Leesfragment: Bij Thomas More, Utopia

21 juni 2023 , door Marja Brouwers
|

In de aanloop naar het nieuwste deel, Toni Morrisons Teer, in september, publiceren we op deze site alle nawoorden bij de klassiekers in de Perpetuareeks. Bijvoorbeeld Marja Brouwers over Thomas Mores Utopia, in de vertaling van Paul Silverentand.

Een gemeenschap van werkenden waarin de kloof tussen arm en rijk niet bestaat, waar iedereen beschikt over wat hij nodig heeft, waar geld geen rol speelt en economische misdrijven niet voorkomen: ziedaar Utopia volgens Thomas More. Het lijkt in niets op de toestand in het Westen van het begin van de zestiende eeuw, waar armoede heerste, de rechtspleging corrupt was, het grootgrondbezit tot schrijnende onrechtvaardigheden leidde en de politiek aan alle kanten faalde.

N.B. Lees ook Lonneke van Genugtens bespreking van Utopia.

 

Een enkele keer vormt een schrijver als bij toverslag een begrip dat tot dan toe in het woordloze versleuteld lag. Zo kennen we sinds Cervantes het vechten tegen windmolens, niet te verwarren met het vechten tegen de bierkaai, en zo heeft Sir Thomas More het utopische denken aan ons ervaringsbereik toegevoegd. Het utopische denken onderscheidt zich van de droom en de fantasie doordat het zich richt op praktische, plaats- en tijdgebonden problemen. Een utopie is altijd een fictie, maar er ligt een filosofisch onderzoeksprogramma aan ten grondslag dat praktisch toepasbare conclusies uitlokt. In de mogelijkheid van praktische toepassingen ligt tevens een gevaar, zoals de twintigste eeuw hier en daar heeft laten zien.
Alles wijst erop dat More zijn Utopia schreef in de hoop Hendrik VIII ermee aan te sporen een betere koning te worden dan zijn vader was geweest. Met Hendrik VII had zijn eigen familie een paar vervelende dingen meegemaakt. More was niet tegen de monarchie. Het idee van het fictieve eiland met een volstrekt originele staatsinrichting ontleende hij aan Plato’s Constitutie, een republiek, maar hoe nadrukkelijk Utopië ook een republiek mag zijn, de onaantastbaarheid van het koningschap kan voor een magistraat in het Engeland van de Tudors geen punt van twijfel zijn geweest. Hierbij kwam dat de jongere Hendrik een diepe verering koesterde voor de leermeester die hij uiteindelijk naar het schavot heeft gestuurd. Het is onduidelijk of deze Hendrik van Utopia nog iets heeft opgestoken.
More moet hebben beseft dat er iets precairs in zijn onderneming school. De noodzaak om te benadrukken dat het verhaal over het eiland niet letterlijk, maar wel serieus moest worden genomen sloeg een artistieke energie in hem los die je nooit tegenkomt bij iemand die door de katholieke kerk heilig is verklaard. Hij heeft zichtbaar nagedacht over het probleem van fictie en werkelijkheid, een probleem waaraan sindsdien weinig is veranderd omdat het een probleem van interpretatie en dus een lezersprobleem is. Lezers willen altijd weten wat ervan waar is, terwijl schrijvers alleen maar kunnen volhouden dat een fictief verhaal niet waar is in letterlijke zin, maar daarom nog geen leugen. Is het verhaal goed, dan onthult de fictie vanzelf een waarheid die zich vanaf het moment van onthulling niet meer laat ontkennen. Dat is geen kwestie van magie, maar van vorm. Het hoort nadrukkelijk tot de vorm van Utopia dat over de locatie van het eiland geen zekerheid wordt gegeven.
In de tijd van Thomas More was fictie al eeuwenlang goed op haar plaats in het theater. Zijn keus voor de gesproken taal was dus waarschijnlijk intuïtief. Alles wat we omtrent het concrete Engeland en het fictieve eiland te weten komen wordt voor het voetlicht gebracht door sprekers. Dat stelt de schrijver in staat om alles wat er gezegd wordt voor rekening van de sprekers te laten. Het lijkt het recept voor een flauwe truc van nep-ironisten (als het je bevalt, dan meen ik het en als het je niet bevalt, dan meen ik het niet), maar goedbeschouwd moet het op z’n minst een staaltje van hoge balanceerkunst hebben vereist om op deze manier een tekst te produceren die niet alleen een licht werpt op het tijdperk waarop hij zich richt, maar ook op dat van onszelf.
De inzet van Utopia is een politiek ideaal waarvan de auteur weet dat het goeddeels een ideaal zal moeten blijven, onbereikbaar zoals dat met idealen vaker het geval is, misschien zelfs een onzinnig ideaal. De denkbeeldige zeevaarder die de zeden en gewoonten op het eiland beschrijft heet in de oorspronkelijke Latijnse editie dan ook Hythlodaeus, van het Oudgriekse hythlos, onzin en daio, verspreiden. Zeg maar onzinverkoper. Ondanks de nogal nadrukkelijk gediskwalificeerde verteller krijg je als lezer niet het gevoel dat je voor de gek wordt gehouden. Dat komt door zijn toon, geciviliseerd enthousiast, constructief kritisch. Af en toe maakt de onzinverkoper opmerkingen die zo in het politieke programma van een socialistische partij zouden passen: ‘Omdat ze dus alleen maar nuttig werk hebben en dat werk in minder uren gedaan krijgen dan elders, komt het bij een overschot aan alle mogelijke goederen soms voor dat ze grote groepen mensen aan het werk zetten in het onderhoud van de wegen als die in slechte staat verkeren. Toch is regelmatig zelfs dat soort werk niet nodig en dan wordt er een algemene verkorting van de werkdag afgekondigd.’
De snier van de verteller naar de Geenlanders, die oorlog voerden om een ander land te bezetten, moet de lezer van nu ook tamelijk actueel in de oren klinken: ‘Maar toen ze het eindelijk veroverd hadden, zagen ze dat het net zo lastig was om het in handen te houden als om het in handen te krijgen: overal laaide telkens weer strijd op van opstanden en aanvallen uit het buitenland, zodat ze dus steeds voor of tegen het onderworpen volk moesten vechten en nooit de gelegenheid kregen om het leger naar huis te sturen.’
En welke Wall Street wizard, eenmaal nuttig tewerkgesteld aan het onderhoud van bruggen en wegen, zou nog ontkennen dat deze observatie van de stem uit 1516 heel aardig verklaart waarom de diverse honderden miljarden dollars die bestonden in augustus 2008 in oktober opeens niet meer bestonden?

‘In de natuur komt de behoefte om enorme voorraden aan te leggen of zich van alles toe te eigenen immers alleen voort uit de angst om ooit tekort te komen, maar bij de mens is hebzucht louter en alleen het gevolg van ijdelheid, de gedachte dat je beter bent dan een ander als je meer overbodige rijkdom tentoon kunt spreiden dan hij.’

Als More zelf ten slotte weer het woord neemt in de epiloog, waar hij nog eventjes een portie sarcasme uitstort over gangbare opinies, is de dubbelzinnigheid zo monumentaal geworden dat de laatste alinea nog steeds de vraag oproept met welke ideeën hij het nou eens is en met welke niet. Natuurlijk kan dat geen echte vraag zijn. Hij schreef het boek zoals hij het schreef en dus was hij het eens met alles wat erin naar voren wordt gebracht. Dat betekende niet dat hij Utopië in Engeland gerealiseerd wilde zien, maar wel heeft hij het verhaal in zijn geheel als stof voor serieuze overweging willen aanbieden, inclusief een patriottisme dat als doel alle middelen gerechtvaardigd acht om onaangepaste vreemdelingen onder de voet te lopen, afschaffing van alle privébezit, vrijheidsberoving en slavernij voor non-conformisten, een al even slaafse onderworpenheid van vrouwen, overigens geheel vrijwillig, aan hun man en de doodstraf zonder vorm van proces voor rebellen die zich met slavernij niet laten genezen.
Om het maar eens postromantisch samen te vatten: de ideale samenleving is een totalitaire staat. Ja, wat had die dan moeten zijn? Het onderscheidende kenmerk van het klassieke denken is dat het aan vrijheid geen positieve waarde toekent en het goede of goddelijke gelijkstelt met het noodzakelijke of de wet. In het klassieke idealisme was vrijheid het tegenovergestelde van orde. In zijn vrije toestand werd de wereld als een betekenisloze chaos gezien. Alleen in een daaraan op te leggen orde kon hij betekenis krijgen. Voor de klassieke filosofen had een begrip als individualiteit geen enkele inhoud. De mens kon aan de chaos ontsnappen door zich bewust te worden van de goddelijke wetten en die te gehoorzamen. Dan kwam alles vanzelf op zijn pootjes terecht, om daar prompt te bevriezen in een onbeweeglijke stilstand, want de aldus geschapen maatschappij zou buiten de geschiedenis staan. Elke volgende generatie zou weer precies zo zijn als de vorige in de volmaakte gehoorzaamheid aan eeuwige wetten.
In de tijd van Augustinus waren alle pogingen om volgens deze principes een samenleving in te richten op niets uitgelopen. Augustinus heeft laten zien dat het christelijke geloof een betekenis kon geven aan de individuele ervaring, terwijl de klassieke filosofie dat niet kon. In de aardse polis wordt de orde gehandhaafd door angst voor de chaos. Vroeg of laat zullen de spanningen tussen de vrijheid en de wet die orde weer breken. Waar de liefde tot God en de naastenliefde heersen, wordt de aardse polis de stad van God. Daar is de orde een natuurlijk gevolg van de vrijheid, in plaats van er met fysieke of logische dwang aan te worden opgelegd. Lezers die door de eeuwen heen hebben geprobeerd Utopia voor hun kerk te claimen als een katholiek traktaat begrepen hun eigen katholicisme niet. Utopia is door en door onchristelijk.
Thomas More was een klassieke filosoof. Plato heeft een veel grotere invloed op hem gehad dan Augustinus. Het wonder van Utopia is dat het zo veel sociale en economische ideeën bevat die ons eigentijds voorkomen. Dat kun je van Constitutie niet zeggen. Het is juist die onverwoestbare actualiteit waardoor het boek van More zo’n unieke confrontatie biedt met de denkwereld van de Europese renaissance. Gemakkelijk verteerbaar is die denkwereld niet. Het humanisme van More en zijn vriend Erasmus was een stuk minder humanitair dan wij geneigd zijn te veronderstellen. Een verklaring van de universele rechten van de mens zouden ze niet hebben ondertekend.
Bekende twintigste-eeuwse utopieën als Orwells 1984 en Huxleys Brave New World vertonen een logische ontwikkeling in het utopische denken. Het ideaal, ofschoon herkenbaar utopisch, verschijnt hier in de contrastvorm van een politiek of maatschappelijk schrikbeeld waarvoor intussen het woord ‘dystopie’ is bedacht, ongetwijfeld door een of andere dyslecticus. In die verhalen komt het individu tegenover het collectief te staan, om erdoor vermorzeld, gemarteld en verscheurd te worden. Je zou kunnen zeggen dat daarmee de utopie op een wat christelijkere manier tot in de laatste consequenties werd uitgedacht. Het genie van Thomas More heeft al min of meer vermoed wat het niet helemaal bevatte.
Laat de ideale maatschappelijke orde alsjeblieft blijven waar die is: op een niet-bestaand eiland.

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum