Leesfragment: De wilde binnenvaart

22 november 2022 , door Stijn van der Loo
|

Vandaag ligt de nieuwe roman van Stijn van der Loo in onze winkels, en woensdag 30 november 19.00 presenteert Uitgeverij Querido De wilde binnenvaart bij Het Martyrium. Kom ook, en lees nu een fragment.

Ruwe bolsters, blanke pitten – dat zijn de helden in Van der Loo’s romans. Harde werkers, mannen van vlees en bloed. Dat geldt ook voor Vierling, de binnenvaartschipper die moet knokken om een lading houtsnippers naar Frankrijk te mogen vervoeren. Voor de zelfstandige is het er niet eenvoudiger op geworden sinds de opkomst van de duwvaart; om de last van de stookkosten te verlichten, koppelt Zwerver bij hem aan. Tussen Vierling en zijn vrouw Pluim loopt de spanning nogal op; steeds vaker gaat zij de wal op om bij haar zus te logeren. Wat houdt ze geheim voor hem? En wat zijn de werkelijke beweegredenen van Zwerver?
De wilde binnenvaart is een roman vol verknoopte ontwikkelingen op het zwarte water van de rivieren – het water, die lieflijk ogende moordenaar.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Slopers.

 

1

‘Die Riessling,’ zei ik tegen Pluim, ‘daar heb ik nou eens echt een hekel aan. Dat kan toch? Hij is niet mijn type. Dat zelfingenomene van hem... Of laat ik het zo zeggen: wat ik aan hem bewonder is dat hij zo spectaculair zeker is van zichzelf.’
‘Je bent jaloers.’
‘Misschien wel, ja, maar misschien ook niet.’
‘Hij doet gewoon zijn werk. Dat heeft-ie altijd gedaan.’
‘Lijstjes maken, lading verdelen, zeker zijn van zichzelf...’
‘Ja, zijn werk. Godverdomme, Vierling, je bent een kind.’
‘Ik mag hem niet, klaar.’

Zacht pruttelend glijdt de spits over het gladde water van de Maas, la Meuse. Een meerkoet peddelt langszij, hij zwemt al een tijdje met ons op, blijft zo’n beetje in de buurt, tuk op een happie. Blatta, in zijn hemd, houdt me vanachter het roer in het oog, hoe ik op het voordek lig, op mijn buik, boven op zijn hut. Hij heeft die lome Argentijnse oogopslag waarin iets wreeds glimt, gelaten maar geïnteresseerd, vooral als het lijkt of er iets staat te gebeuren.
De loop van mijn buks glimt van het vet. ‘Hou je lopen in de olie, Vierling,’ klonk het vroeger in dienst. Alles danst en glanst in de zon, scherven licht spatten van het water als de meerkoet naar kroos duikt en zo een kleine commotie veroorzaakt. Het rivierwater ruikt zoet. Het is zomer en vrede. Mijn vinger spant om de trekker. Een lichte hoofdpijn zeurt rond mijn slapen, drenst gelijk op met de kalme deining van het schip.
We glijden langs een grote zwaan die op de oever staat te pronken. Ik richt mijn loop op dat stralende doelwit. Luchtbukskogels zijn maar kleine loden dopjes, net genoeg om iemand mee te verwonden, maar zo’n zwaan, zo’n broos bottenskelet in verenpak, licht als een rijstpapieren lamp, daar schiet je natuurlijk dwars doorheen.

Liefje, zou ik willen zeggen. Maar wat betekent dat woord? Iedereen is lief, niemand is te vertrouwen.
Pluim houdt er haar eigen vocabulaire op na. Ze wil ‘verbinding’, zegt ze.
‘“Verbinding” is een modewoord, dat weet je toch?’
Maar ze wil niet lief genoemd worden. ‘Lief! Bah! Dat hebben er al zoveel tegen me gezegd. En waar heeft het me gebracht? Als je me zo nodig iets wil geven, geef maar geld, daar kan ik wat mee. Geld, een huis, een veilige plek voor mezelf. Noem me fantasieloos, schipper. Mijn fantasie gaat uit naar geld. Al het andere is holle klank, ik heb er zoveel horen zingen, baritons in galmende sluizen. Het betekent niets meer voor me. Zie mijn ogen, schipper, ze staan dof. Vind je dat poëtisch? Zie de rimpels in mijn vel. Wat wil je daarover zuchten? Als de rimpels op het water? Schrijf gerust een liefdesgedicht, als je zo nodig moet, maar val mij er niet mee lastig.’
Pluim is tweeëndertig, ik ben negenendertig. Ons leeftijdsverschil, roepen ze dan. Mijn moeder riep dat. Of vraag het aan Riessling, wat hij ervan denkt? Bah. Laat maar zitten.

Pluim is naar haar zus gegaan, Trude. Die heeft alles wat Pluim wenst. Grond, zompige zuigende klei. Een eigen huis, nou ja, een krot zonder fundament, verzwaard met een onaflosbare hypotheek. Dat wordt daar allemaal de modder in gezogen, een halve centimeter per jaar. En dan nog een sliert katten, een paar honden, een armetierige boomgaard van vijf kersenbomen, een rijtje appels en een aanhoudende spreeuwenplaag.
Maar wat heb ik te bieden dan? De spits, die ouwe schuit, het schip van opa Vierling. We moeten nodig weer de helling op met dat erfstuk. De Anna Barbara! En dan poëzie natuurlijk. De poëzie van het drijven op water, met tonnen vracht, dat delicate evenwicht, op het zwarte water, die lieflijk ogende moordenaar. Hoor maar, heb ik soms niet mijn vrije geest te bieden? Ha! Laat haar niet lachen: ‘Ongebonden is nog niet vrij. Dat is los. Iemand op wie niet gebouwd kan worden, een zwerver. Met zijn klusjes, goed voor een handje geld dat net de diesel kan vergoeden om weer een meter op te varen. Is dat soms geen gevangenschap, schippertje, geen slavernij? Hoe moet jij ooit een hypotheek krijgen?’

Ik steek mijn hand op naar Blatta, hij legt de spits langszij, we meren aan. In de hitte van de zomerdag trilt de lucht, een kleine vogel kwinkeleert en duikt naar vis, aan de oever raspt een krekelfamilie een pastorale, je moet het willen horen – stopt abrupt als ik de wal op stap.
De zwaan ligt op zijn zij in het gras, zijn bek open, zijn zwartgerande snavel bebloed. Hij is zwaar. De dood maakt een lichaam zwaar. Dat gebeurt als de ziel, die ijle optimist, vervliegt. Zijn glans is ook weg, zijn veren zijn dof, een vale vaatdoek. Ik kniel aan de waterrand en dompel het dier onder, was het bloed van zijn veren, vaandel hem plonzend door het donkere water, witte vlag. Mijn hoofdpijn komt weer opzetten.
‘Witte wijn,’ roep ik naar Blatta. ‘Bino Bianco!’
Blatta staat op het gangboord te grijnzen. Hij heeft de fles al vast, houdt hem fonkelogig omhoog. Hoe vaak heeft hij niet bruine ogen als-ie opzij kijkt; kijktie je aan, dan lijken ze plotseling blauw. Het is de lichtval. ‘Blatta, je bent een kameleon!’
Hij grinnikt, steekt zijn vuile duim op, neemt een slok en zet de fles op het gangboord. Dan pakt hij het druipende beest van me over, tilt het aan boord, knikt goedkeurend. ‘Mooi maaltje, baas.’
We meren af, ik neem het roer, en Blatta gaat in het achteronder wat aan de veren zitten plukken, sigaret tussen zijn lippen.
Blatta mist de helft van zijn ringvinger. Er is ooit een tandwiel onder zijn trouwring geslagen. ‘Het huweliek is niet voor mij,’ zegt hij glimlachend. Dat huwelijk was in Argentinië, tot dat tandwiel zijn sprookje aan flarden rukte. Daarna is hij als circustentenbouwer in Europa beland. De stap van circustenten naar de binnenvaart was maar een kleine. Vastsjorren en weer losgooien. We werken met dezelfde touwen. Overigens schijnt half Argentinië naar hem op zoek te zijn, daar laat hij niet veel over los. Ik wil hem ernaar vragen, maar het kan me ook niet schelen. Zolang hij zijn werk doet... Heeft hij zijn vaarbewijs? Ik weet het eigenlijk niet. Ik heb zijn monsterboekje met vaartijden nooit gezien. Of zijn medische keuring. Het doet er niet toe. We varen, hij weet wat hij moet doen.
‘Blatta, overnemen!’
Ik hoor hem het trapje opklauteren, het ijzer zingt onder zijn voetstap, ik wandel al over het gangboord naar voren, neem mijn buks van het voordek en wikkel de vette loop voorzichtig in een doek, laad hem en zet hem in mijn hut naast de deurpost. Dan terug naar de stuurhut. Halverwege het gangboord zie ik Blatta het achteronder weer in dalen, de kombuis in. Nou ja, kombuis... Een driepits-atag-gasstelletje op een meubeltje naast de gootsteen: een uitgebroken kastje met een pomp en een randje van tien centimeter als spoelbak. Het is wat het is, je moet het erin zien. Als ik het roer weer neem klimt uit de kajuit een braadgeur van vlees en knoflook op.
Met een luchtbuks kun je hier aan de Maas prima eten. Alle vogels hebben een filetje op hun borst en een paar knapperige pootjes. De meerkoet die ons zo schrikogig verwachtingsvol volgt heeft nog geen idee van zijn eindbestemming een dezer dagen. Maar vandaag eten we zwaan, een koningsmaal.
Als je trouwens aangemeerd ligt, bijvoorbeeld bij een sluis, moet er ’s nachts niet een of andere grappenmaker over het gangboord sluipen. Zo iemand schiet je toch een loden luchtbukskogel tussen zijn ogen, elke schipper zou dat doen, reken maar dat dat pijn doet, zeker van dichtbij. Welke gek komt er over een gangboord aangeslopen midden in de nacht? Men moet op het water de rustgevende deining niet verwarren met slaap. Ik slaap altijd licht. En mijn buks is geladen, natuurlijk. Dienstdiscipline. ‘Een wapen is geen wapen als het niet op scherp staat, Vierling.’ Maar het is zomer en vrede. Zomer en vrede, herhaal dat.

[…]

 

Copyright © 2022 Stijn van der Loo

pro-mbooks1 : athenaeum