Leesfragment: Kwaad geluk

07 januari 2023 , door Tove Ditlevsen
|

12 januari verschijnt Tove Ditlevsens verhalenbundel Kwaad geluk (Den onde lykke), uit het Deens vertaald door Lammie Post-Oostenbrink. Lees bij ons een fragment.

Een man geeft zijn zoontje een mes cadeau; een vrouw sluipt door de kamer om haar echtgenoot niet tot last te zijn; een alleenstaande moeder ziet met lede ogen aan hoe haar huis verkocht wordt door een manipulatieve makelaar.
In deze verhalen van Ditlevsen is geluk een onbereikbaar ideaal. Personages zitten vast en vragen zich af hoe hun leven zo heeft kunnen lopen. In een frisse en bedrieglijk eenvoudige stijl onderzoekt Ditlevsen haar vertrouwde thema’s van gestrande huwelijken, overspel, obsessie, controlerende moeders en luie echtgenoten.

De verhalen in Kwaad geluk staan aan de basis van haar latere Kopenhagen-trilogie. Voor het eerst verschijnen ze nu in een Nederlands vertaling.

N.B. Lees ook de bespreking door Miriam Piters. We brachten eerder fragmenten uit De gezichten, Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid. Ilja Velthuis schreef een boekverkopersbespreking over Afhankelijkheid.

 

De dolk

Hij bestudeerde zijn nog slapende echtgenote ernstig en intens, alsof ze een wiskundig probleem vertegenwoordigde dat moest worden opgelost voor hij zijn aandacht op andere dingen kon richten. Hij voelde altijd een zekere tederheid voor haar net voor hij haar ’s ochtends wakker maakte. Dat gevoel vervloog snel en ze merkte er zelden wat van. Hij hoorde hoe de jongen door zijn kinderkamer sloop, hij hoestte een beetje en praatte tegen zichzelf. Hij mocht zijn ouders absoluut niet storen.
Hij draaide zich naar de muur en riep: ‘Wakker worden, Ester, het is acht uur.’
Dat was zijn gebruikelijke ochtendgroet. Een van de plichten die hij om onduidelijke redenen op zich had genomen was het zichzelf etaleren als een afstandelijke en lichtelijk verwijtende persoonlijkheid tegenover zijn vrouw en kind, hetgeen zijn houding ten opzichte van het leven in het algemeen moest symboliseren en het beeld versterkte dat hij van zichzelf had als een rationeel denkende persoon die al dat gevoelsgedoe verachtte. Hij had geen foto van zijn echtgenote op zijn bureau op kantoor staan en hij liep niet zoals zijn collega’s rond met fotootjes van zijn kroost die hij te pas en te onpas aan iedereen liet zien. Hij dacht desondanks bijna altijd aan zijn vrouw en kind, maar wat voor band hij met ze had zou hij niet kunnen uitleggen, en hij vond het bovendien lastig om ze uit elkaar te houden. Ze waren als schaduwen in hem, gedachtespinsels die hij niet van zich af kon schudden, producten van zwakte in zijn binnenste die hij uit alle macht probeerde te overwinnen. Ze blokkeerden zijn plannen, leidden hem af en irriteerden hem juist op de momenten dat hij al zijn energie nodig had. Hij dacht vaak: mijn leven zou heel anders zijn uitgepakt als zij er niet waren geweest. Hij studeerde nog toen hij Ester leerde kennen. Hij wist niet zeker of hij ook met haar zou zijn getrouwd als het niet opeens noodzaak was geworden. Het was een vraag die hij zichzelf elke dag herhaaldelijk stelde zonder er ooit een antwoord op te vinden. Hij speculeerde ook niet over de waarde die dit antwoord, zoals de zaken er nu voor stonden, voor hem zou hebben. Maar hij vond de gedachte dat zijn leven werd bepaald door toeval maar niets. Je benutte voorwerpen en mensen als je ze voor een zeer specifiek doel nodig had. Je gebruikte ze ergens voor en in het omgekeerde geval liep je het risico zelf gebruikt te worden.
Hij ging rechtop in bed zitten en keek zwijgend naar zijn echtgenote die in haar onderjurk aan haar kaptafel zat en haar haar kamde, zich zo compleet niet bewust van het feit dat ze halfnaakt was, alsof ze al vijfentwintig jaar getrouwd waren. Via de spiegel glimlachte ze naar hem, onzeker, schuldbewust, een houding die een vanzelfsprekend gevolg was van de zijne, maar die hem desondanks ergerde.
‘Waarom kleed je je niet eerst fatsoenlijk aan voor je je haar kamt?’ vroeg hij chagrijnig.
Zonder te antwoorden stond ze snel op en ging naar het kind. ‘Goedemorgen, lieve schat,’ zei ze op een toon alsof hij nog een baby was.
Ze verpestte die jongen. Ze zoog alle zelfstandigheid uit zijn lijf met haar moederlijke betutteling, maar hij zou ze allebei eens wat laten zien – maar wat hij ze dan zou ‘laten zien’ was hem nog niet duidelijk. Hij keek op zijn horloge, sprong geschrokken uit bed en niesde vijf, zes keer achter elkaar voor hij zich aankleedde. Hij had last van ochtendallergie, het had niets met een echte verkoudheid te maken. Het was een nerveus trekje, had de dokter gezegd. Voor hij was getrouwd had hem absoluut niets gemankeerd. Hij ging naar de badkamer en hij hoorde hoe ze door de keuken bewoog. Nu liet ze de ketel vollopen. Hij liet het scheermes voorzichtig over zijn uitstekende adamsappel glijden. De jongen was opvallend stil. Zou hij weer in slaap gevallen zijn? Anders draafde hij ’s ochtends voortdurend achter zijn moeder aan en dan babbelde hij aan een stuk door. Het was bijzonder interessant om te horen wat kinderen te zeggen hadden als ze niet wisten dat je meeluisterde. Hij constateerde verbaasd dat hij dat gebabbel haast miste. Het leven bestaat voor de helft uit gewoontes, dacht hij verstrooid.
Ze schepte net een bord havermout voor de jongen vol toen hij de eetkamer betrad. Ze wierp hem een vluchtige blik toe. ‘Ik breng je zo meteen koffie,’ zei ze.
Hij knikte kort, nam plaats tegenover zijn zoon en bekeek hem aandachtig. Het kind ontweek zijn blik en schoof zenuwachtig heen en weer op zijn stoel.
Hij heeft vast iets op zijn kerfstok, dacht de vader.
Toen kreeg hij last van een zekere argwaan. Op zijn gezicht verscheen een uitdrukking alsof hij iets bitters proefde.
‘Wil je vader je dolk laten zien?’ vroeg hij vriendelijk. Het kind had de dolk met kerst gekregen. Sindsdien had de vader er regelmatig op gepaste momenten naar gevraagd. De jongen ging slordig om met zijn spullen en als hij zijn speelgoed kwijt was, verving zijn moeder het als het even kon met iets vergelijkbaars om gedoe voor te zijn. Een kortzichtige, egoïstische handeling die ook nog eens tamelijk nutteloos was, aangezien het bedrog in de regel werd ontdekt. Afgezien van een paar twijfelgevallen, over een cowboyrevolver, een indianentooi met veer en een plastic puzzel, prikte hij ongenadig door haar trucs heen. Het vereiste geen groot intellect om nieuwe van gebruikte spullen te onderscheiden. De drie genoemde gevallen had hij door de vingers gezien. Hij had een groot gevoel voor rechtvaardigheid en gaf altijd liever de voorkeur aan het geloven in de leugen dan dat hij mensen van iets beschuldigde waaraan ze zich niet schuldig hadden gemaakt.
Maar de dolk was een heel ander verhaal. Hij had die op zijn zesde van zijn eigen vader gekregen en toen hij hem op kerstavond aan zijn zoon doorgaf had hij hem ingeprent dat bij het bezit van deze dolk zeer speciale verplichtingen kwamen kijken. Die was, in tegenstelling tot alles wat het kind tot dan toe had bezeten, absoluut onvervangbaar. Als hij naar de dolk vroeg, bestudeerden ze gedrieën eerbiedig het geciseleerde lemmet en het afgesleten heft in het besef dat bij de aanblik van het mes waardevolle herinneringen bij de vader bovenkwamen. Hij legde uit hoe hij de dolk als kind altijd aan zijn padvindersriem had gedragen en zich ver verheven voelde boven de andere jongens die niet zo’n dolk hadden. Zowel de jongen als zijn moeder wist dat hij van alle cadeaus – die hij overigens niet vaak kreeg, vroeger werden kinderen niet zo verwend – zijn hele leven het meest verguld was geweest met zijn dolk. Nu had hij hem doorgegeven aan zijn zoon die net vijf was geworden, en om dat te kunnen doen had hij er een leven lang goed op gepast. Zo zag hij het in elk geval.
De jongen kreeg een kleur en keek hem ontzet aan. Zijn grote ogen stroomden vol angst.
‘Ik – ik ben hem kwijt,’ fluisterde hij.
Hij kneep in zijn lepel en zijn kleine knokkels werden spierwit.
De moeder schonk koffie in het kopje van de man. Haar hand trilde.
‘We vinden hem heus terug,’ zei ze gehaast.
Hij deed suiker en melk in zijn koffie en roerde in zijn kopje terwijl ze naast hem bleef staan en zenuwachtig aan haar schort plukte. Hij keek met opeengeperste lippen naar haar op.
‘Jij wist het dus,’ zei hij kil. ‘Hoelang was je van plan het voor me verborgen te houden?’
Zijn hart bonsde luid en hevig van woede. Dit is toch het toppunt, dacht hij.
Ze ging naast de jongen zitten die nog steeds zijn lepel stijf vasthield, zonder te eten.
‘Hij is de dolk gisteren kwijtgeraakt,’ zei ze met een blik op het tafelkleed. ‘Ik dacht dat we hem wel zouden terugvinden, aangezien het al eens eerder is gebeurd. Eet je havermout, lieverd.’
Ze aaide het kind over zijn hoofd.
Hij liep naar de gang om zijn jas aan te doen. ‘Ik raad jullie aan om hem voor vanavond terug te vinden,’ zei hij.
Vervolgens ging hij weg zonder afscheid te nemen.

[…]

 

© Nederlandse vertaling: Lammie Post-Oostenbrink
© Tove Ditlevsen & Hasselbalch, Kopenhagen 1963.

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum