Leesfragment: Fleur Bourgonje, Verdwijnpunt

05 september 2009 , door Fleur Bourgonje
| |

De roman Verdwijnpunt en de dichtbundel Hartenbeest hebben allebei het verdwijnen van geliefde personen als thema. Een van de verhaallijnen in Verdwijnpunt is de ontvoering van 30.000 mannen en vrouwen tijdens de Argentijnse militaire dictatuur (1976-1983). Zowel in proza als in poëzie probeert Fleur Bourgonje door middel van de taal verdriet en onmacht te bezweren en de doden tot leven te wekken.

Fleur Bourgonje vertrok in 1968 naar Parijs, en eind 1970 naar Zuid-Amerika. In 1980 keerde ze terug naar Nederland. Naast romans, verhalen en gedichten schreef ze twee libretto's. Voor haar hele oeuvre ontving ze de Betje Wolffprijs. De presentatie van Verdwijnpunt en Hartenbeest vindt plaats op donderdag 17 september a.s. van 18.30-20.00 uur bij Athenaeum Boekhandel in Amsterdam. In de aanloop daarnaartoe is nu al het eerste hoofdstuk van Verdwijnpunt te lezen.

 

Oktober 2007

Op de zolder van een tot atelier verbouwde schaapskooi in een dal van de Pyreneeën heb ik de afbeelding van een vrouw in het vuur gegooid. De stroom was uitgevallen door zware sneeuw hogerop in de bergen. Smeulende houtblokken vormden de enige lichtbron. Buiten het bereik van de steeds zwakker wordende gloed viel niets te onderscheiden van de zwarte achtergrond waarin ik twee kasten, het fornuis, een bed en het trapgat wist, geen olielamp of zaklantaarn, geen kaarsen. De mand naast de schoorsteen was leeg. Het laatste hout had ik verstookt in de roekeloosheid die hoort bij een verblijf in een omgeving waar takken voor het oprapen liggen en her en der onder een afdak tegen een schuur of woonhuis nog net draagbare, in blokken gezaagde boomstammen staan opgestapeld. In het laatste licht tastte ik de tafel en de muurplanken af van de ruimte die me, ook overdag, nog steeds vreemd was. Ik hoopte de hand te kunnen leggen op iets brandbaars, een doos of een kistje, een achtergelaten stapel tijdschriften, een telefoonboek, wat dan ook dat de vlammen zou doen oplaaien waardoor ik zicht kreeg, al was het nog zo kort, op de afstand tot het trapgat, op de plek waar mijn reisdocumenten en aantekeningen lagen, op de nacht die me in zijn plotselinge verlatenheid te wachten stond.

Het was doodstil, dat besef drong scherp tot me door. Alle nabije geluid was weggevallen. Wat te horen viel bevond zich op afstand, tussen de bomen en struiken op de flanken van de bergen, wild dat jankend, soms krijsend, alleen of in een roedel een heenkomen zocht. Maar het was ook in mijn hoofd. In de buurt van de slapen hoorde ik het ruisen van mijn bloed in een pulserend ritme, een steeds hogere toon, almaar intenser. Het was geen angst, dat wat mijn hart sneller liet kloppen, het was onrust. Blijf kalm, zei ik alsof er iemand naast me stond die me niet los durfde te laten, dit kan lang duren, kalmte is de beste gemoedstoestand als je iets overkomt wanneer je alleen bent, met paniek verlies je de greep op je denken en handelen, op jezelf.

Terwijl ik in het wilde weg stond te praten was het vuur zo goed als gedoofd. Ik moest in beweging komen, niet stil staan staren naar wat verdween. Schuifelend bewoog ik me in de richting van de voorste kast en liet mijn handpalmen over de schappen glijden. Het lawaai waarmee de glazen op de vloer vielen was in het donker oorverdovend. Nu moet je oppassen voor de scherven, zei ik weer tegen mijn denkbeeldige gezelschap, voor je het weet zit je onder het bloed en waarmee moet je het stelpen als alles onvindbaar is, je kunt zoveel verliezen dat je licht in je hoofd wordt en duizelt, pas toch op jij, zolang de stroomuitval duurt komt hier geen sterveling langs of het zou een verkleumde herder moeten zijn, of een hond die vlees ruikt.

Papier, dacht ik. Alle papier, alles behalve de aantekeningen voor het manuscript, is goed. Als het vuur maar oplaait, als ik maar kan zien wat de vaste punten op de zolder zijn en hoe groot de afstand ertussen is. Als ik maar een soort plattegrond in m’n hoofd heb. Schuifelend bewoog ik me in de richting van het aan recht. Waarom heb je niet beter gekeken, waarom had je geen aandacht voor de plek van de dingen, voor de dingen zelf, voor de logica in hun ordening; dat verweet ik mezelf. Ik weet niet meer of ik hardop bleef praten of in gedachten zei dat ik vanaf de eerste dag alleen oog had gehad voor de plek waar ik zou gaan zitten schrijven, voor de lichtval en het uitzicht, en dat de rest van de schuur, op de open haard na, me onverschillig liet.

Mijn handen gleden over het aanrecht met een uitzonderlijke gevoeligheid, het was alsof ze elke centimeter aftastten op de mogelijkheid van licht. Misschien raakten ze een doosje lucifers, of een aansteker, een kaars, maar het kon ook gebeuren dat ze in een mes grepen, in het vlijmscherpe mes waarmee ik ’s middags een ui en wortels in stukken had gekliefd. Voorzichtig, voorzichtig, maande ik, een stroomuitval bij nieuwe maan brengt in een dal in de Pyreneeën veel meer teweeg dan doodse stilte en zwarte duisternis, het gevaar om in scherven te trappen bijvoorbeeld, of een vleesmes bij het lemmet beet te pakken, of een trapgat voor vaste grond onder de voeten aan te zien.

Papier, dacht ik weer, desnoods een wandelgids van de omgeving, een woordenboek. Om me heen hing de vreemdheid van de zolder. Had ik maar beter gekeken. Had ik de ruimte maar scherp in me opgenomen voor ik de tafel op de plek met uitzicht op de bergen schoof en mijn schrijfattributen rangschikte op de manier van thuis, volgens het ritueel van thuis, om de woorden van thuis op te kunnen pakken en ze op mijn geheugen los te laten. Had ik direct na aankomst de afstand van de schouw tot het bed maar met grote stappen opgemeten, stappen zoals aannemers of gealarmeerde dijkbewakers die zetten en zich nauwelijks vergist blijken te hebben als later ter precisie de meetlat erbij wordt gehaald. Ik wist dat er in de nok van het dak vleermuizen zaten. Waarom zou ik van vleermuizen houden als ze in de schemering of in het donker plotseling langs je hoofd scheren, je haar raken, zich erin kunnen verstrikken, en waarom zou ik meeleven met de ratten waarvoor de vorige bewoner in de hoeken gif had neergezet omdat ook hij ze niet in het donker om zich heen wilde hebben? Licht, dacht ik, is alles; geen wonder dat ’s nachts het angstaanjagende vrij spel heeft en de verdrongen spookbeelden het bewustzijn binnendringen alsof ze daar thuishoren.

Opeens waren er de kranten. Ergens in de leegte stuitten mijn handen op een grote stapel kranten die door de vorige huurders waren achtergelaten. Opgewonden maar toch nog voorzichtig nam ik er zoveel mogelijk in mijn armen en schuifelde terug naar het vuur dat ogenschijnlijk gedoofd was. Ik begon pagina voor pagina boven de al bijna verkoolde stronk te houden tot het papier vlam vatte en in een oogwenk een wonderbaarlijke hoeveelheid licht verspreidde. Ik haastte me terug naar de stapel en liet tegelijkertijd mijn blik over de zolder gaan, van de tafel naar het bed en van het bed naar de trap, hield opnieuw pagina’s boven de vlammen, behoedzaam, alsof ik goud ging smelten. Het leek geluk, die overvloed aan licht, hoe kortstondig ook. Een voor een hield ik de losse pagina’s van de Franse en Nederlandse kranten tegen het papier dat lag te branden. Ik zag de wereldpolitiek in vlammen opgaan, daarna het regionale geharrewar, het al dan niet loslaten van beren in een gebied waar ze volgens de ene partij van oudsher thuishoorden en volgens de andere niet, daarna werd in de zoveelste l’Indépendant de voetbalclub van het dichtstbijzijnde dorp in de as gelegd, wat mij de tijd gaf te lezen hoeveel everzwijnen er die maand door de jagers van de streek waren neergeschoten en hoe heilzaam voor het natuurlijk evenwicht dat was. En in de zoveelste Volkskrant dreigde een kabinet te vallen door ondeugdelijke beslissingen van een minister. De stapel werd kleiner en kleiner, toch begon mijn onrust te wijken. Want ik wist waar de dingen zich bevonden, ik had de lengte en breedte van de ruimte geschat en zag hoe ver het bed van het trapgat af stond. Met trage gebaren verbrandde ik katern na katern en las ondertussen flarden van de artikelen en annonces voor ze in rook opgingen.

Tot ik van een van de laatste en oudste kranten de laatste pagina met de voorlaatste wilde aansteken. Ik hield hem horizontaal om de vlam precies in het midden van de onderste marge met het papier in aanraking te brengen. Waarom weet ik niet, misschien leek het me een mooie afsluiting van het magische ritueel dat me voor even zicht in het duister had gegeven. In de smalle strook aankondigingen aan de rand van de kunstpagina stond een schilderij afgebeeld met eronder de plaats en tijd van een tentoonstelling. Naast de tekst was ook een foto van de schilderes afgedrukt. Een vrouw van mijn leeftijd. Dat stond er niet bij, dat wist ik. Ik wist op de dag af hoe oud ze was, ik wist hoe ze heette nog voor ik haar naam las. Wat ik niet wist was dat ze nog leefde. Decennialang had ik haar dood gewaand. Ze was weg. Spoorloos verdwenen.

Ik had naar haar gevraagd, naar haar gezocht. Ik had haar zien lopen terwijl ze het niet was. Ik had haar in een vertrekkende trein zien zitten en was erachteraan gerend, ze was een vreemde. Ik had achter mijn rug een onbekende met háár stem horen lachen en praten, en in een impuls had ik me naar haar omgedraaid. Tijdens concerten had ik haar op de voorste rij zien zitten en ook in bioscopen meende ik haar profiel soms tussen het publiek te zien. Het was altijd een ander. Ten slotte had ik afscheid genomen door haar zo ver mogelijk van me vandaan te schrijven. Verzwaard met mijn verhalen en gedichten had ik haar een rivier in laten lopen en tussen wier, schroot en overboord gegooid afval op de bodem neergelegd.

De vlam bereikte haar handen, kroop over haar borst naar haar keel, schroeide het wit geworden golvende haar. Ik zag haar ineenkrimpen, het was of mijn vuur haar pijn deed. Ze leek zich vast te klampen aan de vouw in de krant maar moest haar poging opgeven in de verzengende hitte ongeschonden te blijven. Haar gezicht begon te verschrompelen. De mond verwrong. De ogen die, dat wist ik, de kleur van leisteen hadden, keken me aan voor ze blindelings in elkaar opgingen. De letters die het bewijs vormden van haar bestaan, verpulverden. En als laatste verdween het schilderij, eerst de lijst, daarna de streng geometrische figuren met daarin het ongeremde: dierenkoppen, wildgroei. Een schildering zoals ik van haar kende. Alsof ze al die jaren hetzelfde met zich mee had gesleept.

In een oogwenk namen de gevolgen van de stroomstoring weer bezit van het atelier, dat nu nog zwarter en stiller leek dan tevoren. Ook buiten was het stil, het wild had kennelijk beschutting of warmte gevonden. Maar in de buurt van mijn slapen zwol het suizen aan tot het geluid dat kleine bergbeken maken op plaatsen met bruusk verval. Aan dat geluid was een nacht lang niet te ontkomen. Met kleren aan heb ik me op het bed laten vallen in de hoop dat een droomloze slaap me zou overmeesteren. Maar ik bleef klaarwakker. Wat ik me herinner is dat ik haar in de donkerte steeds op haar rug bleef zien, van me vandaan lopend, in een willekeurige richting. Er was geen achtergrond, het had overal kunnen zijn. Haar gang viel me het meest op, het was de slepende tred van een vrouw die ergens naartoe gaat waar ze niet wil zijn maar die geen keus heeft, een soort lopen dat verzet uitdrukt waar niets mee wordt gedaan en waar geen woord over wordt gezegd, een machteloosheid die alleen tot uiting komt in de lengte en de duur van de passen: ze sleepte niet alleen het onderwerp van haar schilderijen maar ook zichzelf voort. Ze wás haar onderwerp. In toom gehouden wildgroei. Strak omlijnd dier.

De zon kwam al op van achter de bergen en de zolder begon zijn vormen terug te krijgen toen zij eindelijk verdween. Voor ik insliep zag ik vanuit mijn bed de tafel met de paar stoelen, de kasten met de planken, de schoorsteen met verkoold hout en as, op het aanrecht resten van het avondeten en op de kleine werktafel voor het zolderraam het enige waarmee ik vanuit Amsterdam naar de schaapskooi in de Pyreneeën was gekomen: mijn zakagenda van 1976 en het weerbarstige, niet op gang komende manuscript over iets wat in dat jaar gebeurde, aan de andere kant van de wereld, met een heel andere vrouw.

Uitgeverij De Arbeiderspers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum