Leesfragment: Stilstaand water

14 mei 2022 , door Maria Broberg
|

18 mei verschijnt het romandebuut van Maria Broberg, Stilstaand water (Bakvatten), uit het Zweeds vertaald door Lia van Strien. Lees bij ons een fragment.

Ergens in de jaren zestig verdwijnt een jongen in de verlaten binnenlanden van Noord-Zweden. Iedereen denkt dat deze Nilas is verdronken, dat hij is verdwenen in de stroming van een rivier. Maar Nilas ligt verborgen onder het mos, met ijsbloemen op zijn wangen, te midden van zompige moerassen en ruisende bosbeekjes. Het zal tientallen jaren duren voordat de lente onthult wat er werkelijk is gebeurd.

Stilstaand water gaat over de verboden liefde tussen een jonge man en een getrouwde vrouw, over een zoon die een vader wil maar een broertje krijgt, en over een vrouw die vele jaren later wil dat haar vriend de waarheid vertelt. Maria Broberg vertelt een zinderend plattelandsverhaal over eenzaamheid, verlangen en de reikwijdte van het geweten.

 

Weggeborgen

Als ze erachter kwam, zou ze dan bij hem weggaan? Zoals alle anderen gedaan hadden.
Petra lag zo vlak naast Håkan dat het was of ze aan elkaar vastzaten. Zuchtjes warme adem langs zijn kin. Voeten ingestopt tussen de zijne, vingers tastend over zijn buik. Haar contouren in de donkere slaapkamer, welbekend na al die nachten die ze samen hadden doorgebracht.
Hij lag daar en prentte zich haar in.
Vergeten was onvergeeflijk wist hij.

De eerste zomer na Nilas’ dood al was hij het merendeel vergeten: hoe Nilas’ vlugge voeten op de vloer roffelden wanneer hij ’s nachts naar Håkans bed toe kwam. Zijn gelach en gegil, zijn niet-aflatende gebabbel over trekkers, over die rode David Brown 880 van d’n Eliasson, de lasso waar hij mee oefende.
Het vergeten kwam niet doordat hij nooit aan Nilas dacht, dat deed hij wel. Maar de gedachten ijlden voorbij, dun en vluchtig, meer als een gevoel.
Als hij in de verte een trekker hoorde. Als hij een kind voorbij zag rennen met een kapot geknuffeld pluchen beest in een knuist. Als hij onder de waterspiegel zeegras zag wuiven.
Zo had Nilas’ haar eruitgezien. Deinend, dansend in het koperkleurige water.

Het was niet dat hij nooit eerder iemand had zien sterven, ook dat niet. Dat moest hem op het idee hebben gebracht van het vossenhol, dat verlaten hol, waar hij gezien had hoe Hebbe het leven had verlaten. Toen Nilas druipend voor zijn voeten lag, was het Hebbes plekje dat hij voor zich zag, bij een met dennennaalden, donzig mos en zonnevlekken bedekte heuvelkruin.
Hij had Nilas het water uit getrokken, kleine Nilas, zo mager dat hij diens ribben door het jack heen kon voelen, zo zwaar dat hij van lood leek.
Zijn witblonde haar als bruin zeegras onder het wateroppervlak.

‘Ik hou het hier niet langer uit,’ had moeder tegen hem gezegd voor ze, kort daarop, vertrok. ‘Ik zie hier niets dan Nilas. En ik zie jou, Håkan.’
Dat hij eenzaam was, was pas een hele poos later tot hem doorgedrongen, in de tweede zomer na Nilas’ dood. Hij had buiten iets gehoord en gedacht dat zijn moeder terugkwam, of Lars, hij had wie het ook was tegemoet willen gaan. Maar buiten was er niemand, en hij stond huiverend in zijn blootje op het erf met ogen die prikten van het licht.
Alles was die ochtend veranderd en toch had het er niet anders dan anders uitgezien, of dan het er de veertig volgende jaren uit zou zien. De ochtend blikkerde in de ruiten en de vliegen zoemden groen glanzend onder het afdakje bij de voordeur. Håkan hoefde maar even aan die dag terug te denken en hij wist weer hoe hij door zijn knieën zakte, precies halverwege het kippenhok en de koestal, hoe het kille, bedauwde grind bijkans door zijn huid drong. Mollig aardappelloof had zich door de aarde omhooggewurmd. Hoe hij huilen moest toen hij dat zag. Wie zou hem helpen met het aardappellandje?
Hij kon zich de aanblik vanaf de Olsberg voorstellen. Van bovenaf moest hij eruitzien als een licht stipje midden in de rest, omringd door verlaten boerderijen, overwoekerende bospaden en naakte stroken kaalslag waar zich ooit bomen hadden uitgestrekt. En tussen dat alles door stroomde de natte, donkere tong van de Vindelälven. Van boven op de berg gezien was het niet ver tot het plekje waar Nilas onder zijn deken van mos lag.
Eenzamer dan die ochtend had Håkan zich nooit gevoeld.

Eenzaam zou hij zich daarna altijd voelen, in elk geval tot hij Petra tegenkwam, God zij dank voor Petra. Maar hij dacht niet dat hij haar verdiend had toen ze die eerste nacht naast hem lag, toen hij voor de allereerste keer een slapende vrouw naast hem in bed had.
Nu lag hij daar weer aan te denken. Hij verdiende haar niet. Nu zou ze het doorkrijgen. Håkan probeerde Petra in zich op te nemen, met alles erop en eraan, haar diep in zijn binnenste te tatoeëren.
Hij wilde haar niet vergeten.
Hij had Nilas niet willen vergeten.
Het was niet dat hij nooit probeerde zich hem te herinneren, dat hij überhaupt niet aan Nilas dacht. Maar zodra hij aan hem dacht, sloeg de schuld toe, zo hard dat hij naar adem snakte, en daarom schoof hij die gedachten zo goed als het ging van zich af. Het was niet dat hij nooit eerder iemand had zien sterven, ook dat niet. Maar toen lag het niet aan hem.

Hij wist niet dat het allemaal al veel eerder begonnen was.

 

In den beginne

Wij zijn elkanders voor immermeer, de band die wij hebben vergaat niet.

Psalm 476, Den svenska psalmboken (1937)

 

Assar
1948

Het dorp stelde niet veel voor. Eigenlijk zou Assar het amper een dorp willen noemen, eerder een buurtschap, een verzameling verstrooide huishoudens die zich vastklampten aan een schraal stuk grond dat afliep naar de rivier. Je had er niets. Enkel wat keuterboerderijen aan weerszijden van een uitloper van het bos en buren die elkaar amper groetten, om redenen die niemand zich heugen kon. Verbonden door niets meer dan de zomerweg, die zich jaarlijks door wagenwielen tot een modderbrij liet rijden uit protest dat zijn winterslaap er weer op zat.
In Olsele was het altijd magertjes geweest, met alles. Huizen en schuren van ieliger hout en de koeien die minder glommen dan elders. Maar het uitzicht was fraai en het lag gunstig voor de aardappels. Op momenten van kleinzieligheid dacht Assar dat zijn ouders om de aardappels gebleven waren. Al wat ze kenden was aardappels en gerstepap.
Assar had zachte handen en een jongensachtige pony die hij met zijn palm uit zijn gezicht veegde. Hij kende een bepaalde nieuwsgierigheid die hij niet in zijn ouders terugzag. Ze willen niets, dacht hij. Hijzelf wilde alles.
Maar Assar was volstrekt onvoorbereid toen hij haar voor het eerst zag. Hij kende haar niet, ze was al net zo’n nieuwe, stralende aanblik als een paar jaar daarvoor het evangeliehuis toen dat pas was opgetrokken. Hij ontwaarde haar toen ze bij Sigurd naar binnen ging, een zuchtje wind liet haar jurk even wapperen, haar haar schitterde even in de zon als een pas gepoetste koperen ketel. Het licht prikte in zijn ogen. Dat het gras op de akkers al zo hoog stond dat het gemaaid moest worden, daar nam hij pas later nota van, achteraf.
Het was schimmig bij Sigurd binnen. Het vertrek waarin hij winkel hield lag achterin, aan het eind van een lange tamboer waar de lampen nooit ontstoken waren. De wanden vulden zich met kasten en koopwaar en hij had een heuse toonbank. Het oogde als een echt plattelandswinkeltje, al was het dan ondergebracht in een doodgewoon woonhuis. Er hing een speciale geur. Worst en fruitpastilles.
Ze stond midden in het vertrek. Ondanks het halfduister kon hij haar duidelijk zien. Ze keek abrupt om toen hij binnenstapte, maar liet haar blik slechts vluchtig langs Assar glijden voor ze zich weer naar Sigurd draaide, in de tijd dat Sigurd hem begroetend toeknikte. Hij was aardig, Sigurd. Had hem altijd een paar snoepjes toegestopt als hij er was. Nog niet zo lang geleden was Sigurd ermee opgehouden, Assar vond zichzelf er inmiddels te oud voor en bedankte wanneer Sigurd toch een poging deed.
Ze was opmerkelijk lang, bijna net zo lang als Assar, die de laatste twee jaar toch de hoogte in geschoten was. Haar haren krulden in haar nek. Hij keek naar de zachte lijn van haar kaak, haar lange hals, de schaduw van haar sleutelbeenderen die wegliep onder haar jurk, de ronding van haar boezem. Toen ze Sigurd toelachte, kreeg ze links een kuiltje in haar wang. Ze straalde, deed de ruimte oplichten. Hij kon zijn ogen niet van haar afhouden. In het lichte dons op haar bovenlip parelden kleine zweetdruppeltjes. Wie ze was wist hij nog niet, maar hij wilde die pareltjes met het puntje van zijn tong weglikken.
‘Hoe dan ook, mooi dat Hebbe weer terug is,’ zei Sigurd terwijl hij met het volgende pakje begon. ‘We hebben hem gemist.’
Ze keek Sigurd afwachtend aan, knikte haast onmerkbaar, alsof ze wilde dat hij doorging.

[…]

 

© 2020 Maria Broberg
© 2022 Nederlandse vertaling Lia van Strien / Uitgeverij Wereldbibliotheek

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum