Leesfragment: Dorpsleven: Erfgenamen

08 mei 2011 , door Amos Oz
| |

15 september verschijnt bij Uitgeverij De Bezige Bij, in de vertaling van Hilde Pach, de nieuwe verhalenbundel van Amos Oz: Dorpsleven.

In het Noord-Israëlische dorpje Tel Ilan doen de wijn- en boomgaarden en de bouwvallige onderkomens nog denken aan de tijd dat de staat Israël werd gesticht. Maar er zijn ook galerieën, boetiekjes, restaurants; met weekendtoeristen en koopjesjagers heeft ook het moderne Israël zijn intrede gedaan. Deze microkosmos is het onderwerp van de acht verhalen van Dorpsleven, waarin de klassieke dorpskroniek Winesburg, Ohio naar de kroon gestoken wordt.

Zoals we eerder Amos Oz zelf van harte welkom heetten in onze winkel, zo ontvangen we nu met groot genoegen de eerste pagina's van zijn nieuwe bundel en van zijn verhaal 'Erfgenamen' op de nieuwe website van Athenaeum Boekhandel. 

 

Erfgenamen

I

De onbekende man was niet onbekend. Iets in zijn gestalte wekte bij Arjee Tselnik zowel afkeer als fascinatie op, al vanaf de eerste blik, als het inderdaad de eerste blik was: Arjee Tselnik had bijna de indruk dat hij dit gezicht, de lange armen die bijna tot aan zijn knieën reikten, ergens van kende, ergens vaag van kende, alsof het een heel leven geleden was.
De man had zijn auto precies voor het toegangshek van het erf geparkeerd. Het was een stoffige, beige auto, en op de achterruit en zelfs op de zijruiten zat een heel mozaïek van kleurige stickers, allerlei uitroeptekens, verklaringen, waarschuwingen en leuzen. Hij deed de deur van de auto op slot, maar bleef nog even talmen om, met een energieke beweging, deur voor deur na te gaan of ze inderdaad allemaal goed op slot zaten. Daarna klopte hij een paar maal zachtjes op de motorkap, alsof het een oud paard was dat je aan een paal van het hek vastmaakt en dan met een vriendschappelijk klopje te kennen geeft dat het niet lang zal duren. En daarna pas duwde de man het hek open en liep naar de veranda aan de voorkant, die beschaduwd werd door een wingerdprieeltje. Zijn manier van lopen was springerig, en ook een beetje gepijnigd, alsof hij op blote voeten over heet zand liep.
Vanaf zijn plaats op de schommelbank in de hoek van de veranda, onzichtbaar, sloeg Arjee Tselnik de bezoeker gade vanaf het moment dat hij de auto geparkeerd had. Maar hoe hij ook zijn best deed, hij kon maar niet bedenken wie deze bekende onbekende was. Waar had hij hem ontmoet, wanneer had hij hem ontmoet? Op een van zijn buitenlandse reizen? Op herhaling? Op kantoor? Aan de universiteit? Of misschien nog in zijn schooltijd? Het gezicht van de man was sluw en vrolijk, alsof hij een geslaagde truc had uitgehaald en zich daar nu over verkneukelde. Achter of onder het vreemde gezicht lag een vage aanduiding van een bekend, bedrukkend gezicht, een gezicht dat de rust verstoorde: het gezicht van iemand die je ooit kwaad heeft gedaan?
Of omgekeerd, die jij een vergeten onrecht hebt aangedaan? Het was net een droom waarvan negen tiende weggezakt is en alleen het bovenste stukje nog uitsteekt.
Arjee Tselnik besloot al met al niet op te staan voor de bezoeker, maar hem hier te ontvangen, op zijn schommelbank op de veranda voor de ingang van het huis.
De vreemdeling huppelde en kronkelde haastig over het pad dat van het hek naar de verandatrap leidde, terwijl zijn kleine ogen onophoudelijk naar rechts en naar links schoten, alsof hij bang was voortijdig ontdekt te worden, of juist vreesde voor een woedende hond die hem elk moment kon bespringen uit het struikgewas van de stekelige bougainville die aan weerszijden van het pad groeide.
Het dunne, gelige haar, de rode hals waarvan het slappe, gerimpelde vel deed denken aan de krop van een kalkoen, de waterige, troebele ogen die heen en weer schoten als grijpgrage vingers, de lange chimpanseearmen, dit alles wekte een vage neerslachtigheid op.
Vanaf zijn verborgen uitzichtpost in de schaduw van de wijnranken merkte Arjee Tselnik op dat de man uit de kluiten gewassen maar enigszins wankel was, alsof hij net hersteld was van een ernstige ziekte, alsof hij tot voor kort een forse man was geweest en pas onlangs was ingezakt, verschrompeld in zijn eigen vel. Zelfs het zomerjasje dat hij droeg, een jasje met uitpuilende zakken en vuilbeige van kleur, leek te wijd, en hing slap om zijn schouders.
Hoewel de zomer al op zijn eind liep en het pad droog was, bleef de vreemdeling staan om goed zijn voeten te vegen op het matje onder aan de trap. Toen hij klaar was, tilde hij een voor een zijn voeten op om na te gaan of allebei de schoenzolen wel schoon waren. Pas toen hij gerust was, beklom hij de trap en bekeek aandachtig de hordeur boven aan de trap, en pas nadat hij beleefd een paar maal had aangeklopt en geen reactie had gekregen, verplaatste hij eindelijk zijn blik en ontdekte de huiseigenaar die in alle rust opdoemde op de schommelbank, omgeven door grote potplanten en varens in bloembakken in de hoek van het wingerdprieeltje, dat hemen de hele veranda beschaduwde.
Meteen toonde de bezoeker een brede glimlach en bijna maakte hij ook een buiging, en hij kuchte en schraapte zijn keel voordat hij een verklaring begon af te leggen: Een mooie plek hier bij u, meneer Tselkin! Verbluffend! Het is gewoon de Provence van de staat Israël! Wat zeg ik, de Provence?! Toscane! En uw uitzicht! Het bos! De wijngaarden! Tel Ilan is simpelweg het meest betoverende dorp in dit hele Levantijnse land. Bijzonder charmant! Goedemorgen, meneer Tselkin. Neemt u mij niet kwalijk. Ik hoop dat ik niet, toevallig, een beetje ongelegen kom?
Arjee Tselnik wenste hem droogjes eveneens goedemorgen, zei dat zijn naam Tselnik was en geen Tselkin, en gaf aan dat het hem speet, maar aan de deur werd niet gekocht.
U heeft helemaal gelijk! Volkomen gelijk! joelde de man terwijl hij met zijn mouw het zweet van zijn voorhoofd veegde, hoe kunnen we immers weten dat we van doen hebben met een verkoper en niet met een gewone oplichter? Of – je moet er niet aan denken – zelfs een misdadiger die het terrein komt verkennen voor een inbrekersbende?
Maar ik, meneer Tselnik, ik ben beslist geen verkoper. Ik ben wolf.
Wat?
Ik ben Wolf. Wolf Maftsir. Advocaat Maftsir van advocatenkantoor Lotem-Proezjinin. Heel aangenaam kennis te maken, meneer Tselnik. Ik kom bij u, meneer Tselnik, met een kwestie, hoe zullen we dat zeggen, of misschien is het beter als we helemaal niet proberen de kwestie te definiëren maar meteen ter zake komen. Mag ik misschien gaan zitten? Het wordt een min of meer persoonlijk onderzoek, niet persoonlijk van mij, o nee, met mijn persoonlijke zaken zou ik u immers nooit en te nimmer zomaar zonder voorafgaande kennisgeving durven lastigvallen. Wij hebben het weliswaar geprobeerd, werkelijk geprobeerd, telkens weer geprobeerd, maar uw telefoonnummer is geheim en op onze brief heeft u niet eens de moeite genomen te antwoorden. Daarom hebben we besloten ons geluk te beproeven met een niet van tevoren afgestemd bezoek, en wij verontschuldigen ons ten zeerste voor de inbreuk. Het is bij ons beslist niet gebruikelijk om inbreuk te maken op de privacy van de ander, zeker niet als die ander op de mooiste locatie van het hele land zit. Hoe dan ook, zoals gezegd, het is beslist niet alleen een persoonlijke zaak van ons. Nee, nee. Geenszins. Zo er al sprake van is, dan precies andersom: het gaat om, hoe zullen we dat subtiel formuleren, misschien moeten we het zo zeggen: het gaat om een persoonlijke kwestie van u, meneer. Een persoonlijke kwestie van u en niet alleen van ons. Juister gezegd, het betreft in feite uw familie. Of misschien de familie in het algemeen, en heel in het bijzonder één familielid van u, meneer Tselkin, één bepaald familielid. U heeft er geen bezwaar tegen als we even gaan zitten om erover te praten? Zal ik u dan beloven mijn uiterste best te doen ervoor te zorgen dat de hele zaak niet meer dan tien minuten in beslag zal nemen? Alhoewel, eigenlijk is dat immers uitsluitend afhankelijk van u, meneer Tselkin.
Arjee Tselnik zei: Tselnik.
En daarna zei hij: Ga zitten.
En meteen voegde hij eraan toe: Niet hier. Hier. Want de dikke man, of de voormalig dikke man, liet zich aanvankelijk vallen op de tweezitsschommelbank, precies naast de gastheer, hun dijen raakten elkaar. Een wolk van zware geuren omgaf als een gevolg zijn lichaam, geuren van spijsvertering, van sokken, van talkpoeder en van oksels. Over al die geuren was een dun net uitgespreid van scherpe aftershavelucht. Arjee Tselnik moest plotseling denken aan zijn vader, die ook altijd zijn lichaamsgeuren bedekte met een scherpe lucht van aftershave.
Zodra er tegen hem gezegd werd: niet hier, maar hier, stond de bezoeker op en zwaaide een beetje heen en weer, terwijl zijn apenarmen zijn knieën ondersteunden, en hij verontschuldigde zich en veranderde van plek en liet zijn achterste in de te wijde broek neer op de plek die hem werd aangewezen, op een houten bank aan de andere kant van de tuintafel. Het was een landelijke tafel van slechts voor de helft geschaafde houten planken, die leken op spoorbielzen. Arjee hechtte er belang aan dat zijn zieke moeder door haar raam deze bezoeker niet zou zien, onder geen beding, zelfs zijn rug niet, zelfs zijn schaduw niet tegen de achtergrond van het wingerdprieeltje. Daarom liet hij hem op een plek zitten die door het raam niet zichtbaar was.
Terwijl ze tegen de vettige voorzangersstem beschermd zou worden door haar doofheid.

[...]

Copyright © 2009 Amos Oz
Copyright Nederlandse vertaling © 2009 Hilde Pach

Copyright foto © Colin McPherson

Zie ook het dossier in De Groene Amsterdammer over Oz.

Uitgeverij De Bezige Bij

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum