Leesfragment: Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven I. De vroege jaren 1923-1962

27 oktober 2009 , door Nop Maas
| | |

Ruim 60 jaar na De avonden en ruim drie jaar na diens dood, verschijnt het eerste deel van de indrukwekkende, driedelige biografie van literair historicus en Reve-kenner par excellence Nop Maas. In dit eerste deel wordt een schat aan nieuwe informatie over Gerard Reve's veelbewogen leven voor het eerst openbaar: over zijn jeugdjaren; de oorlogsperiode; zijn huwelijk met de dichteres Hanny Michaelis; de worsteling met zijn homoseksualiteit, zijn communistische verleden en de godsdienst; de achtergronden en de vaak moeizame totstandkoming van zijn werk. Ook wordt zijn 'Engelse periode' in de tweede helft van de jaren vijftig voor het eerst tot in details geopenbaard. Vannacht mogen we een fragment over Reves vriendinnetje Tine in 1941 en 1942 laten lezen.

Zaterdag 7 november om 17.00 uur houdt Nop Maas een lezing over de totstandkoming van het eerste deel van zijn Revebiografie: Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. De vroege jaren 1923-1962 bij Athenaeum Boekhandel Haarlem.

 

Gerard Reve’s vriendin in de oorlogsjaren

Op 3 september 1940 vervoegde Gerard Kornelis van het Reve zich op het Vossiusgymnasium voor herexamens Engels en wiskunde. Omdat hij in de vakantie niets had uitgevoerd, zakte hij en kreeg hij geen toegang tot de vijfde klas. Zijn ouders namen hem van school en stuurden hem vervolgens naar de Grafische School in de Dintelstraat te Amsterdam. Reve volgde eerst de opleiding tot letterzetter en stroomde daarna door naar de ‘patroonscursus’: de cursus bedrijfsleiding in de grafische sector. Het beviel Reve maar matig op de nieuwe school. In juli 1943 verwierf hij het diploma. Vlak voordat hij examen deed, kreeg hij een Ausweis, waarin verklaard werd dat hij volgens voorschrift voor de arbeidsinzet ingeschreven was, maar dat hij met toestemming van het Gewestelijk Arbeidsbureau als leerling bij de Amsterdamsche Grafische School werkzaam was. Zo kon hij aan de Arbeitseinsatz van de Duitse bezetter ontkomen.

Zolang Duitsland en Rusland nog niet met elkaar in oorlog waren, hadden de communisten – dus ook het gezin Van het Reve – maar beperkt last van de bezetter. De kentering kwam toen begin 1941 de razzia’s tegen joden begonnen en toen op 22 juni 1941 de Duitse legers Rusland binnentrokken. Vader Van het Reve, in communistische kring bekend onder zijn pseudoniem Vanter, dook onder en ook de andere gezinsleden verbleven tijdelijk elders. Gerard vond in juli en augustus onderdak bij familie van zijn vader in Enschede. Daar ontmoette hij bij oom Gerrit van het Reve de zus van diens vrouw Fennie. Gerard raakte halsoverkop verliefd op Tine Fraterman, die op haar beurt onder de indruk was van hem – vooral van zijn stem ‘als een bronzen klok’, zoals hij steeds trots vermeldde. Diverse familieleden probeerden hem haar ‘aan te smeren’, maar zij had op dat moment al een vrijer, op wie ze echter al niet meer zo gesteld was. Toen ze het voor de vierde keer, en nu definitief, uit had gemaakt met deze Hans, nam ze eind februari 1942 per brief contact op met Gerard. Ze had vaak aan hem gedacht. Gerard schreef terug dat hij ernstiger geworden was en dat hij verkering met haar wilde. Als ze met haar familie naar Amsterdam kwam, zou hij haar meenemen naar Artis. En hij bood aan een gedicht voor haar te maken. Hij sloot postzegels voor antwoord bij. Tine vroeg zich af of Gerard haar wel genoeg kende om het iets tussen hen te laten worden en of het leeftijdsverschil niet te groot was. Tine Fraterman werd geboren op 6 september 1920 en was dus ruim drie jaar ouder dan Gerard. Haar vader was een communist, wiens groentewinkel mede failliet ging omdat hij zijn overtuiging actief uitdroeg. Begin 1942 zat hij gevangen in Duitsland wegens verzetsactiviteiten. Na haar schooltijd (lagere school, even de hbs en daarna huishoudschool en wat cursussen in talen en steno) werkte Tine als hulp in de huishouding, als winkelmeisje en als verpleegster.

In Gerards tweede brief verklaarde hij Tine zijn liefde. Zij reageerde op 3 maart positief, in een per expresse verzonden brief: ‘We hebben dus niet voor niets veel aan elkaar gedacht. Jij hebt mij dus lief. Nu, ik kan je wel zeggen dat ik het heerlijk vind dat te weten. Weet van mij, dat ik veel van je houd en leer mij jouw lief te hebben, dat kun je, ik voel het duidelijk. Als je op deze grondslag wilt beginnen dan is het met ons aan.’ Voor het gedicht dat hij haar gestuurd had – en dat helaas niet is overgeleverd – had zij geen woorden: ‘Jij hebt ’t zó midden uit mijn hart gegrepen dat alle lof belachlijk zou lijken als ik ’t probeerde nu in woorden om te zetten.’ Even later stuurde hij haar ook ‘Het bevel’, een anti-Duits en pro- Russich gedicht, dat door haar moeder in de kachel werd gegooid, omdat ze het te ‘gehaaid’ vond het in huis te hebben.

Ongeveer half maart reisde Gerard naar Enschede om zijn geliefde op te zoeken. Terug in Amsterdam lichtte hij zijn moeder in over de verkering. In een ongedateerde brief die hij in het voorjaar van 1942 aan zijn vertrouwelinge Nanny Aberson stuurde, schreef Vanter, nadat hij op zijn onderduikadres bezoek ontvangen had van Karel en diens vriend David Koker: ‘Gerard is terug van een reis naar Twente. Voor één gulden met een autobus. Maar op school waren weer kolen en hij moest dadelijk weerom. Hij stuurde een... telegram aan zijn moeder. “Kom Maandagavond thuis.” En hij heeft ginds een meisje. Ze is 21 jaar en verft haar lippen. Zijn moeder zit er over in, maar ik lach. Als hij bij mij komt zal ik hem vragen: En hoe is het met je bruid? Hij is helemaal gek teruggekomen, zegt zijn moeder. Maar het is niet erg, ik heb het ook, ik hou ook van meisjes, nog steeds, en ik ben al haast vijftig. Zou hij dan niet? Hij is toch al achttien? – Thuis spreekt men er niet over. “Iedereen vermijdt het tactvol,” zegt David. En we lachen.’ Begin april, met Pasen, kwam Tine ruim een week naar Amsterdam. Waarschijnlijk zochten zij en Gerard ook Vanter op, want even later, op 13 april 1942 liet deze zich tegenover Nanny Aberson weinig flatterend uit over de beminde van zijn zoon: ‘Mijn vrouw was de hele avond merkwaardig opgewonden, ze vertelde van Gerard en zijn meisje, blijkbaar omdat ze de verantwoordelijkheid met me delen wil; alsof je op zulke dingen invloed zou kunnen uitoefenen! [...] Wat mijn “schoondochtertje” betreft, dat is een vrij onbenullig meisje, dunkt me. Een mager spichtig ding. De jongelui zijn overigens zeer verliefd. Maar dat moet ook in zo’n geval, anders is het geen aardig spel. Ernstig te nemen lijkt me het geval vooralsnog niet; ik zal met mijn vrouw niettemin ernstig praten en de last der verantwoordelijkheid als het kan van haar afnemen.’ Vanters toon over Karels vriendinnen Frederika Samson en Tini Israël was bepaald anders.

De relatie ontwikkelde zich in eerste instantie vooral op papier. Hij stuurde haar gedichten van zichzelf en van Heine. Genadiglijk gaf ze hem toestemming haar als ‘Konijn’ aan te schrijven, hoewel dat de bijnaam was van Gerards eigenaardige oom Henk van het Reve. Dat was niet de enige dierennaam die hij gebruikte. Zij had een voorkeur voor de aanspreking ‘diepoog’. Voorzover dat op te maken is uit de brieven van Tine – de briefwisseling is slechts eenzijdig bewaard gebleven – was Gerard geen macho vol zelfvertrouwen. Hij vond zichzelf lelijk en was bang dat zijn gevoeligheid (herinneringen die opkwamen bij bepaalde geuren) hem als week, sentimenteel en onmannelijk stempelde. Hij nam zich voor om bij een volgende stationsscène minder verlegen te zijn en zijn meisje te zoenen alsof er geen andere mensen in de buurt waren. Zonder daaromtrent in details te treden schreef hij haar over sombere buien. Daartegenover stond dat hij in zijn brieven onomwonden rapporteerde over zijn winderigheid en schreef dat hij haar brieven las op de plee. Zij schreef: ‘Jij laat maar gerust winden hoor mispunt, je hebt het altijd over winden en “de plee”. Foei! Ik neem het je helemaal niet kwalijk als je winden moet laten.’ Hij gebood haar in haar brieven ‘ik heb je lief’ te vervangen door ‘ik houd van je’. Zij kapittelde hem, omdat hij schreef: ‘Geen meisje kijk ik meer aan al hebben ze ook nog zulke lekkere benen.’ Toen het net een paar maanden ‘aan’ was, correspondeerden ze al over hun toekomstige kind als over ‘Jozef’, en stond zij doodsangsten uit dat het een meisje zou worden. Maar als het een meisje werd, mocht het wèl, naar Gerards moeder, Janetta Jacoba heten, ook al vond Tine dat geen mooie naam. Tine stal bij haar moeder aardappelbonnen om ze naar Amsterdam te sturen.

Een curieus incident deed zich voor in mei 1942. Tine’s ex-vriend Hans Derveling liet haar niet met rust en kwam haar elke zaterdag vragen of ze met hem wilde wandelen. Omdat ze dat steeds weigerde, begon hij praatjes over haar te verspreiden in haar familie. Op een bepaald moment is haar moeder aan een van haar zussen ‘de waarheid gaan vertellen’, inhoudende ‘dat H. Derveling nog aan zelfbevrediging doet, zoals hij mij zelf verteld heeft en waar hij nu onderuit wil. Die zuster heeft dat natuurlijk weer aan H. Derveling zijn moeder verteld met het gevolg dat die het hem heeft voorgehouden. Daarom was hij er vandaag weer en heeft hij mij uitgescholden. Fenny heeft hem de deur uit gegooid.’ Derveling wilde dat zijn ex-vriendin haar woorden binnen een week terugtrok. Zij vreesde dat hij haar anders zou gaan belasteren bij Gerard. Het moet Reve merkwaardig te moede zijn geweest, toen hij dat las. Aangenomen mag worden dat hij een enthousiast beoefenaar van het zelfbevredigen was.

De karakters van de beide gelieven stemden niet geheel overeen. Zo viel het Tine Fraterman op dat Gerard steeds maar wilde weten hoe andere mensen over hem dachten – iets wat haar zelf helemaal niets kon schelen. En terwijl zij de toekomst vrolijk tegemoet zag, liet Gerard haar weten dat zijn zelfkennis hem niet optimistisch stemde.

Eind juni 1942 werd bekend dat vader Fraterman in het concentratiekamp Neuengamme om het leven was gekomen. Zijn dochter herdacht hem in een brief aan Gerard als een goed en zachtaardig man, edel en zelfopofferend: ‘Ik kan maar met één ding zijn lief wezen vertolken; Hij was Communist. Niet veel zijn er. Wel velen proberen het te zijn.’ Haar troost ontleende ze aan ‘onze grote zaak’.

Tine Fraterman was dol op alles wat kunst was, maar haar passie was de muziek. Ze had een mooie stem – een lyrische sopraan –, maar om op het conservatorium te komen ontbrak het aan geld en de vereiste vooropleiding. Zoals het een verliefde jongeman betaamde, wilde Gerard zijn geliefde helpen met het verwezenlijken van haar droom. Hij gaf onder andere wat bijlessen, bijvoorbeeld aan Hans Bobrownitzki, de oudste zoon van ‘de familie Boslowits’.

Zij kwam naar Amsterdam en trok aanvankelijk in bij de familie Van het Reve. Tine Fraterman: ‘Ik kwam met Gerard aan in Amsterdam met de trein en tante Net zei: “Kind, ik heb geen logeerkamer, je moet bij Gerardje slapen.” Ik zei: “Dat is geen punt; dat kan mij niets schelen.” ’ Mogelijk was het naïveteit van moeder Van het Reve – volgens haar jongste zoon was ze preuts en kreeg hij zijn seksuele voorlichting op straat –, maar in ieder geval werd zo de kat uitbundig op het spek gebonden. Toch duurde het nog geruime tijd voor het tot seksueel contact kwam. In Gerards kamer stond niet veel, volgens Tine. Het was een soort pijpela. Als je binnenkwam, stond rechts een grote tafel met paperassen en leuke kleine beestjes. Ze herinnerde zich een klein konijntje dat zo nu en dan geliefkoosd werd. Links stond het bed. In haar herinnering hing er niets aan de muur.

Al snel ging Tine werken in de huishouding. Intussen zette Gerards schoolvriendin Stien Amende zich in om haar voor te bereiden op het toelatingsexamen voor het conservatorium. Tine Fraterman was een knappe verschijning, die met de zorg voor haar uiterlijk een ietwat wuft en werelds element in het gezin bracht. Zelf zei ze achteraf: ‘Ik was een flierefluiter en werd als oppervlakkig versleten.’ Gerard informeerde ietwat bezorgd of het haar in eerste instantie om uiterlijk schoon ging, of om het innerlijk. En wat zou er gebeuren als hij tezijnertijd humeurig, dikbuikig en kaalhoofdig zou worden? Nu, daar zag zij niet tegen op. Als haar man maar een ‘vlot, geestig en kwiek type’ was en geen slome duikelaar. Of er sprake was van intellectueel contact, is de vraag. Opvallend is dat in een lofrede van Tine op Gerard, die ze op een briefje schreef met het opschrift ‘Niet lezen!’ louter sprake is van zijn uiterlijk:

‘Je ogen zijn me ’t dierbaarst.
Je mond is heerlijk om te kussen omdat hij zo warm en zacht is en zo
heerlijk trilt vaak.
Je wenkbrauwen zijn de manlijkste die ik ooit gezien heb.
Je haren zijn heerlijk.
Je neus is mijn man’s neus.
Je gestalte is, om tegen aan te liggen en te strelen.
Zo ben jij.’

Mit Musik durch’s Leben

Met Tine Fraterman kwam de muziek in Gerards leven. De muziekcultuur in huize Van het Reve behelsde niet meer dan de liefde voor populaire wijsjes. Vanter vroeg zijn schoondochter in spe steeds om het oud-Nederlandse liedje ‘Daar was een sneeuwwit vogeltje’ ten gehore te brengen. Van klassieke muziek hadden ze even weinig idee als van beeldende kunst.

Volgens Tine Fraterman bezat Gerard al een gitaar, die hij niet onverdienstelijk bespeelde. Reve zelf herinnerde zich ruim een halve eeuw later dat hij alleen maar een beetje kon begeleiden. Samen met haar studeerde hij Russische en Joodse liedjes in. Terwijl hij haar de liefde voor Heine bijbracht en haar voorlas uit de Nederlandse vertaling van Winnie the Pooh, liet zij hem kennismaken met de liederen van Schubert, waaraan hij ‘verslaafd’ raakte. Tijdens de viering van Gerards verjaardag op 14 december 1942 bracht Tine voor het eerst de twee Russische liederen ten gehore die ze samen hadden ingestudeerd. Moeder Van het Reve bakte appelbeignets in een koekepan; terwijl de uit Twente overgekomen moeder Fraterman haar dochter een jas van haar overleden man toezegde, waaruit een mantelpakje gemaakt kon worden. Een kleine smet op de avond was de ‘z.g. wijn, die ze moeder hadden aangesmeerd. Het was wel lekker maar niets anders dan een zoet vruchtenstroopje en ze was erg verontwaardigd.’ Van Tine kreeg hij een ‘echt stel bretels van echt prima elastiek’: ‘Hoe is het mogelijk. Wat zal ze ervoor gedraafd hebben. En ze is in mijn kamer weggekropen omdat ze bang was dat het niet goed was maar mijn oude bretels waren helemaal op en toen ik haar dat vertelde schepte ze weer moed.’ Vanwege de duizelingwekkende financiële perspectieven overwoog Gerard om in de zwarte handel te gaan: ‘In levensmiddelen vind ik wel wat beschamend, maar waarom niet in tabak, sigaretten, actetassen, electr. scheerapparaten? Wie dat koopt moet het maar weten.’

Verjaardagen en sinterklaas werden ook in de oorlogsjaren gevierd in het gezin Van het Reve. Van Sint Gerard kreeg Tine Fraterman, omdat ze piano moest studeren in een onverwarmde ruimte, een keer zelfgemaakte pantoffels kado, grote schuiten gevuld met watten en van buiten met rood geborduurd.

Een aardig incident deed zich voor toen ze met hun tweeën met de trein naar Gouda gingen, waar Vanter ondergedoken zat. Gerard had zijn gitaar bij zich, speelde daarop en zong erbij. Ondanks haar protesten tartte hij het gevaar door het negentiende-eeuwse vrijheidslied ‘Die Gedanken sind frei’ te zingen. Het eerste couplet daarvan luidt:

Die Gedanken sind frei,
Wer kann sie erraten,
Sie fliehen vorbei
Wie nächtliche Schatten.
Kein Mensch kann sie wissen,
Kein Jager erschiessen
Mit Pulver und Blei
Die Gedanken sind Frei!

Volgens Tine was het levensgevaarlijk wat hij deed. Steeds meer mensen kwamen er omheen staan. Het was zo leuk omdat hij een goede stem had, een bariton of een bas-bariton, een &slquo;donkerbruine stem&srquo zei Gerard zelf. Tine Fraterman: ‘Als ik die stem had kunnen vormen, had hij absoluut kunnen zingen.Echt muzikaal was hij niet. Het ging niet verder dan het ten gehore brengen van mopjes.

Verder had ze veel plezier met Gerard. Tante Net en zij lagen dubbel toen Gerard haar de opdracht gaf een menuet te fluiten, waarbij hij danste op zijn tenen, slechts gehuld in hemd en onderbroek en beurtelings de rechter. en de linkerbroekspijp optrekkend. Hij had een veel gevraagde imitatie van Hitler op zijn repertoire. Ook toen al had hij een min of meer vast bestand van staande uitdrukkingen. Als hij zich voorstelde, zei hij, met een verwijzing naar een boektitel van Jules Verne: ‘Ik ben Gerard van het Reve, koerier van de tsaar&srquo. Of, verwijzend naar een schoensmeerreclame: 'Ik ben Erdal en ik glim als de pest&srquo. Toen Tine op zichzelf woonde, kreeg zij, net als later Hanny Michaelis, de opdracht om Bach te gaan spelen als er gebeld werd, om te laten zien dat ze niet van de straat waren. Als een bezoeker vertrok, legde Gerard de hand op diens hoofd en sprak: &squo;Ga met God.&srquo Tine Fraterman interpreteerde dit louter als spot met het geloof en niet als een symptoom van religieuze belangstelling. Ook van homoseksuele of sadistische belangstelling is haar in die tijd nooit iets gebleken: &squo;Hij deelde wel eens een tik uit. Dat nam je niet en dan gaf je een tik terug en zat je elkaar achterna. Dat was deels gespeeld, deels ernst. Er was veel humor. Als iemand iets zei, zei hij dat dat een goed standpunt was maar dat het tegenovergestelde misschien ook wel waar was. Uiteindelijk wist je niet meer wat hij nu bedoelde. Tine Fraterman maakte niet onverdienstelijke geetste portretten van Gerard en zijn ouders. De etsen werden afgedrukt op de Grafische School. Ze haalde hem daar vaak af. Volgens haar had hij daar geen vrienden.

In haar herinnering hielden ze zich vooral met elkaar bezig. Ze hadden wel een aantal kennissen die ze bezochten, veelal Joden. Bijvoorbeeld de familie Koker waar ze met zekere regelmaat langsgingen totdat ze opgepakt werden. Ze herinnerde zich dat vader Koker een keer opendeed met verschrikkelijke angst in de ogen – want het konden ook de Duitsers zijn die aanbelden. Verder bezochten ze Shelly en Sal Kolenbrenner met hun kindje en mevrouw Bobrownitzki – haar man lag toen met syfilis in het ziekenhuis. Ook kwamen ze bij de partijgenoten Koejemans en bij een zekere Soshana, die op een zolder woonde en die naar Palestina wilde.

Uitgeverij Van Oorschot

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum