Leesfragment: 30 jaar Opwaaiende zomerjurken

09 september 2009 , door Oek de Jong
| | | |

In de nazomer van 1979 verscheen Opwaaiende zomerjurken, het romandebuut van de toen bijna zevenentwintigjarige Oek de Jong. Het werd een enorm succes, niet alleen wat de verkoopcijfers betreft, maar ook wat de waardering van critici en publiek aangaat. 10 september wordt het dertigjarig jubileum van deze 'moderne klassieker' gevierd, en wij vieren mee. Deze nacht kunt u fragmenten beluisteren uit Opwaaiende zomerjurken en Lui oog, de eerste pagina's van de speciale novelle Mevrouw Len lezen, en bijzonder beeldmateriaal bekijken. (Zie ook de site van Uitgeverij Augustus, met foto's, film en de rede van Oek de Jong op het verjaardagsfeestje.)

 

Gijs Scholten van Aschat sprak Opwaaiende zomerjurken in voor Uitgeverij Rubinstein. Oek de Jong zelf sprak Lui oog en andere verhalen in. Beluister de fragmenten:

  • Opwaaiende zomerjurken (MP3)
  • Lui oog (MP3)

De eenmalige jubileumeditie van het boek bevat een autobiografisch verhaal, 'De roman als oerschreeuw', over het ontstaan van Opwaaiende zomerjurken, en een uitklapbare 8-flap vol unieke documentatie en foto’s uit privécollecties.

De uitgeklapte jubileumeditie van Opwaaiende zomerjurken
De uitgeklapte jubileumeditie van Opwaaiende zomerjurken


Een handgeschreven manuscript van Opwaaiende zomerjurken
Een handgeschreven manuscript van Opwaaiende zomerjurken

Oek de Jong als student kunstgeschiedenis
Oek de Jong als student kunstgeschiedenis

Bij de uitreiking van de Bordewijkprijs, links van Oek de Jong Andreas Burnier
Bij de uitreiking van de Bordewijkprijs, links van Oek de Jong Andreas Burnier

In het huisje De Luwte in Eernewoude
In het huisje De Luwte in Eernewoude

Mevrouw Len - een fragment

Aanvankelijk hield ik haar op afstand. Zoals ik alles en iedereen in mijn nieuwe omgeving op afstand hield. De buurt deprimeerde me: de Kadijken, toen een gebied van leegstaande pakhuizen en verkrottende woningen – achenebbisj, zoals oude Amsterdammers het noemden. Het trappenhuis met zijn vunzig ruikende lopers en afbladderende verf deprimeerde me nog meer. Ik wilde hier helemaal niet zijn, in deze kleine etagewoning aan de Hoogte Kadijk, waar ik na het opbreken van een relatie halsoverkop in was getrokken.
Samen met mijn broer witte ik de muren en schilderde ik de plankenvloeren in de twee kamers en de gang zwart.
‘Dat staat sterk,’ zei hij. ‘Zwart.’
In de voorkamer legde ik een rij keien op de vloer, geïnspireerd door Richard Long, een Engelse kunste- naar die in museumzalen cirkels van breuksteen en drijfhout legde. Dat vond ik mooi. In de achterkamer zette ik een stalen werktafel en een bureaustoel, voor een krats gekocht bij de Beurs toen daar afgedankt kantoormeubilair op een vrachtwagen werd geladen. Door de ramen van de achterkamer had ik uitzicht op de loodsen van de Kromhoutwerf, de leien daken van de Oosterkerk en de wolkenluchten boven de Oostelijke Eilanden. Ik plakte ze grotendeels af met transparant pakplastic. Om niet naar buiten te kunnen kijken tijdens het werk, maar ook om niet gezien te kunnen worden. Achter de loodsen lag een brede gracht, aan de overkant stond een dubbele rij bomen voor de huizen. Wie had mij vandaar kunnen zien? Wie zou het in hemelsnaam gewild hebben? Maar dat raam moest dichtgeplakt. En in het trappenhuis be - gaf ik mij pas als ik wist dat er niemand was. Ik was vijfentwintig en werkte als een bezetene aan mijn eerste roman.

Op een zomeravond liep ik naar beneden om een luchtje te scheppen. Op de eerste verdieping werd een deur op een kier geopend en verscheen het gezicht van mijn onderbuurvrouw. Ik had gehoord dat ze een Poolse was. Ze moet iets aan me hebben opgemerkt die avond – een ongehaastheid misschien – want ze wenkte en vroeg me binnen te komen. Met tegenzin deed ik dat. Achter haar rug zag ik een paar schuwe katten naar de keuken vluchten. In de slaapkamer, waarvan de deur openstond, lagen nog eens vijf, zes katten op bed. In de voorkamer was het behang tot een meter boven de plint door kattenagels stuk - gekrabd. Ik hoef niet te zeggen dat het naar katten stonk, dat wil zeggen: naar kattebakken. Met een mengeling van afkeer en nieuwsgierigheid nam ik het allemaal in me op. Van exact hetzelfde appartement als het mijne had ze een hol gemaakt. Een hol vol katten, met tapijtjes, gordijnen en groen behang, stapels kranten in de gang, met kleren vol gepropte plastic vuilniszakken in de slaapkamer, en overal uit tijdschriften geknipte foto’s van halfnaakte meisjes en mooie mannen aan de muur. In de voor kamer, achter de halfgesloten gordijnen, stond het schuifraam op een kier en kwamen geluiden van de straat naar binnen. Ik hoorde de merel zingen die ik zo-even in mijn eigen huis ook had horen zingen. Maar ondertussen was ik in een ander universum beland.
Dicht bij me, te dichtbij, stond de Poolse: een korte en plompe vrouw van begin zestig, die vriendelijke en lokkende geluidjes maakte. Ze had hoge jukbeenderen en kleine, zich tot spleetjes vernauwende ogen, diep in het vlees verzonken, bijna als de ogen van Eskimo’s. Dik zwart haar, dat nog maar nauwelijks grijs werd. Ze had iets kinderlijks. Uit haar brabbeltaal wist ik met moeite een paar verstaanbare woorden te filteren.
‘Mie helpe. Kan niet alleen. Mie helpe. Ja?’
Met een schroevendraaier als enig hulpmiddel heb ik die avond de door kattepis bedorven vloerbedekking in de voorkamer losgestoken, onder de meubels uit getrokken, opgerold en op straat gezet. Met dat op straat zetten wachtte ik tot het donker was geworden, want ik wilde niet met die troep gezien worden. Toen ik wegging, bood ze me een horloge aan. Op een keukenblok zonder aanrechtblad, dat in de voorkamer als dressoir diende, lagen opeens vijf, zes herenhorloges. Ik mocht kiezen. Toen ik weigerde om iets aan te nemen, kwam ze voor me staan met haar plompe lijf, trok mijn hoofd naar beneden en kuste me op mijn wang. Terug in mijn eigen huis waste ik onmiddellijk mijn gezicht.

Uitgeverij Augustus
Uitgeverij Rubinstein

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum