Leesfragment: De gouden dominee. Bij Plato’s Feest / Euthyfron / Sokrates' verdediging / Kriton / Faidon

15 mei 2023 , door Gerard Koolschijn
|

In de aanloop naar het nieuwste deel, Toni Morrisons Teer, in september, publiceren we op deze site alle nawoorden bij de klassiekers in de Perpetuareeks. We beginnen bij de oudste klassiekers, met Plato’s Feest / Euthyfron / Sokrates' verdediging / Kriton / Faidon, in de vertaling van Gerard Koolschijn. Lees vandaag zijn nawoord.

Plato en Sokrates zijn onafscheidelijk. In deze bundel zijn Plato’s boeken bijeengebracht waaraan Sokrates zijn aureool ontleent. Feest (Symposion) is Plato’s meesterwerk over liefde, dat een beeld geeft van Sokrates ongrijpbare persoonlijkheid. De andere titels houden verband met Sokrates proces. In Euthyfron discussieert Sokrates over godsdienst. Sokrates’ verdediging beschrijft de ironische, zelfverzekerde manier waarop hij het martelaarschap zoekt. In Kriton weigert hij uit de dodencel te ontsnappen. Faidon tenslotte gaat over de onsterfelijkheid van de ziel en eindigt met de aangrijpende beschrijving van Sokrates dood.

N.B. Lees ook op onze site Koolschijns inleiding bij Plato's oplossing voor de planeet.

 

Sokrates en Plato, een tweekoppig monster. Sokrates kennen wij door Plato. Plato lezen we voor Sokrates. Zij zijn onafscheidelijk. Sokrates toont de glimlach van het tweetal, Plato spint achter het vriendelijke uiterlijk de ijzige gedachten.
Daar staat hij, de man met de twee gezichten, voor zijn honderden rechters. Heeft hij een nieuwe god ingevoerd, de jeugd bedor- ven? Het is allebei waar, vanuit het standpunt van de democraat die hem berecht.
Wat voert hij tot zijn verdediging aan? Dat ieder vrij moet zijn te zeggen wat hij denkt? Nee, want dat vindt hij niet. Onbenul kan beter zwijgen. De rijke jongens, die genoeg tijd hadden om over de Grote Markt achter hem aan te lopen, zagen graag hoe hij de kleine lieden stoorde bij hun werk. De schoenmaker verstond zijn vak, maar blootgesteld aan Sokrates’ verhoortechniek bleek hij verder niets te weten. En dan willen stemmen?
Welke kennis miste het volk? Sokrates’ oudere tijdgenoot Protagoras had in Waarheid of weerleggingen allang uiteengezet dat op ethisch en politiek terrein geen sprake was van kennis. De beste staatsvorm was daarom de democratische, waarbij een optelsom van meningen de doorslag gaf.
Sokrates’ vragen verwachtten geen antwoord. De gesprekspart- ner moest met de mond vol tanden staan. Tot dusver had die pro- bleemloos zijn leven geleid, nu moest hij met het probleem van de dominee worden opgezadeld. Het veelgeprezen onderzoek van de ziel, die uitvinding van Sokrates, was een vooringenomen streven de eigen levenshouding op te dringen.
Maar Sokrates zei toch dat hij zelf niets wist? Valse bescheidenheid. Hij velde een moreel oordeel over de Atheense samenleving en vond zichzelf een beter mens dan zijn aanklagers. Hij leerde zijn jonge aristocratische vrienden dat het volk, omdat het zich op koop en verkoop en consumptie richtte, een slaafs karakter had. Niemand kon toch serieus beweren dat de mening van de massa iets waard was?
Waarom gaf Sokrates de voorkeur aan zichzelf? Hij wees op de orakelgod. Die had hem tot zijn buitenparlementaire actie aange- zet. ‘In deze stad,’ zegt hij tegen zijn rechters, ‘is u nooit iets be- ters overkomen dan mijn werk in dienst van de god. Ik ben een godsgeschenk. Ik kan u gelukkig maken. Ik verdedig niet mijzelf, maar u. Als u mij doodt verliest u de enige die u de weg kan wij- zen. Als de democratie mij dit werk verbiedt stop ik niet.’ Sokra- tes stelde deze god, in zijn verrassend nieuwe gedaante, boven de staat.
Hij moest en zou zijn landgenoten blijven voorhouden dat zij, in Plato’s woorden, als koeien met hun koppen naar de grond ge- bogen hun tafels leeggraasden, zich volstoppend en elkaar be- springend, en in hun begeerte naar steeds meer trappend en sto- tend met horens en hoeven van staal elkaar uit onbevredigdheid doodden. En dat alles onder leiding van het gewiekste juristenty- pe met zijn kleine ziel, morele invaliden als politici, banketbakkers die de buiken van de mensen vulden, geestelijke bedelaars die de massa tot heerser maakten over zichzelf.
In Faidon vertelt Sokrates dat hij de natuurwetenschappen had bestudeerd. Die studie had hem niet bevredigd. Morele wetten wilde hij vinden. Wat was de zin van het leven? Protagoras’ stel- ling dat ieder dat voor zichzelf moest uitmaken aanvaardde hij niet. Zijn god gebood hem te verkondigen dat vrijheid slecht was. 
Plato schreef op waarom. In De ideale staat laat hij zijn broers te- gen Sokrates zeggen: ‘Wij verwachten van u meer dan een over- winning in een debat. Bewijst u wat nog nooit is aangetoond: dat immoreel gedrag slecht is voor onszelf.’ En dan ontvouwt Sokra- tes de psychologisch-politieke theorie die de grondslag van zijn missie was: er zijn verschillende menstypen, waarvan er één voor politieke rechten in aanmerking komt, omdat het als enige in staat is de waarheid te kennen.
Die waarheid, de absolute morele waarde waarop alles berust wat het tweekoppige monster beweert, blijft verborgen. ‘Het is me even duister als de waarde van Plato,’ zegt een komediefiguur uit die tijd. Alleen door een sprong ‘naar gene zijde van de wer- kelijkheid’ is de aanschouwing van de waarheid aan een enkeling gegeven, een aanblik die gepaard gaat met hevige erotische ge- voelens. De begenadigde raakt ‘het eigenlijke wezen van de din- gen’ met het daarvoor bestemde deel van zijn psyche aan en ver- enigt zich ermee. Alleen door deze gemeenschap kan het inzicht worden geboren in het ware leven, ‘niet bedolven onder mense- lijk vlees en andere sterfelijke onzin’.
Dit geopenbaarde absolute ene, ware en goede, dit inhoudsloze ‘wezenlijke’, kan iedereen met zijn eigen wensen en belangen vul- len. Sokrates ontleende er de overtuiging aan dat niemand meer waard was voor zijn stadgenoten dan hijzelf. Plato betoogde dat de wereld pas gered kon worden als aan hem, of aan de enkeling die hetzelfde aanschouwd had als hij, de politieke macht werd toe- vertrouwd. Sokrates had zich nog tot Athene beperkt. Maar Plato reisde driemaal naar Syracuse, een grootmacht in zijn tijd, in de hoop zijn theocratische denkbeelden te kunnen toepassen. Na zijn laatste vergeefse poging greep zijn Syracusaanse vriend en leerling Dion met geweld de macht, waarop hij een aristocratische staats- vorm invoerde.

Wat preekten Sokrates en Plato? Wet en orde, matiging. Een mak- kelijke preek voor wie genoeg bezit. Maar het ging om meer dan bezit. Fel keerde Sokrates zich tegen seksuele buitensporigheid, vooral in de homofiele variant, en voor Plato was seksuele begeer- te een ziekte, die bloedig onderdrukt moest worden.
Tegenover de democratische ongeremdheid stelde het tweetal Spartaanse wet en tucht. De stem van de wetten brengt hem in vervoering, zegt Sokrates in Kriton. Hij is hun slaaf. Gehoorzamen gaat boven leven. Zich aan zijn doodvonnis onttrekken zou deser- tie zijn. Hij wil in het gelid blijven staan, waar de god, zijn com- mandant, hem zijn plaats heeft gewezen.
Gaf de democratie aanleiding tot hun preken?
Sinds de aanval van het Perzische rijk tien jaar voor Sokrates’ geboorte was afgeslagen, had Athene met behulp van de vloot een imperium opgebouwd. De bemanning van de schepen kreeg politieke rechten. De gematigde democratie, nog geen dertig jaar oud, veranderde snel in een volksdemocratie waarin duizenden man- nen bij handopsteken over oorlog en vrede of de doodstraf stem- den en beslissingen namen die de volgende dag door een nieu- we meerderheid werden teruggedraaid– ook midden in de oor- log tegen het aristocratische Sparta. Belangrijke ambtenaren wer- den door loting aangewezen. Tegen staten die voor hun onafhan- kelijkheid vochten trad het democratische Athene meedogenloos op. De mannen werden afgeslacht, vrouwen en kinderen als slaven verkocht. Na een gewonnen zeeslag werden de commandanten, die door een storm de bemanning van zinkende schepen niet had- den opgepikt, voor de volksvergadering geleid en in strijd met de wet collectief ter dood veroordeeld en terechtgesteld. Toen leden van de voorzittende raad weigerden de onwettige gang van zaken goed te keuren, schreeuwde de massa dat zij dan samen met de commandanten moesten worden gevonnist en gedood. De wets- getrouwe Sokrates, die zijn burgerplicht als raadslid vervulde, was de enige die zich bleef verzetten, tevergeefs.
Het beeld kan vertekend zijn doordat de geschiedschrijvers aristocraten waren als Thucydides en Xenofon. Maar het klinkt vertrouwd genoeg. De mens slacht, lacht en verkracht, democra- tisch geregeerd of door dictatoren, en de hoofdman vult zijn zak- ken.
Sokrates en Plato meenden dat een verandering van staatsvorm kon helpen. Daarin stonden zij niet alleen. Ook de altijd als een voorbeeldige historicus beschouwde Thucydides, die de democra- tische leider Perikles alle ruimte geeft om de zegeningen van de democratie te prijzen, spreekt zich naar aanleiding van een ge- slaagde aristocratische coup uit voor beperking van het stemrecht tot de vijfduizend meest bemiddelde burgers.
Als grondbezitters hadden de aristocraten doorgaans geen baat bij handel en overzeese strijd. Bovendien hadden de democraten tijdens de oorlog het land aan de Spartanen prijsgegeven. Zij slo- ten zich op binnen de muren die de stad met de haven verbonden en verwachtten alles van de zee. Muren waren een symbool van de democratie. Het aristocratische Sparta had ze niet en verzette zich overal tegen de bouw, want binnen muren kon een bevolking huizen die met meerderheidsbesluiten politiek bedreef in plaats van, verspreid over het land, het stemloze knechtenleger voor de grondbezitters te vormen.
Bovengenoemde coup had door onderlinge strijd niet lang suc- ces gehad. Zeven jaar later, toen Athene de oorlog had verloren en de muren onder fluitspel waren gesloopt– het begin van de vrij- heid, schreef de aristocraat Xenofon– kregen de aristocraten met steun van overwinnaar Sparta een nieuwe kans. Maar Sokrates’ vroegere vrienden, Plato’s familieleden, deels uit ballingschap te- ruggekeerd, voerden zo’n schrikbewind dat hun dictatuur geen stand hield. De stad liep leeg. Sokrates, Plato en Xenofon bleven, al namen ze wel afstand van de terreur. Toen de democraten na een jaar de macht heroverden werd er een amnestie afgekondigd. Toch werd Sokrates, die altijd de Spartaanse staatsvorm had geprezen, vier jaar later voor het gerecht gebracht.

Wat kan een predikant tegen de slechte mens beginnen?
Niets. Sokrates was in zijn geldingsdrang naïef en zijn hooghar- tige naïviteit werd gedeeld door Plato, die als wereldverbeteraar dikke boeken schreef waarin hij betoogde dat het politieke heil zou komen van zijn belangeloze Raad van Hoeders, onmaterialis- tische, evenwichtige mensen als hij, die aan zijn universiteit wer- den opgeleid en de ongeremde massa in toom zouden houden.
Sokrates had zich bewust afzijdig gehouden van de politiek. Men had ook korte metten met hem gemaakt als die ironische bet- weter in de volksvergadering was verschenen. Hij had de gewoon- te zich urenlang in trance af te zonderen, naar het schijnt om pro- blemen op te lossen. In Feest wordt verteld dat soldaten op cam- pagne Sokrates ’s ochtends ergens alleen zagen staan. ’s Avonds stond hij er nog steeds. Sommigen hadden hun matras buiten de tent gelegd om te zien hoe lang hij het zou volhouden. Hij was tot zonsopgang blijven staan en toen, na een gebed tot de zon, zijn gewone gang gegaan. Honger en kou hadden ook al geen vat op hem. Had deze fakir zich niet beter in plaats van zijn prekerige gesprekken te voeren in een ton kunnen terugtrekken, zoals zijn volgeling Diogenes, ‘de gek geworden Sokrates’?
Plato zou het hebben toegejuicht. De echte filosoof, schrijft hij, weet van jongsaf aan de weg naar de Markt niet te vinden. Hij heeft geen benul waar rechtbank, parlementsgebouw of andere openbare vergaderzalen zijn. Wetten en besluiten hoort hij niet wanneer ze worden afgekondigd en leest hij niet wanneer ze wor- den gepubliceerd. Voor zijn buurman heeft hij geen oog. Niet al- leen weet hij niet wat die doet, hij weet nauwelijks of het een mens is of een ander wezen. Maar wat de mens is en welk gedrag voor de menselijke natuur kenmerkend behoort te zijn, die vraag houdt hem steeds bezig.
Kenmerkend behoort te zijn. Hoe zelfvoldaan kan een godsge- zant zijn?
Sokrates hield zich met zijn sokratische ironie nog van de dom- me, maar Plato beweert zonder blikken of blozen dat hij op grond van zijn unieke inzicht een nieuwe mens kan scheppen. Baby’s moeten bij hun ouders worden weggehaald om zonder aanraking met de bestaande samenleving te worden opgevoed. Zijn Hoeders stellen vast of de kinderziel van goud, van zilver of van ijzer is. Alleen de gouden mens heeft weerstand tegen de drie ziekten: de begeerten naar eten, drinken en seks. Alleen hij is zuiver genoeg voor de politiek. Plato’s wereldvreemde gouden leiders houden met behulp van een zilveren leger het ijzeren volk in bedwang. Orde moet er zijn, van de dageraad tot de dageraad van de vol- gende dag. De grenzen gaan dicht. De staat ligt ver van zee, want handel bederft de geest. Buitenlandse reizen zijn verboden. Leven is een oefening in sterven. Het geloof in een god en een doelmatige ordening van het heelal is een onvoorwaardelijk gebod. Atheïs- ten worden ter beschikking van de regering gesteld en bij recidive ter dood gebracht.
De strijd van Sokrates en Plato tegen de slechtheid van de mens is een aanval niet alleen op de democratie, maar op het leven zelf, in zijn meest afwisselende vorm.

Is Sokrates terecht gedood?
Natuurlijk niet. Men moet zijn mening kunnen geven, ook als die beledigend is of in strijd met de grondwet.
In Nederland duldde de democratie een communistische partij in de volksvertegenwoordiging. Onlangs vond een democratische politicus dat de mohammedaanse sharia moest worden ingevoerd als een politieke meerderheid dat wilde. Maar in de Atheense de- mocratie, waar de doodstraf stond op een voorstel tot wijziging van de constitutie, vond kennelijk een meerderheid, tijdens een onzekere periode van klassenstrijd, de buitenparlementaire acti- viteit van een verbaal begaafde tegenstander van de staatsvorm te gevaarlijk. Zijn vrienden hadden tweemaal aan een aristocrati- sche coup deelgenomen. De democraten wilden hem kwijt en ver- klaarden hem schuldig. Waarschijnlijk hadden zij wel verbanning opgelegd, al eiste de aanklager de doodstraf. Maar toen Sokra- tes een tegenstraf moest voorstellen verklaarde hij dat hij geen straf verdiende, maar de beloning van een olympisch kampioen: levenslang gratis dineren in het stadhuis. Als hij al gestraft moest worden, dan niet met ballingschap, want wie zou in het buiten- land nog naar hem luisteren? Dan liever een boete, één mina bij- voorbeeld: vijf maanden soldatenloon. Plato en andere vrienden verhoogden het bedrag tot dertig mina, een flinke som, drie jaar generaalssalaris. Het was te laat. De Atheners stemden voor de doodstraf.
Sokrates werd de martelaar van zijn gelijk. Zijn leven stond en viel met zijn vooroordelen. Hij zocht de gifbeker om te bewijzen hoe slecht de democratie was. Dat hij twee jonge kinderen ach- terliet vond hij geen bezwaar, maar zag hij juist als teken van zijn goddelijke opdracht. Hij was als de religieuze zelfmoordterrorist die de dag voor zijn aanslag met zijn kind op de arm voor de fo- tograaf poseert. Het leven, ook een kinderleven, valt in het niet bij de eisen van een god.

Waarom heeft Sokrates toch een goede naam gekregen bij het na- geslacht?
Ten eerste klapt de mensheid graag voor wie als martelaar wil sterven: zou er toch iets beters zijn dan dit leven?
Ten tweede was de democratie een voorbijgaand verschijnsel. Nog geen drie generaties na Sokrates’ dood voerden de Macedo- niërs van Alexander de Grote het koningschap weer in. Pas na drieëntwintig eeuwen zou de democratie terugkeren, en daarmee de oude kritiek op Sokrates en Plato. In de tussenliggende tijd ontnam niemand de antidemocraat zijn heldenrol.
Ten derde waren school en kerk beiden gebaat bij een antima- terialistische theorie, die betoogde dat het heelal een doelgerichte schepping was waarin het geestelijke boven het lichamelijke stond en de menselijke vrijheid moest worden beknot. Van het werk van Sokrates’ tijdgenoot Demokritos, de man van de atoomtheorie, voor wie de ziel materie was, is weinig bewaard. Ook Protagoras, die de betrekkelijkheid van normen benadrukte en verklaarde niet te weten of er goden bestonden, kon men niet gebruiken. Maar de religieuze filosofie van Plato is in zijn volle omvang gekoesterd en overgeleverd.
De vierde en belangrijkste reden was Plato. Door zijn hoofd- rol in Plato’s drama is Sokrates een van de grote figuren uit de ge- schiedenis geworden.
De jonge Plato, van hoge adel, schreef volgens de traditie tra- gedies, maar wierp ze in het vuur toen Sokrates met hem had ge- sproken. In Feest vertelt de geniale generaal-politicus Alkibiades dat Sokrates’ optreden de pijnlijke uitwerking van een adderbeet had. Toen hij Sokrates had leren kennen liep hij in filosofische ver- voering rond, aan hem verslaafd zoals niemand ooit aan een an- der. Wanneer hij hem hoorde bonsde zijn hart. Want onder Sokra- tes’ ogenschijnlijk belachelijke woorden over pakezels en smeden, schoenmakers en leerlooiers was de enige taal verborgen die zin had en goddelijk was en over alles ging wat een behoorlijk mens diende te weten. Desondanks was Alkibiades, bezweken voor de verering van de massa, in de democratische politiek gegaan. Hij had zijn oren dichtgestopt en was van Sokrates weggevlucht om niet bij hem te blijven zitten tot hij oud was.
Plato is bij Sokrates gebleven, ook na diens dood. In zijn milieu was het een schande om een intellectueel te zijn. Razend gaat hij tekeer tegen mensen die de wetenschap een slechte naam geven en hun geleerdheid gebruiken om in de democratische samenleving carrière te maken, ‘nietswaardige mensjes die een terrein braak zien liggen vol mooie termen en pretenties en ijlings uit de gevan- genis van hun eigen vak losbreken, gebrekkige naturen, die niet alleen door hun technische ambachten lichamelijk zijn misvormd, maar door hun laag bij de grondse werk ook geestelijk volledig zijn afgestompt’.
In de gedaante van zijn tweede grote romanfiguur, Kallikles uit Gorgias, veracht Plato zijn eigen filosofische levenskeus en bespot hij mensen die als volwassenen nog blijven studeren. Dat vraagt om een pak slaag. Het is een vlucht voor het openbare leven, waarin mannen zich onderscheiden. Een filosoof verstopt zich, staat de rest van zijn leven met drie of vier jongens in een hoekje te fluis- teren en spreekt nooit een belangwekkend woord. Een echte man laat zijn begeerten zo groot mogelijk worden en gebruikt dan al zijn talenten om ze te bevredigen. Want ondanks alle schijnheilige burgermanspraatjes wil iedereen in zijn hart het liefst een dictator zijn. Luxe, bandeloosheid, vrijheid, dát is geluk, en de rest, onzin is het, waardeloze onzin.
Plato’s werk is één lang ‘gesprek van de ziel met zichzelf ’, waar- in Sokrates Kallikles het zwijgen moet opleggen. Zijn rechtvaar- diging van Sokrates’ leven en dood dankt haar felheid aan zijn twijfel. Kan een man van het woord gelukkiger zijn dan een man van de daad? Kan iemand die als arme sloeber wordt terechtge- steld beter af zijn dan de handige zakenman, die maatschappelijk en seksueel aan zijn trekken komt? Is geestelijk evenwicht waar- devoller dan materie, ook al word je aan het kruis geslagen?
Sokrates is voor Plato de belichaming van de hartstocht die niet bevredigd wordt door het aardse bestaan en meer zin zoekt dan dit leven kan bieden.
Plato’s betogen over het lot van de wereld gaan over zijn eigen ziel. In zijn vrijwel onafgebroken polemische De ideale staat wordt Sokrates’ persoonlijkheid omgewerkt tot psychologisch-politie- ke theorie. Maar hoe vernuftig en meeslepend zijn beschrijving van menstypen en daarmee samenhangende staatsvormen ook is, de overtuigingskracht van Sokrates’ levende voorbeeld is groter. Geen theorie haalt het bij de verhalen over de veertiger Sokrates die blootsvoets over het ijs stapt of iedereen onder de tafel drinkt zonder ooit aan slaap te denken.
De hevigste botsing tussen woord en daad was de strijd tussen filosofie en lust. Aan het slot van Feest laat Plato de mooie Alkibia- des, begeerd door iedere volwassene, bekennen dat hij herhaalde- lijk pogingen heeft gedaan de oudere Sokrates te verleiden. Maar wanneer hij hem eindelijk in bed heeft gekregen, voor de hele nacht, staat hij de volgende ochtend op alsof hij met zijn broer heeft geslapen. De filosofie heeft gezegevierd.
In Plato’s roman.

De mooiste liefde vond Plato die van een beminde jongen voor het goddelijke vuur in zijn minnaar. Samen brengen de twee een overvloed van woorden ter wereld. Daarbij verwekte Sokrates en baarde Plato.
Ondanks de onverkwikkelijke boodschap van beide heren zul- len wij tot het einde van onze geletterde dagen willen lezen hoe in Plato’s roman in het hoofdstuk Feest zijn held, bij uitzondering in nette kleren, op weg is naar het feest van Agathon, daar de hele avond vriendelijk en vrolijk met de gasten de vloer aanveegt en bij het ochtendgloren, wanneer de hanen al kraaien, de ingedommel- de gastheer toedekt, en dan zelf naar het badhuis vertrekt om een nieuwe dag te beginnen; hoe hij in het hoofdstuk Euthyfron goed- gemutst over zijn aanklager spreekt, iemand met een haakneus, gelooft hij; hoe hij in Sokrates’ verdediging die aanklager vernedert en zijn rechters tergt, en fantaseert over het heerlijke vooruitzicht na zijn dood Homerus en Odysseus te kunnen interviewen; hoe hij in Kriton rustig in zijn cel ligt te slapen wanneer zijn bezorgde vriend hem de laatste kans wil laten grijpen om te ontsnappen, ‘in een beestenvel zeker’; en hoe hij in het laatste hoofdstuk Faidon zachtjes lacht wanneer zijn vrienden aarzelen kort voor zijn dood argumenten tegen onsterfelijkheid te noemen en dan, als het zo- ver is, aan de brenger van de gifbeker vraagt of hij een scheut kan plengen ter ere van de goden.
Toch applaus.

pro-mbooks1 : athenaeum