Leesfragment: Martelaarschap

14 november 2023 , door J.J. Voskuil
| |

17 november verschijnt het derde deel in J.J. Voskuils dagboekenreeks: Martelaarschap. 1965–1974, bezorgd door Thomas van Grafhorst en Detlev van Heest. Lees bij ons een fragment en reserveer je boek!

In Martelaarschap verkeert J.J. Voskuil in een diepe existentiële crisis. Zijn laatste strohalm, het dagboek dat hem al 27 jaar dag in dag uit lucht geeft, biedt hem geen uitweg meer. Halverwege 1966 houdt hij helemaal op met zijn notities. Hij ploetert dan nog wanhopend door aan Binnen de huid, zijn geniale zelfafrekening, die hij begin 1968 voltooit.

Daarna valt hij stil, tot hij in 1972 de pen weer oppakt en het schrijven herontdekt. Eerst wat plichtmatig, maar al snel raakt Voskuil in een ware schrijfkoorts, alsof een slapende vulkaan tot uitbarsting komt.

De lezer krijgt in Martelaarschap Voskuil op zijn scherpst te zien. In zijn haat tegen het Bureau, belichaamd door Dick Blok (Jaap Balk) en Jo Daan (Dé Haan), die hij dood wil schieten of slaan. In de bizarre verslagen van de dagenlange echtelijke botsingen met Lousje. In zijn fulmineren tegen de auto. In zijn ironische schets van een snel veranderende samenleving waarin hij langzamerhand verwordt tot een relict. Dit alles doorspekt met anekdotes, confidenties en onweerstaanbaar komische dialogen.

Martelaarschap is voer voor intellectuelen, maar ook voor iedereen die weleens een intellectueel de nek om heeft willen draaien.



 

woensdag 27 october [1965]. Veertien dagen bij Frida en Ennio gelogeerd. Het enige wat hem nog interesseert zijn zijn clavecimbel en orgels. Als hij ’s middags thuiskomt, eet hij snel, de rest van de tijd speelt hij. ’s Avonds moesten we tot 9 uur wachten voor hij aan tafel kwam. Zodra we binnen waren, de eerste avond al, en nadat hij Frida had verlost die zichzelf op de wc had opgesloten, speelde hij ons een paar stukken voor. Omdat het geïmproviseerd was, was het wel mieters. Je kon merken dat hij het niet van plan geweest was, maar hij wilde de klank van het clavecimbel laten horen. De tweede avond was hij het wel van plan. We hadden de hele dag met Frida gewandeld en waren net thuis. Het irriteerde hem dat we niet dadelijk ons boek weglegden toen hij ging zitten. Hij kreeg een kleur van boosheid en werd onzeker. Het ging meteen mis. Daarna stapelden de fouten zich op. ‘En ik weet hoe het komt,’ zei hij. ‘Omdat ik dacht dat jullie misschien liever bleven lezen.’ Hij verdraagt niet dat je luistert met een boek in je handen. Dat wij niet anders kunnen luisteren, zou hij niet begrijpen. Daarna probeerde hij het nog een paar keer. Hij dwong ons de variaties met de muziek erbij te volgen, maakte minder fouten wanneer hij voorbeelden gaf, maar zodra hij het stuk helemaal speelde, ging het weer mis. Ten slotte gaf hij het op. De rest van ons bezoek trok hij zich terug in zijn slaapkamer, waar de piano staat.

Op zondag ging hij met ons naar de mis om het orgel te beluisteren. Een paar jaar geleden viel het hem nog moeilijk een kerk binnen te gaan, laat staan tijdens de mis. Dat hij die vertoning nu zonder enige woede kon aanzien, verbaasde me. Ik zei daar iets over. – ‘Ik maak me daar nu niet kwaad meer om,’ zei hij. ‘Ik weet nu dat iedereen een schoft is en het orgel is mieters.’ Ik had daar nog wel op willen terugkomen, maar ik voelde dat dat niet mogelijk was.

De laatste dag, een zondag, ging hij naar Milaan om orgelles te nemen. Hij kwam laat terug. Hij had zijn leraar verteld dat de concerten voor ons mislukt waren. ‘Ik had er drie voorbereid,’ zei hij nu, ‘en als dat gelukt was, had ik ’s middags nog nieuwe willen instuderen.’ Zijn leraar had gezegd dat hij zich minder van zijn publiek moet aantrekken, een kleiner programma moet opbouwen en zich daarin op een betrouwbaar niveau moet richten. Als het dan beter ging, was dat meegenomen. Frida vond dat onzin. – ‘Maar het is ook dat ik bang was,’ zei hij. ‘Als de mensen me niet schelen kunnen, speel ik goed.’ Ik voelde het verwijt. Hij is bang omdat hij voelt dat het ons weinig interesseert en dat we eerder geïrriteerd zijn door deze nadrukkelijke liefde dan dat we er sympathie voor hebben. Ik zocht de hele tijd naar een manier om dat te zeggen. Tenslotte is dit een manier om je levend te begraven. ‘Misschien komt het ook omdat je je publiek overschat,’ zei ik.
‘Ja natuurlijk!’ zei Frida onmiddellijk. ‘Dat is juist mieters!’
Waarmee ze het gesprek blokkeerde. Ze zal hetzelfde gevoeld hebben en bang zijn geweest. Het is natuurlijk belachelijk om van je vrienden muzikaliteit te eisen en je omgang met anderen daardoor te laten bepalen. Frida laat zich op die ogenblikken meebegraven.

Misschien maakte deze spanning hem humeurig. Hij negeerde ons. De laatste dagen kwam hij pas een beetje los. Toen hij uit Milaan kwam, schold hij op de priester bij wie hij orgel had gespeeld. ‘Het is een rotte priest,’ zei hij. Dat was een rudiment van de vriendschap die ik vroeger voelde.

De Piazza dei Martiri 1943-1945 is vernoemd naar de verzetsstrijders van 1943–1945, dus na de val van Mussolini en na de wapenstilstand.* Hun foto’s hangen aan het stadhuis. Ik probeerde Ennio uit te leggen dat dit een legalisering van het verzet is en een verborgen angst voor het individuele verzet verraadt. We praatten daar urenlang geïrriteerd over, almaar lopend door verlaten straten. Frida was het met me eens. Ennio maakte zich steeds kwaaier. ‘De mensen die nu in de regering zitten, hebben zich tegen Mussolini verzet,’ zei hij. ‘Het is toch idioot dat die voor dat verzet geen begrip zouden hebben?’ Natuurlijk is dat idioot. Maar het is ook idioot om het verzet te eren vanaf de dag van de wapenstilstand. In Nederland is dat niet anders. De officiële houding tegenover de Spanje-strijders is daar een voorbeeld van. (De officiële houding! Onder een socialistische minister wiens sympathie onverdacht was!)

Daarbij voortdurend zelfverachting. Als ik vertel (schreeuwerig, op een iets hogere toon dan normaal, zodat er in hun holle kamer een nagalm is als ik zwijg), als ik belangstelling voor zijn clavecimbel veins, als ik merk dat er iemand kijkt, de oubolligheden waarmee ik de stemming erin probeer te houden. In een zo puriteinse omgeving voel ik dat sterker en ik zie op zo’n ogenblik niet hoeveel onmacht er in dat puritanisme steekt, of, hoe ver ik van deze onmacht verwijderd ben, waardoor ik in een valse situatie zit. Die valse situatie maakt dat ik me hypocriet voel. Ik heb dan zelfs de pest aan mijn gezicht, waar ik het ook maar zie. Ennio heeft alleen de pest aan zichzelf wanneer hij een nieuwe broek moet kopen, omdat hij de lengtemaat heeft van iemand van twaalf en de taille van een man van twee meter.

‘Mijn boek zal hier als een bom vallen,’** zei ik tegen L.
‘Als een stinkbom,’ zei ze vrolijk.
‘Maar dat benauwt me. Het is geen aanmoediging.’
‘Dat lijkt me juist mieters!’
Ze heeft gelijk. Als ik me hypocriet voel, is dat omdat ik het niet altijd mieters vind. Op die ogenblikken parasiteer ik op de schijn.

Ik las Frida de brief aan Geert voor, over zijn laatste verhaal. Ze vond het niets. ‘Ik zou een verdomd kort en onbeschoft briefje schrijven,’ zei ze. ‘Als ik schreef!’
Op het punt van zelfkennis is ze nog niet veranderd.

En toch zijn er ogenblikken waarop je bij Frida een erotische bewogenheid voelt, al zou ze daar nooit aan toegeven. Bij Ennio niet.

De verhalen die Ennio vertelt zijn mieters. Hij heeft een scherp oog voor details, maar (gek genoeg) geen belangstelling voor psychologische details.

De gedachte dat het van belang is je eigen schoften uit te zoeken, spreekt Ennio niet aan. Hij zet zichzelf en de anderen af tegen een standaard (eerder een aesthetische dan een morele), die hij God weet waarvandaan haalt, maar waarin hij vaster gelooft dan ik in mezelf. Dat geeft hem kracht en mij de boven aangeduide hypocriete onzekerheid.

Hij ziet ook geen verschil tussen La Tregua, dat niet meer is dan een avonturenroman al is het door een aardige man geschreven, en Se questo è un uomo, dat de fouten van La Tregua heeft maar door de inzet ook veel grotere mogelijkheden. Voor de morele of menselijke kant van het boek blijkt hij niet gevoelig. (Ik bedoel daarmee de behoefte jezelf te handhaven.) Wel voor de anecdote, de verfijnde mop.

Wat Frida hierin boeit? Haar onmacht om zich te laten gelden en haar masochisme. Ze zoekt mensen die over haar lopen, omdat ze gebiologeerd wordt door hun egoïsme. Kracht is het enige wat haar interesseert. Ennio vroeg waarom wij in Bazel overnachten. Omdat we geen van beiden in een couchette kunnen slapen. Even dachten ze erover om dat ook te doen, maar Ennio verwierp dat weer, omdat hij toch wel slaapt. Over Frida (die niet slaapt) werd niet gesproken. Dat is tekenend en het doet sterk denken aan de manier waarop Kees haar behandelt. Ze heeft de behoefte aan een maatstaf waaraan ze zich kan onderwerpen, zoals ik dat heb tegenover L., maar (als ik het goed zie) zonder me te onderwerpen. Frida’s loyaliteit heeft daardoor iets krampachtigs. Ze doet veel absoluter dan ze kan verantwoorden.

Ennio praat alleen over de dingen die hem interesseren, zoals hij alleen doet wat hem interesseert. Ik ben daar anders in. Ik zoek naar het onderwerp dat de ander interesseert maar de mogelijkheid heeft om op mijn onderwerp te komen. Bij Ennio heb ik dat niet gevonden omdat hij hoegenaamd geen psychologische belangstelling heeft. Op zijn best vervallen we in de uitwisseling van grappen en grollen, waarbij de grollen van mij komen en ik me steeds ongelukkiger ga voelen.

Het gesprek over democratie. Ik voel me alleen lekker in een situatie waarin ik samen met anderen de profiteurs en schoften te lijf ga. In een democratie zitten de profiteurs en de schoften op dezelfde plaatsen als in een dictatuur. Dus interesseer ik me niet voor de democratie. Ik kon hem dat niet duidelijk maken, ook niet omdat ik verward word als ik merk dat ik iets niet duidelijk kán maken. Hij stónd op de vrijheid van meningsuiting als het enig belangrijke. Op zijn slechtst heb ik daar de pest aan omdat het de tegenstellingen alleen maar verdoezelt.
Aan de andere kant is er bij hem in deze verspilling van anecdotes de bereidheid om een ander aardig te vinden, naar hem te kijken en te luisteren. Ik mis die. Ik sluit me af. Ik ben onvriendelijk onder een masker van vriendelijkheid. Bij Ennio schaam ik me daarvoor. Als we een café binnengaan zie ik onmiddellijk mensen die een gevaar zijn (ook sociaal: in arbeiders en vooral asociale figuren zie ik in de eerste plaats de aanvaller). Hij ziet dat nooit. Maar de keerzijde is dat hij ook echte rotzakken niet herkent, zoals dat dikke mannetje in de snoepwinkel bij wie hij geregeld taartjes koopt, in wie ik onmiddellijk de kleine fascist herkende – ik durf mijn hand daarvoor in het vuur steken. Niettemin ben ik er zeker van dat Ennio mij om deze grotere kennis van mijn vijanden niet benijdt. Ik hem wel, op veel andere ogenblikken, als ik me achteraf bewust word dat ik me heb afgesloten voor ik gekeken heb, uit vooroordelen waarvoor ik me schaam.
In mijn slechtste ogenblikken voel ik me zinloos. Bij Ennio heb ik het gevoel dat hij die niet kent, omdat zijn waarden vastliggen en buiten hemzelf.

[…]

 

© Copyright 2023 Erven J.J. Voskuil en Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam

pro-mbooks1 : athenaeum