Leesfragment: Voornamelijk vrouwen

24 september 2023 , door Connie Palmen
| | |

27 september verschijnt het nieuwe boek van Connie Palmen, Voornamelijk vrouwen, over schrijvers die ‘dankzij hun aanwezigheid in [Palmens] leven ze het mooier, spannender, geestiger, complexer en inzichtelijker’ maken. Lees haar persoonlijke essays, bestel je exemplaar, reserveer je plek bij de SPUI25-lezing, en begin met ‘Virginia Woolf. Autonoom’.

Haar hele lezende leven al is Connie Palmen gebiologeerd door vrouwelijk kunstenaarschap. In Voornamelijk vrouwen beschrijft ze hen: vrouwen als Marilyn Monroe, Marguerite Duras, Patricia Highsmith en Jane Bowles, die ieder op hun eigen wijze de grenzen van de heersende moraal en hun sekse overschreden. Sylvia Plath, die zich bezoedeld voelde omdat ze te veel onechtheid in haar leven had toegelaten. Vivian Gornick, die met Connie Palmen, haar lezer, onbewust deed wat ze met haar moeder deed: treiteren en provoceren. Olivia Laing, die zich al non-binair voelde voordat ze dat woord kende. Joan Didion, die in haar essays, klaagzangen zonder klacht, beschreef hoe het is om Joan Didion te zijn. Vooruit, één man, Philip Roth, al is het maar omdat je als vrouw altijd weer moet uitleggen waarom je van die wraakzuchtige, overspelige schrijver houdt. En Connie Palmen zelf, die op haar vijftiende voor het eerst de popsong ‘Lola’ hoorde, die een opmaat bleek voor een ‘mixed up, muddled up, shook up world’, waarin geologische en biologische afbakeningen niet langer bindend of noodlottig zijn. Voornamelijk vrouwen is Connie Palmens schitterende literaire lofzang op vrouwelijke scheppende kracht en autonomie. En het is vooral een verkenning van haar eigen schrijverschap, waarin ze al haar literaire thema’s laat terugkomen.

Connie Palmen is de auteur van essays, verhalen, een novelle, het Logboek van een onbarmhartig jaar, en haar zes grote romans De wetten (European Novel of the Year), De vriendschap (winnaar AKO Literatuurprijs), I.M. (winnaar Trouw Publieksprijs), Geheel de uwe, Lucifer en Jij zegt het (winnaar Libris Literatuurprijs).



 

Virginia Woolf
Autonoom

Ik meet de tijd af aan de gang van vertrek tot vertrek, van de meisjeskamer in mijn geboortehuis tot aan de kamers in het grachtenpand waar de reis zal eindigen. Woorden zijn werelden. Voor een vrouw is het nagenoeg onmogelijk over een kamer te schrijven zonder een buiging te maken voor Virginia Woolf. In haar onverschrokken essay uit 1929, A Room of One’s Own, beweert ze dat een vrouw een eigen kamer, geld en ledigheid nodig heeft om een schrijver te kunnen zijn. Ze specificeert het, ze noemt een bedrag dat in het begin van de twintigste eeuw toereikend was voor een bepaalde mate van onafhankelijkheid, en aan de kamer stelt ze de eis dat die op slot moet kunnen. Pas als aan deze voorwaarden is voldaan kan een vrouw het vermogen ontwikkelen om zelfstandig te denken, er eigen ideeën op na te houden, en dat ontzaglijke, autonome werk te verrichten dat het schrijven van fictie is.
Het is al heel wat dat iemand eindelijk beweert dat zelfstandig denken een vermogen is dat je moet ontwikkelen, dat het iets is waarvoor je ledigheid nodig hebt, waarvoor je de tijd en de ruimte moet nemen, dat het niet iets is wat je ’s ochtends even onder de douche doet, voordat je het ontbijt maakt voor de kinderen of naar je echte werk gaat. Denken is het werk.

Ik had altijd een kamer voor mezelf. En ik had altijd geheimen. Ze horen bij elkaar, in hun verstrengeling waren ze in mijn jeugd de noodzakelijke voorwaarden voor mijn zelfstandigheid.

Nog steeds doe ik de deur op slot, sluit anderen buiten, en ik heb nog steeds veel geheimen en weinig vertrouwelingen. Van alle kamers die ik ooit bewoonde, herinner ik me welke boeken ik er las en wat ik er schreef, en van alle kamers herinner ik me wat ik voor anderen verzweeg in de tijd dat ik ze bewoonde. De geheimen waren nodig om me af te schermen, me ongezien te weten en me daardoor de autonomie te bieden die ik nodig had.
Ik sluit geen vijandige wereld buiten, maar juist de mensen van wie ik het meest houd. Boven in mijn meisjeskamer weerstond ik de lokroep van de familie, de klanken die me vanaf de benedenverdieping lokten, de heldere sopraan van mijn moeder, de sonore, geruststellende stem van mijn vader, de uitbundige gesprekken tussen mijn drie broers met hun vrienden, de muziek die ze beluisterden. The Eagles. The Kinks. Jackson Brown.
Ik wilde erbij zijn en ook niet.
Als enig meisje wist ik dat de vertrouwelijke sfeer tussen de jongens onmiddellijk veranderde zodra ik binnenkwam, dat ik door mijn aanwezigheid alles vernietigde waarvan ik deel wilde uitmaken. Ik lach om iedereen die het verschil tussen jongens en meisjes ontkent.

Onder het matras verstopte ik een dagboek. Achter een gesloten deur schreef ik over van alles, behalve over wat ik zag, onderging, ervoer, meende, dacht. Dat hield ik geheim. In de jaren en de kamers daarna waren het de vrienden, de minnaars en ten slotte de geliefden voor wie ik de deur sloot waarachter ik me terugtrok, kortstondig of langdurig afgeschermd van de liefde die ze wilden geven, en van de liefde waarnaar ze verlangden.

Woorden zijn werelden. Voordat ik aan een verhaal begin vraag ik om een handreiking van de taal zelf. Ik ga op zoek naar de afstamming van een woord om te ontdekken in welke grond het wortelt, hoe het zich vertakte in de geschiedenis, welke reis het maakte, wat de genese van een begrip me te vertellen heeft. Het is als met mensen, als je weet waar ze vandaan komen, uit welk land, welke familie, welke taal, dan begrijp je meer. Van kamer weet ik dat het lemma familie is van het geheim en van de vriendschap. In camera, in secret. Het secreet, de (af)scheiding, het verborgene, en het verlangen naar zuiverheid en echtheid zijn onderling verbonden, het zijn mijn kameraden, het zijn de noodzakelijke voorwaarden voor de autonomie waar het schrijven om vraagt. Ze hebben mijn leven mooi en zwaar gemaakt. De prijs van het hebben van geheimen is het inboeten aan intimiteit, terwijl ik van de vriendschap en de liefde vooral de intimiteit wil, een tweestrijd waarmee ik heb leren leven.

Een kameraad is iemand met wie je een kamer kunt delen, iemand voor wie je misschien niet alles maar wel aanzienlijk minder te verbergen hebt dan voor degenen die buiten blijven staan. In mijn jeugd verlangde ik mateloos naar een vriendschap die de eenzaamheid van het zwijgen zou verlichten. Ik verlangde er niet zozeer naar om mijn geheimen met iemand te delen, ik verlangde naar iemand die het verdroeg dat ik ze had. De ruimte waarin ik me afzonderde, een scheiding aanbracht tussen mezelf en de anderen, is ook de plaats waar ik alle cruciale beslissingen nam over de loop van mijn leven, de keuzes waarmee ik me zou onderscheiden en afscheiden van iedereen die ik zo bespottelijk liefhad.
Ik wilde alleen zijn en samen.
Boven in de meisjeskamer, in het huis waarin ik ben geboren, begonnen de eerste evenwichtsoefeningen om me te kunnen bewegen tussen deze uitersten, tussen soevereiniteit en intimiteit, tussen verbergen en onthullen. Nu, zo veel decennia later, sta ik in de kamers van mijn laatste huis nog altijd wiebelend op die balk.
Het grootste geheim was altijd het schrijven. En is dat nog. Het is niet het schrijven zelf dat aanmatigend is, het is de reden waarom ik het doe.

[…]

 

© 2023 Connie Palmen

pro-mbooks1 : athenaeum