Leesfragment: Het xoanon

03 februari 2024 , door Jan van Aken
|

29 februari verschijnt de nieuwe roman van Jan van Aken, Het xoanon. Lees bij ons nu al een fragment & reserveer je exemplaar!

Als de Grote Oorlog voorbij is, en het Ottomaanse Rijk verslagen, bezetten de grootmachten Constantinopel. Terwijl Wit-Russische vluchtelingen de stad overspoelen en in het oosten van het land een nieuwe oorlog oplaait, begint zich in de chique wijken al de geest van de vrolijke jaren twintig te roeren. Beaujon, een vrijbuiter met een neutraal paspoort, leidt in dit Constantinopel een comfortabel leven. Te comfortabel, naar zijn zin. Dat verandert als hij betrokken raakt bij een aanslag op een antiek monument, waarbij een onschatbaar voorwerp uit de oudheid zou zijn buitgemaakt. In dit explosieve krachtenveld menen veel groepen en individuen hun voordeel te kunnen doen met dit geheimzinnige xoanon. Ook de neutrale Beaujon kan zich niet langer afzijdig houden. Maar hij heeft veel hogere ambities dan wat hij ziet als de jacht op een hersenschim.



 

Boek I
De verbrande zuil

 

Bezette stad

Ik zocht een kruitvat om een lont in te steken. Ik dacht het te vinden in het bezette Constantinopel, in de eerste jaren na de Grote Oorlog.
Tijdens een van de late borreluurtjes in de Kleine Club heb ik mijn oorlogsjaren eens in één zin samengevat: ‘De loopgraven zijn me bespaard gebleven, maar ik ging twee keer door de hel.’ Ik was die nacht niet dronken genoeg geweest om op verdere vragen in te gaan, en in die tijd kon iedereen daar begrip voor opbrengen.
Want wat ging het iemand aan hoe ik aan de eerste hel was ontsnapt? En wat ging het ze aan dat ik hier kwam als nederigste van de varensgasten, op het roestige Griekse schip Phil. Georgiou, waar ik kolen schepte in de muil van een hongerige scheepsmachine? In die tweede hel maakte ik een vriend; ik werkte er schouder aan schouder met een stoker uit Djibouti die Ouilly heette en drie keer zoveel werk verzette als ik, maar die nooit klaagde, want hij had snel begrepen dat ik op het moment van mijn aanmonstering te zwak was voor het zware werk.
De papieren die ik in Barranquilla had gekocht, pasten beter bij me dan mijn officiële documenten. Ik had me daar enige tijd schuilgehouden, maar er liepen in die contreien nogal wat mensen rond die me in de eerste oorlogsjaren gekend hadden, dus toen ik een baantje kon krijgen op een schip dat uiteindelijk naar Europa zou varen, greep ik mijn kans.
Om de Duitse U-boten te vermijden had de Phil. Georgiou zich in oorlogstijd beperkt tot de kust. en eilandenvaart in het Caraibische gebied, maar na de wapenstilstand van november 1918 begon de kapitein vrachten te selecteren die hem dichter bij huis zouden brengen. Dat hij daarbij niet al te veel haast maakte, vond ik eigenlijk wel best.
Als we onderweg havens aandeden ging ik hooguit een paar uur van boord om een kop koffie te drinken en om me op de hoogte te stellen van het wereldnieuws. In die naoorlogse chaos van vluchtelingenstromen, troepentransporten en demobilisaties, waar de Spaanse griep nog eens overheen kwam, lette niemand op een benedendekse arbeider die het kolengruis diep in zijn porien had zitten. Toch weigerde ik meestal vriendelijk als Ouilly mij probeerde mee te krijgen op zijn epische kroegentochten, die vaak eindigden in een politiecel, zodat de kapitein hem moest vrijkopen bij corrupte autoriteiten. Ik koesterde mijn anonimiteit.
Ouilly: hij was een trotse Afar, die ondanks de hitte van de machinekamer de haarvlechten van zijn stam in ere hield. Natuurlijk heette hij gewoon Willy, maar zijn naam, zoals weergegeven in het monsterboekje, staat voor altijd zo in mijn geheugen gegrift.
De machinekamer had eigenlijk tweemaal zo groot moeten zijn om dat lichaam tot zijn recht te laten komen. Pas toen we voor het eerst samen aan wal gingen . was het in Maracaibo, Bahia of Port-au-Prince? Alle havens vloeiden die eerste maanden van vrijheid in mijn herinnering samen . pas toen, voor even ontsnapt aan de machinekamer, kon Ouilly zijn verhalen kracht bijzetten met woeste en weidse gesticulaties als een van bamboestokken en vodden vervaardigde vogelverschrikker in een storm. In de krappe machinekamer daarentegen, als de hongerige muil van de ketel tijdelijk verzadigd was en we rustten, Ouilly op zijn kruk, ik op de kolenberg, begeleidde hij zijn betoog met een handmimiek die het midden hield tussen de vingerwijzingen van Balinese danseressen en de nauwelijks waarneembare gebaren van een grijze shaolinmeester die glimlachend zijn tegenstanders alle kanten op laat vliegen.
Hoe krachteloos ik ook was, na twee lange jaren van onbeweeglijkheid, ik dwong mezelf tot arbeid om mijn spieren te laten aansterken. ’s Avonds at ik als een wolf en als ik uitgeput in mijn kooi viel, sliep ik een godenslaap in de grote deining van de zee, met de diepe machinedreun als wiegelied. Het duurde weken voor ik een echte bijdrage kon leveren aan het zwoegen, maar het leek Ouilly niet te kunnen schelen; hij schepte kolen, hij riep en lachte boven het geluid van de machines uit en was altijd de eerste die opstond na de korte pauzes die we onszelf gunden. Eén keer vroeg hij waar ik had gewerkt voor ik op de Phil. Georgiou was aangemonsterd.
ss Attis.’ Ik wist zo gauw niets beters te verzinnen; ik moest mijn geschiedenis toen nog op orde brengen.
Ouilly draaide zich naar me toe, zijn ontblote bovenlichaam reflecteerde de rode gloed van de ketel. ‘Is dat een Nederlands schip? Ik ken Nederland. Rotterdam. Antwerpen. Goede steden.’
‘Antwerpen is in België, dat is een ander land. En ik kom eigenlijk van de Antillen, de Dutch West Indies.’
Curaçao kende hij ook, zei hij. Er volgde een verhaal over een vrouw in Otrabanda met wie hij een hemelse nacht had doorgebracht, totdat haar man, een politieagent die nachtdienst had, met een geheven kapmes kwam binnengestormd. Ouilly ontsnapte door het raam en rende naakt door de donkere straten naar de pontjesbrug, waar hij een paar mariniers omverkegelde en toen de baai in sprong. ‘Neutraal of niet, ze zouden het vuur hebben geopend, dus ik zwom zo ver ik kon onder water. Bij iedere slag leek het wel een graad kouder te worden. Uiteindelijk brak ik, met barstende longen, door het oppervlak. De lucht smaakte beter dan de beste rum. Ik was al buiten de baai geraakt en zag links van me, aan de steiger, het silhouet van mijn schip. Ik klom ongezien aan boord en ging in mijn kooi plannen maken om die vrouw de volgende dag weer te ontmoeten. Maar toen ik wakker werd, voeren we al op volle zee en was het eiland uit het zicht verdwenen. Ah... die vrouw... als ik ooit terugkom...’
Naar mijn geschiedenis vroeg hij verder niet, en zelfs als ik die hem had willen vertellen, verdrongen de verhalen zich bij Ouilly zo gretig voor de poort dat ik nooit een kans kreeg.
Eind 1919 besloot onze kapitein dan toch tot de oversteek en op een vroege ochtend, in de laatste week van december, bereikten we de Dardanellen.

Nog altijd bewaakten Britse dreadnoughts de ingang van de zeestraat en patrouilleboten voeren af en aan om de schepen te praaien die als bestemming het bezette Constantinopel hadden, de voormalige hoofdstad van een onttakeld imperium.
We stonden op het voordek te kijken hoe de kust aan weerszijden voorbijgleed. Een onstuimige noordenwind striemde de golven, het schip rees en dook in de lange deining, en hoewel we ons vast moesten houden aan de reling, en meteen al doorweekt raakten van het opspattende water, wilden we de tocht door de zee-engte tussen Azië en Europa niet missen. Voor de oorlog had ik al eens een paar maanden in Constantinopel gewoond, maar toen was ik over land gekomen.
Dit was de oude Hellespont, wist ik uit mijn studententijd. Links van ons lag het schiereiland van Gallipoli en rechts... ik probeerde me voor te stellen hoe op deze Aziatische kust, meer dan drieduizend jaar geleden, zich de Trojaanse Oorlog had afgespeeld en vroeg me af wat er over was van de ruïnes en de opgravingen na de bloedige beschietingen van de laatste oorlog.
Ouilly maakte me opmerkzaam op de Ottomaanse forten op de rotsen, waar zware artillerie vier jaar eerder de zeestraat had verdedigd tegen de vloten van de Engelsen en Fransen, die een doorbraak naar Constantinopel hadden willen forceren maar door zware beschietingen van de houwitsers de kans niet kregen om de mijnen te ruimen. Toen de zeestraat ondoordringbaar bleek, besloot men tot een grote amfibische operatie. ‘Daar, op de Aziatische kant, landden de Fransen,’ zei hij, met een hoofdknik naar de sombere oever aan onze rechterhand, ‘dat was het 6ème Régiment mixte Colonial.’ Hij wees naar de overkant, het schiereiland van Gallipoli, hij kende de namen van landingsplaatsen en veldslagen uit zijn hoofd: Kumkale, Kaap Helles, Krithia. ‘Veel van mijn broeders hebben er gevochten. Ze noemen hen tirailleurs sénégalais, maar het waren jongens uit alle Franse koloniën in West-Afrika en zelfs creolen uit het Caraïbisch gebied.’
Ik had het indertijd in de kranten gelezen. ‘Het geniale plan van de Britten. Het Ottomaanse Rijk zou snel instorten, zodat de weg naar Constantinopel open zou komen te liggen en zij een vrije route zouden hebben om de Russische havens te bevoorraden.’
Ouilly schudde zijn lange haartressen. Ik hoefde hem niets te vertellen over de Britse superioriteitswaan en hoezeer ze de Turken hadden onderschat. De campagne had geen doorbraken geforceerd, maar liep vast in een nieuwe loopgravenoorlog. Na negen maanden strijd en honderdtwintigduizend doden, evenredig verdeeld over Ottomanen en geallieerden, begrepen die laatsten uiteindelijk dat hun plan was mislukt.
We doorkruisten de Zee van Marmara en tegen de avond bereikte ons schip Constantinopel. We gingen voor anker in de Gouden Hoorn, in afwachting van de douane die de volgende ochtend aan boord zou komen.
Ik dronk een paar glazen met Ouilly in mijn hut.
‘Constantinopel is nu de beste plek in de wereld om te zijn,’ zei hij. ‘Niets is er nog bepaald, alles is mogelijk.’
Ik was het met hem eens maar om heel andere redenen. Ik glimlachte maar wat en luisterde naar zijn verhalen.
Uiteindelijk hadden de overwinnaars de stad in zones verdeeld: de Engelsen zaten in Galata, de Fransen in het oude Stamboel en de Italianen controleerden Scutari.
In de vredeseuforie en door de grote aanwezigheid van troepen en wanhopige vluchtelingen die tot alles bereid waren, was er in korte tijd een bloeiend nachtleven ontstaan, met een groeiende behoefte aan vertier en allerlei genotsmiddelen. Het waren gouden tijden voor slimme jongens die fortuin wilden maken. Ouilly had zich al een paar havens terug voorzien van handelswaar, en maakte zich nu alleen zorgen om de inspectie van de volgende ochtend. ‘Krijgen we alleen Turkse douane aan boord,’ vroeg hij, ‘of kunnen we ook Engelse soldaten verwachten? En controleren ze dan alle schepen, of alleen steekproefsgewijs? Denk je dat ze jou als blanke ook fouilleren?’
Ouilly moest evenmin als ik iets van de Engelsen hebben, een akkefietje in Saint Croix, waarover hij nogal vaag was.
Ik wist het ook niet en schudde mijn hoofd. ‘Laat mij er maar buiten.’ Ik wist nog niet wat ik ging doen in de stad, maar ik was niet van plan om mij bezig te houden met smokkelwaar.
Ouilly legde zich die avond vroeg te kooi. De volgende ochtend verscheen hij niet bij het ontbijt. Ik zocht het hele schip af en toen Ouilly’s bezittingen er ook niet meer bleken te zijn, moest ik wel tot de conclusie komen dat hij, onder dekking van de nacht, illegaal aan wal was gegaan.

[…]

 

Copyright © 2024 Jan van Aken

pro-mbooks1 : athenaeum