amsterdam 2022

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum