Leesfragment: Mannen in de zon

15 januari 2024 , door Ghassan Kanafani
|

In onze boekhandels, en met 5 ballen bekroond in NRC: Ghassan Kanafani’s roman Mannen in de zon (رجال في الشمس), vertaald uit het Arabisch en van een nawoord voorzien door Djûke Poppinga. Lees bij ons een fragment en bestel je boek!

Begin jaren vijftig. In de woestijn tussen Irak en Koeweit staat een grote vrachtwagen stil. In de lege watertank zitten drie Palestijnse mannen, happend naar adem. De chauffeur, ook een Palestijn, is uitgestapt bij een douanepost. Terwijl de temperatuur in de watertank oploopt, probeert hij toestemming te krijgen verder te rijden. De drie mannen, die elk een generatie Palestijnen vertegenwoordigen, hebben één gemeenschappelijk doel: de ellende in de vluchtelingenkampen ontvluchten en in Koeweit een beter leven opbouwen.

Mannen in de zon (1963) is het verhaal van Palestina, van de Nakba (de verdrijving van de Palestijnen in 1947-1949) en het vluchtelingenvraagstuk, vandaag de dag actueler dan ooit. Met Mannen in de zon vestigde Ghassan Kanafani voorgoed zijn naam, niet alleen in de Arabische wereld, maar ook in Europa en Amerika.

Ghassan Kanafani werd in 1936 geboren in Akka. In 1948 vluchtte zijn familie naar Libanon en vestigde zich uiteindelijk in Syrië. Kanafani was leraar, journalist en schrijver. Daarnaast was hij actief in het Palestijnse verzet. Tot zijn dood in 1972 was hij woordvoerder van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) van George Habash. Kanafani geldt als de pionier van de Palestijnse verzetsliteratuur.

 

Aboe Kais

Aboe Kais lag voorover, met zijn borst op de vochtige, kloppende aarde. Het waren de slagen van een vermoeid hart die natrilden tussen de zandkorrels en in de cellen van zijn lichaam drongen. Sinds hij zich daar voor het eerst op de grond had laten vallen voelde hij steeds weer die siddering, alsof het hart van de aarde zich uit de diepste krochten van de hel een weg naar het licht probeerde te banen.
Hij had dat een keer aan zijn buurman verteld, met wie hij ooit, in het land dat hij tien jaar eerder had verlaten, een akker had gedeeld, en deze had spottend geantwoord: ‘Welnee, dat is het kloppen van je eigen hart dat je hoort wanneer je met je borst op de grond ligt.’
Dat kon toch niet waar zijn? Wat een onzin! En die geur dan? Die geur die, zodra hij hem opsnoof, naar zijn hoofd steeg en zich als een bedwelmend elixer in zijn aderen verspreidde? Steeds wanneer hij de geur van de grond waarop hij lag inademde, beeldde hij zich in dat hij het haar van zijn vrouw rook als ze uit de badkamer kwam, nadat ze zich met koud water had gewassen. Het was dezelfde geur: van een vrouw die een koud bad had genomen en haar nog natte haar over zijn gezicht liet strijken. En het was hetzelfde kloppende geluid, alsof je een trillend vogeltje liefdevol in je handen hield.
Die vochtige grond komt vast door de regen van gisteren, dacht hij. Of nee, toch niet. Het heeft gisteren niet geregend. In deze tijd zendt de hemel enkel stof en verzengende hitte naar de aarde. Ben je soms vergeten waar je bent? Ben je dat echt vergeten?
Hij draaide zich op zijn rug en begon, met zijn handen onder zijn hoofd gevouwen, naar de hemel te turen. De hemel was verblindend wit en hoog in de lucht cirkelde een eenzame vogel doelloos rond. Hij wist niet waarom, maar ineens voelde hij zich ontheemd. Het was zo’n ellendig gevoel dat hij bang was dat hij in huilen zou uitbarsten.
Welnee, het heeft gisteren helemaal niet geregend. Het is augustus. Ben je dat vergeten? En die zwarte weg die eindeloos door de leegte jaagt, ben je die ook vergeten?
De vogel cirkelde nog steeds alleen rond, als een zwarte stip aan het vlammende hemelgewelf.
Het is augustus! Maar waarom is de grond dan zo vochtig? Het moet wel door de Sjatt komen. Zie je niet hoe die zich naast je uitstrekt, zo ver als het oog reikt?

‘Wanneer de twee grote rivieren, de Eufraat en de Tigris, samenkomen, vormen ze één rivier, de Sjatt al- Arab. Ze loopt van vlak boven Basra tot…’
Dat hoorde hij Meester Saliem, een oude, magere man met een harde stem, wel tien keer roepen tegen een kind dat naast het bord stond, toen hij die dag langs de dorpsschool liep. Hij klom op een steen en gluurde door het raam naar binnen. Meester Saliem stond voor de jonge leerling en schreeuwde zo hard als hij kon, zwaaiend met zijn dunne stok: ‘Wanneer de twee grote rivieren, de Eufraat en de Tigris, samenkomen…’
Het kind beefde van angst en uit de banken klonk het gelach op van zijn klasgenoten. Aboe Kais stak zijn hand door het raam naar binnen en tikte een van hen op het hoofd. Het kind keek op.
Wat is er aan de hand?’
‘Die jongen snapt er niks van!’ fluisterde het kind grijnzend.
Aboe Kais klom van de steen en vervolgde zijn weg, terwijl de stem van Meester Saliem nog nagalmde in zijn oren: ‘Wanneer de twee grote rivieren, de Eufraat en de Tigris, samenkomen…’
Diezelfde avond zag hij Meester Saliem bij het dorpshoofd zitten, lurkend aan zijn waterpijp. Ooit was de man vanuit Jaffa naar hen toe gestuurd om les te geven aan de jongens van het dorp, en inmiddels had hij dat zo lang gedaan dat de titel van ‘meester’ een onlosmakelijk deel van zijn naam was geworden. Die avond bij het dorpshoofd vroeg een van de andere gasten hem: ‘Gaat u vrijdag voor in het gebed?’
‘Nee, ik ben een schoolmeester, geen imam,’ antwoordde Meester Saliem zonder omhaal.
‘Wat is het verschil?’ vroeg het dorpshoofd. ‘Onze vorige onderwijzer was ook imam.’
‘Maar dat was een Koranleraar. Ik werk op een basisschool.’
Maar het dorpshoofd liet zich niet uit het veld slaan: ‘Wat is het verschil?’
Zonder iets te zeggen liet Meester Saliem zijn ogen van achter zijn brillenglazen over de gezichten glijden, alsof hij steun zocht bij een van de aanwezigen, maar ze waren allemaal net zo in verwarring over de kwestie als het dorpshoofd zelf. Na een lange stilte schraapte Meester Saliem zijn keel en zei kalm: ‘Goed dan: ik weet niet hoe ik moet bidden.’
‘Wat? Weet je dat niet?’
Iedereen brulde door elkaar heen, waarop Meester Saliem hun nogmaals verzekerde: ‘Ik kan het echt niet.’
De gasten keken elkaar verbijsterd aan en vervolgens richtten ze zich tot het dorpshoofd, die besefte dat het nu aan hem was om iets te zeggen.
‘Wat kun je dan eigenlijk wel?’ liet hij zich ontvallen. Alsof hij een dergelijke vraag had verwacht antwoordde Meester Saliem prompt, terwijl hij opstond: ‘Ik kan heel veel. Ik kan bijvoorbeeld heel goed schieten.’
Bij de deur gekomen, draaide hij zich om. Zijn magere gezicht beefde.
‘Als jullie worden aangevallen, mogen jullie me wakker maken. Misschien kan ik nog nuttig zijn…’

[…]

 

© Anni Kanafani
Vertaling © 2023 Djûke Poppinga
Nawoord © 2023 Djûke Poppinga

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum