Leesfragment: Schemering

09 september 2023 , door Philippe Claudel
|

12 september verschijnt de nieuwe, grote roman van Philippe Claudel: Schemering (Crépuscule), vertaald door Manik Sarkar. Het was Renée van Heerwaardens Boek van de Maand januari, spannend en tot nadenken stemmend noemde ze het. Reserveer je boek en lees bij ons vast een fragment.

In een ingedut dorp aan de rand van een keizerrijk in het midden van Europa wordt in een ijskoude winter de plaatselijke priester dood aangetroffen. Zijn hoofd is verbrijzeld door een steen. Wie kan deze man zo hebben gehaat?
De moord veroorzaakt een schokgolf in het dorp waar christenen en moslims altijd in harmonie hebben geleefd. Voor politieman Nourio, geholpen door zijn trouwe assistent Baraj, is deze zaak een welkome onderbreking van zijn eentonige dagen. Hij beseft al snel dat het achterhalen van de waarheid de spanningen in het dorp niet noodzakelijkerwijs zal doen afnemen. Nourio’s superieuren sporen hem aan om de stem van het volk te laten horen en de moslims voor de moord verantwoordelijk te stellen.
In de maanden die volgen ontvouwt zich een tragedie waarbij de slechte gewoonten van de mensheid en de misdaden en wreedheden tussen buren een hoofdrol spelen. Heeft het zin om je te verzetten tegen de onstuitbare loop der gebeurtenissen?



 

1

De Plaatsvervanger, die luisterde naar de oeroude naam Baraj, wist zich geen raad met zijn gestalte, en in het bijzonder met zijn grote hoofd met kort krullend haar. Zwijgend wierp hij met zijn gele ogen ongemakkelijke blikken op zijn meerdere, de Politieman, die bij het lijk was neergeknield. Om hen heen heerste de winternacht, scherp van de kou en met inkt gekleurd.
Baraj was een man op de helft van het bestaan, dat hij aflegde als een slecht begaanbaar pad. Dat bleek uit zijn chronische verlegenheid en zijn angst voor woorden, die zo groot was dat hij soms urenlang met zijn tanden, zwart van de tabak die hij ’s avonds bij het stervende haardvuur pruimde, op de stilte kauwde terwijl hij Mijn Schoonheden aaide, de twee grote honden die zijn hart en zijn geest vulden.
Hij wist nooit wat hij met zijn handen aan moest, die dik, groot, eczemateus en opgezet waren. Met zijn onbeholpenheid, verlegenheid en zijn enorme massa deed hij denken aan een os of een trekpaard. Het enige wat ontbrak was een staak waar hij zijn hele leven aan vast zou zitten tot de slachthamer zijn leven zou beëindigen.
Toch was hij niet zo dom als je op het eerste gezicht zou denken. Zijn kennis van het stadje, de streek en de bewoners was opmerkelijk. Hij kon de stamboom opnoemen van de families in alle omliggende gehuchten, tot aan de Grens aan toe. Ook had hij een uitstekend geheugen voor gezichten en stemmen, evenals voor geografie, kadastrale gegevens, namen van steen- en boomsoorten, geneeskrachtige kruiden, watervogels en andere dieren. Zijn toewijding aan de Politieman was onwrikbaar, want voor hem was hiërarchie iets onveranderlijks.
De Politieman heette Nourio. Hij was van gemiddelde lengte, een en al bot, met een olijfkleurig gezicht. Hij droeg het uniform van een of ander leger, dat door slijtage en het verstrijken van de jaren op een jachtpak was gaan lijken.
In wat ooit een weitas moet zijn geweest die hij schuin over de borst droeg, bewaarde hij papieren, notitieboekjes en potloden. Een kleine, gedeukte koperen jachthoorn stak uit de rechterzak van zijn broek van groene stof.
Toen de mensen hem voor het eerst hadden gezien, vonden ze die verbijsterende uitdossing meer bij een rondreizend circus passen, maar met het verstrijken van de jaren stonden ze er niet meer bij stil. Uiteindelijk kun je overal aan wennen en de wereld draait door.
De roestbruine huid van zijn gezicht wekte de indruk dat hij aan een chronische leverkwaal leed, en de dunne, roetzwarte snor die een streep boven zijn bovenlip vormde, benadrukte de onrust en het ongenoegen dat hij uitstraalde. Hij was iets jonger dan de Plaatsvervanger en in veel opzichten intelligenter, wat in de mensenwereld niet altijd een goede eigenschap is.
Nourio, die het lichaam van het slachtoffer aandachtig bestudeerde zonder acht te slaan op de vrieskou en de duisternis, had de rang van Kapitein. Dat stond tenminste op de papieren die hij vijf jaar geleden aan iedereen die wilde had getoond. Zodra hij zijn mond opendeed merkte je dat hij niet van hier kwam, want bepaalde woorden die hij gebruikte en de melodie waarmee hij ze liet rollen, waren duidelijk niet van hier. Hij sprak onze taal vrij goed, maar het was overduidelijk niet de zijne.
Toen het Keizerlijk Bestuur hem deze standplaats net had toegewezen, werd hij bekeken en beluisterd als een curiosum. Vaak vroeg men hem zijn woorden te herhalen, om er zeker van te zijn dat men hem goed had begrepen. Niet om hem te kwellen of de spot met hem te drijven: hij was gewoon moeilijk te verstaan. Maar de tijd vormde de oren en liet de ogen wennen, en legde hem tegelijk de plaatselijke intonaties in zijn mond. Hij werd gerespecteerd omdat hij zijn standplaats en functie wist te behouden, al was men niet dol op hem, want echt dol ben je nooit op iets wat anders is en van elders komt.
Door zijn donkere kleur zou je kunnen denken dat hij van Turkse afkomst was; sommigen beweerden dat hij in Triëst was geboren, anderen in Salonika, en weer anderen dat hij uit de Innvallei in de provincie Tirol kwam. Eigenlijk had men geen idee. Zoals men ook niet wist of hij moslim of christen was, want niemand had hem ooit naar de kerk of de moskee zien gaan.
Baraj, de Plaatsvervanger, kwam wel uit deze streek. Je hoeft hier maar een muurtje om te duwen en er komen tientallen Barajs tevoorschijn, dat is altijd zo geweest, het lijkt haast alsof er in dit gebied alleen Barajs wonen. Om de leden van het geslacht uit elkaar te houden, krijgen ze toponiemen toebedeeld of noemt men de naam van hun vader of moeder erbij: Baraj van het Plateau, Baraj van de Poel, Baraj van Ludi, Baraj uit de Sevia, Baraj van het Moeras, Baraj uit het Powowoud.
Aangezien plaatsnamen gevormd worden door persoonsnamen, spreken buitenlanders op doorreis vaak over Barajland, en ook wel over Winterland, aangezien er hier aan dat seizoen geen einde komt. In bepaalde politieke kringen in de hoofdstad van het Rijk is het niet ongewoon om deze regio de Verloren Provincie te noemen, en in haar dubbelzinnigheid duidt die frase zowel op onze ligging aan de rand van het Rijk als op het lot dat deze gronden beschoren lijkt te zijn.
De Plaatsvervanger was verwant aan de Barajs van Krajna, maar slechts in de derde graad. Die half-beesten, half-mensen hadden hem in de Grote Winter van 1872, na de dood van zijn ouders en drie boers en zussen, opgenomen en in de schuur grootgebracht met stokslagen en bietensoep.
Hij had nooit geklaagd over het sobere bestaan zonder tederheid en aandacht waartoe hij was veroordeeld. Niemand had hem ooit zien huilen. De oorvijgen van de Schoolmeester, die zijn domme uiterlijk en zijn onverstoorbaarheid niet kon uitstaan, waren als liefkozingen voor hem geweest, en het klaslokaal als een paleis.
Hij was geen goede leerling, maar toch leerde hij lezen, schrijven, tellen en landkaarten ontcijferen. Dat laatste werd overigens zijn passie. Zonder het ooit moe te worden volgde hij met zijn dikke vingers urenlang de beige of blauwe stroken die heuvels en rivieren verbeeldden, de donkere, groene vormen van de bossen, de grijze stippellijnen van de oude paden en het kronkelende maaswerk van hoogtelijnen.
Baraj had nooit een vrouw genomen en hij woonde alleen met twee roodbruine honden met gouden spikkels in de ogen, sterke bastaarden van nobele allure die zowel iets van staanders als van Beierse bergzweethonden hadden, en die al even zwijgzaam waren als hij. De twee honden waren zo onafscheidelijk dat Baraj ze geen eigen namen had gegeven, maar ze altijd met ‘Mijn Schoonheden’ aanduidde.
Als hij het woord richtte tot de Politieman zei hij meestal Meester in plaats van Kapitein, en het was komisch om die grote herkauwer dat nerveuze, slechtgehumeurde mannetje Meester te horen noemen. Maar Nourio mocht er dan uitzien als een gekrenkt knaagdier, hij had overwicht op iedereen tot wie hij het woord richtte, en dikwijls bogen degenen die ondervraagd werden of op straat werden begroet het hoofd ten teken van schaamte en onderwerping.
Nourio had een vrouw en vier piepjonge kinderen, vuile, kwijlende, roze wezentjes die in leeftijd nauwelijks een jaar van elkaar verschilden. Zijn vrouw was blond, met een zacht gezicht, en ze leek weggelopen uit een schilderij in een kerk of een museum in een ver land; ze had grote, peervormige, blauw dooraderde borsten die altijd bol stonden van de melk, en lichte, grijze ogen met de kleur van as en water.
Niemand wist haar voornaam. Ze leek permanent uitgeput en kwam nauwelijks buiten. Ten tijde van het misdrijf wist men alleen dat er een vijfde kind in haar buik zat en dat de bevalling aanstaande was. Nog een paar weken waarschijnlijk. Niet meer.
De dode heette Pernieg. Jan Igor Seïd Pernieg. Zesenzestig jaar geleden geboren. Zijn geboortehuis en sterfplek lagen krap veertig passen van elkaar.
Op het moment dat dit verhaal begint, lag zijn lijk zijn warmte te verliezen en begon het langzaam maar zeker te verstijven. Zijn lippen werden geel en zijn ogen troebel; de huid van zijn handen kreeg het aanzien van ruw karton.

[…]

 

Copyright © 2023 Éditions Stock
Copyright Nederlandse vertaling © 2023 Manik Sarkar

pro-mbooks1 : athenaeum