Leesfragment: De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek

01 oktober 2009 , door Conny Braam
| |

5 oktober verschijnt de nieuwe roman van Conny Braam, De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek, waarin een Engelse onderwijzer, voor het leven verminkt in de loopgraven van Ieper, de handelsreizger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek, die voor diezelfde oorlog grote contracten afsluit, en diens zus elkaar ontmoeten. Ze verwachten meer van elkaar dan hun verledens waar kunnen maken. Vandaag mogen we de eerste pagina's van De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek laten lezen.

In de VPRO Gids vertelde Conny Braam al over het boek. De foto van Conny Braam is van de hand van Cornelie Tollens.

 

1
De ochtend van pa’s verjaardag

In de vroegte van dinsdag 31 juli 1917, het moest ongeveer kwart voor vier zijn, klikte Robin zijn bajonet op het geweer. Hij bedacht dat tegelijkertijd over de hele linie tientallen, honderden, misschien zelfs duizenden soldaten hun bajonetten aan de lopen van hun geweren vergrendelden. Hij zette zijn laars tegen de aarden wal en wist dat met hem een oneindig aantal militairen hun laarzen tegen de wanden van de loopgraven zetten. Over het hele front konden het er weleens tienduizenden of zelfs honderdduizenden zijn, wie weet nog veel meer… Alleen de opperbevelhebbers wisten precies hoeveel. Het wachten was op het signaal. De officier had het fluitje al tussen de tanden geklemd, de blik gefixeerd op zijn horloge. Alle officieren van de negen divisies van het Britse Vijfde Leger staarden met een fluitje in de mond naar hun gesynchroniseerde horloges. In het kilometerslange netwerk van loopgraven stonden overal ladders klaar.

Zijn eerste gevecht. Vandaag begon zijn oorlog en hij, Robin Ryder, zesentwintig jaar oud, onderwijzer uit Great Yarmouth, zou het beste van zichzelf geven.

Vijftien dagen lang hadden de Engelse kanonnen gebulderd. Miljoenen projectielen waren afgevuurd en de Duitse Wilhelmstellung, zes kilometer verderop, was vernietigd. Compleet van de aardbol gevaagd! Die verzekering hadden de officieren hun manschappen gegeven. Dag en nacht had het genadeloze bombardement Robins zenuwgestel tot in de kleinste vezel op de proef gesteld. Hij beschouwde het als zijn laatste examen. Een ultieme proeve van bekwaamheid, die hij met glans had doorstaan. Zozeer zelfs dat hij nu na een paar uur doodse stilte wenste dat het gedreun van het artillerievuur opnieuw losbarstte. Vandaag zou het grote offensief, dat al wekenlang gaande was, een beslissende doorbraak krijgen. Juist op deze dag. Was het geen geweldig toeval? 31 Juli: de verjaardag van pa. Hij werd drieënvijftig. Ma had zeker een taart gebakken. Of zouden er geen appels meer te krijgen zijn? Robin verstevigde zijn greep rond het geweer en probeerde een blik te werpen op het polshorloge, een geschenk van zijn ouders, de dag voor zijn vertrek. De wijzerplaat trilde in de kletterende regen. Maar hij wist het ook zo wel. Elk ogenblik kon het zover zijn. Thuis sliepen ze nog. Wie zouden er straks allemaal op het verjaarsfeest komen? Reken maar dat pa de visite te pas en te onpas herinnerde aan zijn zoon, die het vaderland verdedigde in Vlaanderen. ‘Ja, ja, néém er nog maar eentje, mijn jongen knokt wel voor jullie vrijheid!’ Hij zou zichzelf zeker niet vergeten en nog eens bijschenken. Robin glimlachte. Cheers pa, cheers! Van harte gefeliciteerd! Je zoon zal je niet teleurstellen, niet vandaag…

Het snerpende fluitsignaal kwam toch nog onverwachts, alsof hij niet wekenlang naar dit moment had uitgezien, het ging hem door merg en been. O mijn god, het was zover, eindelijk, eindelijk… De klim over de top van de borstwering was begonnen. In een stuwing van gretige soldaten drong hij naar de ladder, greep zich vast aan de houten sporten en met drie stappen stond hij boven. Na het verblijf in de benauwde loopgraaf had het uitgestrekte open terrein een bevrijdende werking. Zover het oog reikte klommen soldaten na elkaar omhoog uit de grond en versmolten tot één lange lijn. Net als de manschappen voor hen, vormden hun lichamen een barrière voor de volgende linie, waarachter nog een linie kwam en misschien nog wel twee of drie. Alleen de generaals kenden de feiten. Andersom stuwden de achterliggende linies de voorste op, zodat het Britse Vijfde Leger opereerde als een goed geoliede menselijke machine waarvan hij deel uitmaakte.

De lange lijn rukte op, stapvoets, dat waren de orders. Een paar meter vooruit, dan plat tegen de grond, op een teken van de officier weer overeind en daarna opnieuw doorstoten. De Duitse stellingen waren weliswaar verpletterd, maar er kon nog een enkele desperate scherpschutter actief zijn. Verder was het een peuleschil. Vanmiddag drinken we thee tussen de puinhopen van de Wilhelmstellung, hadden de officieren beloofd.

Aan de horizon gloorde het eerste rode schijnsel en voor zich zag Robin de omwoelde modder in een zachtroze glans oplichten. Het regende al drie dagen onafgebroken en de grond was doorweekt. Omdat er nog steeds geen schot door een scherpschutter was gelost, hoefden ze zich niet langer in de blubber te laten vallen en zeulden ze waakzaam in gebogen houding door het moeilijk begaanbare terrein. Af en toe beschenen dwalende lichtkogels het uitgestrekte niemandsland vol met tot de rand gevulde kraters. Daarna werden ze weer ingesloten door het halfduister. Hoe laat zou het zijn? Hoe lang trokken ze al op? Hij keek langs de rij. James Foyler was twee man van hem verwijderd. James kwam ook uit Great Yarmouth. Bakker, vader van vier kinderen. Het oudste zoontje zat bij hem in de klas, een vrij goede leerling. Aardige vent, Foyler. Hij zou hem een beetje in de gaten houden.

Plotseling barstte er een orkaan los. In een gierende geluidsgolf vlogen ontelbare projectielen over, gevolgd door een stortvloed aan explosies. Met open mond staarde Robin omhoog. Boven zijn hoofd ontplofte de lucht. Waar kwam dat geweld vandaan, zomaar, ineens? Van achteren? Was dit eigen vuur? Kanonnen beukten van alle kanten. Zijn adem werd afgeknepen en zijn knieën leken het te begeven. Er werd geschreeuwd: ‘Houd de lijn recht!’ gevolgd door een zware inslag, een eind verderop. De grond onder hem bewoog. Naast hem doken soldaten ineen. Vlakbij stond een sergeant driftig te schreeuwen, maar zijn bevelen gingen verloren in de oorverdovende herrie. Naar voren! Naar voren! gebaarde hij. Robin voelde zijn benen in beweging komen. Natuurlijk, naar voren. Niet stilstaan. Nooit stilstaan. Voor niets stoppen, dat schaadt de gevechtskracht. Geluid van ratelende mitrailleurs raasde recht op hem af. Het kwam van de Duitse stellingen… Dat kon niet, dat was onmogelijk, de Wilhelmstellung was compleet vernietigd, er viel niets te vrezen, niks meer dan wanhoopsvuur van een paar scherpschutters. Naar voren, niet stilstaan, voor niets stoppen. Zijn laarzen zogen zich vast in de modder. Furieus rukte hij dan zijn linker-, dan zijn rechterlaars los. Niet ver bij hem vandaan sloeg een granaat in. De grond trilde als dikke soep en de schok golfde dwars door zijn lijf. Zijn hersenpan leek het onder de ondraaglijke luchtdruk te begeven. Hij wankelde, herstelde zich en proefde bittere kruitdamp op zijn tong. Zo’n twintig meter verderop, nog net te zien in de regen, waren een paar mannen in elkaar gezakt. Ze bleven in vreemde houdingen liggen. Voor hij zijn aangekoekte laarzen uit de stroperige brij had losgetrokken om hen te hulp te schieten, klonk opnieuw een duivels gejank. Weer een treffer. De grond kraakte en daverde… Waar was de linie? Waar was zijn divisie? Waar waren de officieren, de sergeanten? Er doken een paar schimmen op die meteen verdwenen achter een mistgordijn. Dekking zoekend kwamen ze weer tevoorschijn om opnieuw te verdwijnen. Waar bevond hij zich, moest hij naar links of naar rechts? Hoever waren ze opgeschoten, hoeveel kilometer moesten ze nog? Waar was Foyler?

Kogels vlogen rakelings over hem heen, hete staalsplinters gloeiden langs zijn slapen. Rechts voor hem klampten twee soldaten zich aan elkaar vast. Waren dit niet de onafscheidelijke broers uit zijn loopgraaf? Nee, nee, die zou hij direct herkennen, deze mannen had hij nooit gezien, hoewel… iedereen leek nu eender. In een intense omhelzing zakten de twee met dodelijke traagheid weg in de verse pap van een granaattrechter. Hij boog af. Hij moest ze zien te redden. Maar toen barstte precies in de trechter de aarde open. De luchtdruk smeet hem achterover en in een kolkende spiraal rook zag hij een arm vliegen. Hij vroeg zich af van wie de arm kon zijn? Hij moest verder, verder, niet stoppen, nooit stoppen… Waarom regende het toch zo hard? De druppels ratelden oorverdovend op zijn helm. Hij ploeterde door, telkens zijn ene been losrukkend, leunend op het andere… Verder, verder moest hij… Waar was zijn geweer? Was die uit zijn handen geslagen? Hij was ’m helemaal vergeten. Hij moest zijn wapen terugvinden. Een soldaat zonder wapen was niets waard, hij was slechts het instrument dat moest richten en de trekker overhalen. Hij draaide zich om, strompelde terug, liet zich op zijn knieën vallen en graaide door de blubberige krater. Zijn arm zat er al tot zijn elleboog in toen zijn vingers vasthaakten achter iets hards. Goddank, het geweer. Maar de modder gaf zijn loodzware prooi niet makkelijk prijs. Met enorme inspanning wist hij zijn arm omhoog te krijgen zonder de greep op het geweer te verliezen. Zijn pols met het horloge van zijn ouders was al zichtbaar en met een ruk wist hij ook zijn hand naar de oppervlakte te krijgen. Maar zijn vingers hadden geen geweer vast, het leek wel een benig stuk van een menselijke ribbenkast. Er zat een flard uniform aan vast: grijs, veldgrijs? Een Duits uniform?… Voorzichtig maakte hij zijn vingers los. Met haperende ademhaling kroop hij achteruit bij de krater vandaan, kwam overeind en ging struikelend verder. Weg, weg van hier. Hij moest de anderen vinden, de sergeant melden dat hij een dode Duitser had gevonden en zijn geweer was kwijtgeraakt. Maar er was niets dan dikke mist, regen en een constante stroom van dodelijke scherven. Zou hij alleen achtergebleven zijn?

Plotseling werd hij bijna omvergelopen door een groep soldaten die uit het niets tevoorschijn kwam. Met bloeddoorlopen ogen staarden ze dwars door hem heen. Hij had hun willen vertellen over het geweer en het Duitse lijk, maar hij kon zich beter eerst bij deze mannen aansluiten, dan was hij tenminste niet langer alleen. Wezenloos dwaalde de groep allerlei kanten uit, boog af naar links, maakte dan weer een U-bocht, in de rook de juiste richting zoekend, maar er was geen juiste richting meer, alleen maar verkeerde richtingen, en al snel viel de zwervende troep uiteen. Robin wist niet wie te volgen en schreeuwde met zijn mond wijdopen, maar uit zijn keel kwam geen geluid. Hij moest hun waarschuwen, ze waren ingesloten, de meesten liepen recht op de vuurmonden af. Hij probeerde er een stel in te halen, maar bleef aarzelend staan toen hij schuin voor zich dikke rollen prikkeldraad zag, kapot geschoten en toch ondoordringbaar. Er hingen lichamen in, sommige bewogen nog. Was die ene daar, die met de bruine kuif, niet James Foyler? Ja, daar hing James, aan zijn lot overgelaten. Robins onderlip trilde en hij werd overspoeld door een golf van medelijden en genegenheid. Hij riep Foyler en bleef roepen… James moest weten dat er hulp in aantocht was. Opnieuw sloeg er vlakbij een granaat in. Het deerde hem niet langer en hij kroop naar het prikkeldraad. Waar was James nou? Hij kwam overeind, ging waggelend op zijn benen staan en tuurde versuft om zich heen.

Toen trof een striemende slag zijn arm. Hij tolde rond zijn as en zonk op de knieën. De regen tikte nog steeds hard op zijn helm. Langzaam zakte zijn hoofd naar voren. Vreemd, de koele blubber tegen zijn wang voelde erg aangenaam, hij wilde er het liefst diep in wegkruipen en dan slapen, want hij was moe, zo moe… Robin glimlachte. In de voorkamer rond de eettafel zat de verjaarsvisite. Ma gaf ieder een stukje appeltaart op een schoteltje met een vorkje ernaast. Hij hoorde zijn oom praten. Maar hijzelf was natuurlijk buiten op straat, samen met zijn jarige pa. Ze voetbalden. Hun jassen fungeerden als doelpalen. Pa dribbelde voor hem heen en weer, bal aan de voet, de armen wijdgespreid. Hij lachte luid, liet hem een doelpunt maken, tilde hem hoog de lucht in en zwierde hem rond en rond…

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum