Leesfragment: Alles raak

05 oktober 2023 , door Mensje van Keulen
|

Vanaf vandaag in onze boekhandels, en morgenavond in gesprek bij Boekhandel het Martyrium: Mensje van Keulen met Alles raak, haar selectie uit de mooiste, ontroerendste, geestigste en vreemdste verhalen, gedichten en dagboekfragmenten. Wees erbij, koop dat boek, lees een fragment.

Bijna achteloos kan ze een verhaal over gewone mensen uit de hand laten lopen. Of het nu haar indringende romans, openhartige dagboeken of sublieme verhalen zijn, Van Keulens werk wordt gekenmerkt door eenzaamheid, teleurstellingen en ons onvermogen om zorgeloos lief te hebben. Voor Alles raak – alweer het twaalfde deel in de Gedundrukt-reeks – koos Mensje van Keulen uit haar rijke oeuvre de mooiste, ontroerendste, geestigste en vreemdste verhalen, gedichten en dagboekfragmenten.



 

Nu weet je wie Bob is

Ze heeft hem al voorbij zien lopen. Zijn roze sjaal en camel jas waren haar opgevallen, en nu ze zijn grove gezicht ziet vindt ze die kleuren nog merkwaardiger. Ze weet hoeveel haar vader weegt en schat de man op honderdtwintig kilo. Hij stampt zijn lakschoenen af op de mat, hangt zijn sjaal los en gaat aan de korte kant van de bar zitten.
‘Het lijkt hier wel een loopgraaf voor de deur.’ Hij heeft een donkere stem. ‘Als je niet oplet flikker je in één keer van die plank af. Buiten roken is zo nog dodelijker.’
‘Er is iets met de kabels,’ zegt ze. ‘Maar nu het vriest doen ze er niks meer aan.’
‘Is het oké als ik er eentje opsteek?’ Hij kijkt naar de twee vrouwen die in de hoek bij het raam in een ernstig gesprek opgaan. ‘Er is toch niemand, en je baas vindt het goed.’
‘Mijn baas?’
‘Je baas, je chef, of hoe je hem noemt.’
‘Ik noem hem Lex.’
‘Ja natuurlijk, ik ook, al jaren.’ Hij peutert een sigaret uit zijn pakje. ‘Bijna op. Daar kom ik trouwens voor. Ik wou ze verderop halen, maar ik bedacht ineens dat het net zo goed hier kan. Kan ik ook even op adem komen. Ho, ik mag weleens op mijn eigen woorden letten... Weet je wat, ik stop vandaag. Ik ben ik-weet-niet-hoe-vaak gestopt, maar vandaag doe ik het echt. Vandaag wil ik ongelooflijk sterk zijn. Ik leg die kleine moordenaar hier voor me op de bar, zodat hij me uitdaagt, dat is de beste methode. Als ik word uitgedaagd doe ik alles om te winnen. Geef me maar een biertje.’
‘Hebt u een voorkeur?’
‘Wat zeg je dat keurig. Waar kom je vandaan? Maakt niet uit, hoor, we komen allemaal ergens of nergens vandaan. Je werkt hier zeker pas, ik heb je althans niet eerder gezien, hoe heet je?’
‘Eva.’
‘Eva. Dat is mooi, dat kunnen ze op de hele wereld uitspreken. Eva. Eefje vind ik ook wel bij je passen, mag ik dat zeggen? Dan zeg ik: Eefje, geef me maar een Koninckje, een flesje dus, geen tap.’
Ze schuift twee bierviltjes naar elkaar toe en zet er een flesje en een glas op.
‘Schrijf het maar op Bob.’ Hij knikt in de richting van de kassa. ‘Ik betaal altijd aan het eind van de maand.’
Ze aarzelt. Voor zover ze weet hebben alleen enkele stamgasten, onder wie de biljarters, een openstaande rekening.
‘Dat doen we al jaren, Eefje. En ik ben niet de enige hier. Bob Immers. Zo heet ik, geen geintje, maar Bob is genoeg.’
Ze pakt het schrift met de harde kaft dat in de la onder de kassa ligt, naast wat onduidelijke papieren, balpennen en de sleutel van de kelder.
‘Je zal misschien een eindje terug moeten kijken, want de laatste keer dat ik hier was heb ik meteen afgerekend, herinner ik me.’
Op zoek gaan naar ‘Bob’ durft ze niet zo vlak voor zijn ogen. Ze bladert wat door de laatste bladzijden, schrijft naast de datum ‘Bob’, trekt er een streep onder en dan ‘Koninck 1’.
‘Zet er meteen een pakje Gauloise bij. Een pakje zo blauw als een zomerse hemel zodat je denkt dat je frisse lucht binnenkrijgt. Het is niet eens voor mij, het is voor mijn vriendin.’
Zijn gezicht trekt somber weg. Hij staart in zijn glas, buigt zijn hoofd, duwt zijn duim en wijsvinger tegen zijn neusbrug. Het gebaar dat mannen maken om geen traan de kans te geven. Met een gevoel alsof ze hem heeft betrapt, kijkt ze van de twee vrouwen die al een half uur achter hun lege kopjes zitten naar de affiche van een galerie, waar op de vage afbeelding van een gebarsten raam segami staat. De expositie was vorig jaar zomer, maar de kunstenaar woont in deze buurt. Vanuit haar ooghoek ziet ze dat Bob het glas aan zijn lippen zet en in één keer leegdrinkt.
‘Sorry hoor, maar mijn vriendin hè... Mijn vriendin en Bas.’ Hij schenkt de rest van zijn flesje uit.
‘Bas is haar hond. Een heel lieve hond. Een labrador, nou ja bijna, er zit nog wat anders door, doet er verder niet toe, hij heeft die blonde vacht en diezelfde mooie, trouwe snuit, een prachtbeest. Hij is natuurlijk ook mijn hond, maar hij was er al voor ik in haar leven kwam. Als het waar is dat één jaar voor een hond zes jaar betekent, woont hij al achtenzeventig jaar bij haar en ik maar vier, begrijp je. Ik denk dat ze meer van hem houdt dan van mij en dat vind ik niet erg, want het is zo’n lieverd. Als je ’s morgens opstaat en je ziet hem is het of de zon schijnt, al is het nog zulk pokkenweer. En nu ligt hij op sterven... vreselijk, vréselijk.’
Hij buigt zijn hoofd weer en wrijft over zijn voorhoofd.
Ze ziet de kleine, zwarte hond voor zich die ze als kind heeft verloren, en daarna springt de tweede hond tevoorschijn: Dicky, die haar ouders buiten haar om een spuitje hadden laten geven en begraven om haar de beelden te besparen, en vervolgens de hamsters, de witte rat, de jonge vogels die het niet redden, het konijn dat verlamd in zijn hok lag, de kat om wie ze met haar vriend twee weken lang iedere avond buiten ‘Karel! Karel!’ heeft lopen roepen, al die dieren die ze heeft moeten missen, al die hartverscheurende momenten.
‘Ik ben even weggelopen om die sigaretten te halen,’ zegt hij. ‘Voor haar dus, voor mijn vriendin, maar eerlijk gezegd kon ik het ook niet meer aanzien. We hebben Bas vannacht op bed getild, tussen ons in, we hebben allebei geen oog dichtgedaan, maar dat geeft niet, dat heb je er graag voor over. Op dat bed ligt hij dus nog steeds, mijn vriendin naast hem. Hoelang nog hè, is de vraag, hoelang nog. Hij is heel rustig, maar hij kijkt je aan, hè, o, zoals hij je aankijkt. Ik ga zo maar eens terug, ik kan toch aan niets anders denken.’
‘En de dierenarts?’ zegt ze voorzichtig. ‘Tegenwoordig komt de dierenarts ook aan huis.’
‘Dat is mooi, maar daar wil Rita, mijn vriendin dus, niet aan. Ze zegt dat Bas geen pijn heeft en daar heeft ze gelijk in, dat zou je aan hem merken. Ze denkt ook dat Bas meteen doorheeft wat er gaat gebeuren als hij de dierenarts ziet. Nee, dat gebeurt niet, begrijp je, Eefje?’
Ze knikt, ze begrijpt, duwt de schone glazen nog eens over de borstel in de spoelbak.
‘Ho, ik geloof dat ik mijn telefoon voel gaan.’ Hij knoopt zijn jas los, haalt zijn mobieltje uit de binnenzak van zijn jas, kijkt erop en zucht. ‘Ik ga wel even naar achter.’
‘Schatje,’ hoort ze hem zeggen, terwijl hij langs segami loopt. In het gangetje achter het biljart blijft hij staan, zijn rug naar haar toe, een hand tegen de muur. En in die paar tellen dat hij daar zo staat, ziet ze het: hij breekt, hij breekt en vermant zich.
Het is of er een schaduw over haar heen glijdt en ze begint met kleine, felle bewegingen de bar te poetsen.
‘Hij is dood.’ Zijn stem klinkt hees. ‘Bas is dood.’
‘Ach, nee,’ zegt ze.
‘Hoe moet het nu zonder dat lieve beest? Wat heeft het nog voor zin allemaal?’ Hij pakt de sigaret van de bar, steekt hem achter zijn oor. ‘Ik had erbij moeten zijn, ik vergeef het mezelf nooit.’
‘Wilt u misschien nog een biertje?’
‘Godsamme, ik had erbij moeten zijn.’
‘Of iets anders? Iets sterkers?’
‘Nee, dank je, ik moet gauw naar Rita, ik moet gaan.’ Hij knoopt zijn jas dicht, doet hem weer open. ‘Weet je, Eefje, geef me nog maar drie pakjes, dan kan ze even vooruit. En een fles champagne. Lex zal het begrijpen, hij kent haar. Cava is ook goed, hoor, maar champagne op het etiket zal haar, hoe zal ik het zeggen, misschien wat meer opbeuren, eerder troosten, al gaat het om de bubbels. Daar wordt ze licht van in haar hoofd, en dat zal hard nodig zijn, het wordt een heel zware avond.’
De eerste biljarters komen binnen.
‘Bob,’ zegt de een.
‘Tijdje niet gezien,’ zegt de ander.
‘Jongens,’ zegt hij en hij bergt behoedzaam de sigaretten en de fles onder zijn jas. Hij maakt een gebaar alsof hij wil salueren en slaat dan zijn sjaal om. ‘Sorry jongens, ik moet ervandoor.’
De biljarters hangen hun jas aan de kapstok, halen hun keu uit het foedraal.
‘Is zijn hond weer dood?’
Lachend krijten ze hun keu.
‘Die is al zeker drie keer doodgegaan, als het niet meer is. Hij kent alle cafés. Kijk maar niet zo sip, Eva. Word je een keertje belazerd, zo erg is dat niet. Een fluitje en een witte wijn alsjeblieft.’
‘Ik voel me niet belazerd,’ zegt ze.
‘Je ziet anders behoorlijk pips, meisje.’
‘Hij had verdriet.’
‘Welnee, dat was Bob. Nu weet je wie Bob is.’
‘Het kan me niet schelen of het waar is van die hond,’ zegt ze. ‘Hij had verdriet en ik zag dat het echt was.’

 

© Mensje van Keulen

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum