Leesfragment: Heer en meester, een liefdesverklaring

27 november 2015 , door Edith Ringnalda
| | |

Afgelopen 12 juli overleed Simon Vinkenoog, schrijver, dichter, vrijdenker. Zijn echtgenote Edith Ringnalda schreef een boek over en voor hem: Heer en meester, een liefdesverklaring. Komende week komt het boek, dat bij Nijgh & Van Ditmar zal verschijnen, in de winkel, vannacht kunt u al de eerste pagina's lezen.

Toen schrijver Simon Vinkenoog en Edith Ringnalda elkaar in 1987 ontmoetten, was zij op een hoogtepunt in haar leven en hij op het dieptepunt. Zij gaf haar carrière op, omdat zij besefte: als ik dan De Grote Liefde mag meemaken, dan wil ik die ook ten volle beleven! Niet later spijt hebben dat ik niet genoeg van deze man heb genoten.
In leeftijd scheelden zij een generatie en het lag voor de hand dat hij eerder zou gaan dan zij. Toch kwam zijn einde geheel onverwacht.
Vanaf het moment dat haar geliefde voor een beenamputatie in het ziekenhuis moest blijven, greep Edith Ringnalda de pen. Toen ze begon, kon zij niet bevroeden dat het zou eindigen met de dood. Ook wist zij niet dat dit een boek zou worden dat een nieuwe levensfase zou inluiden, van een leerling die meester is geworden.

Heer en meester is een liefdesverklaring aan Simon Vinkenoog, aan de Liefde, aan het leven zelf. De laatste dertig dagen van een droompaar, levend op de hoogvlakte van het geluk.

Bezoek ook de website van Edith Ringnalda, en bekijk ook de aflevering van Spraakmakers (Het Gesprek) waarin Theodor Holman haar spreekt over het boek.

Woensdag 10 juni 2009 – 23.30 uur
Het verbond van de Liefde begint pas echt te tellen als het zwaard van Damocles gevallen is. Lopen was voor Simon al jaren een kwelling – dichtgeslibde aderen in de benen lieten bloed noch zuurstof toe – en in maart was het mis: Simon kreeg een ijskoud rechterbeen; de kunststof bypass die de boel nog een beetje op gang hield had het begeven. Toen hij wonden aan zijn rechtervoet kreeg die niet meer wilden genezen, wisten wij dat de alarmfase was ingetreden.
Vanmiddag kregen we in het ziekenhuis te horen: ‘Blijft u maar hier; volgende week opereren!’ Dan blijk je plotseling een spoedgeval te zijn en komt het verwachte toch nog onverwacht. Always expect the unexpected is een van Simons geliefde slogans. In afwachting van dit bezoek aan de vaatchirurg — ja, wij zijn nette mensen, we hebben lijdzaam afgewacht — had de huisarts al talloze pijnbestrijders voorgeschreven, maar de bijverschijnselen waren soms ronduit verschrikkelijk. Niets hielp, behalve marihuana.
‘Zo het is, is het goed’ was de mantra waarmee Simon de moed erin hield, zijn hele leven al, ooit doorgekregen van tante Jo, een honderd jaar oud geworden waarzegster. Nu daarin blijven geloven. Gisterenmiddag keek hij vanuit ons tuinhuis naar buiten, op ons karavanseraibed gezeten. Zijn ogen zagen de bomen, zijn totem der onnutte dingen, de wolken en de zon. Zo’n tedere man, zo’n heer, dacht ik.
Simon wilde alles met mij delen: mensen, kennis en ervaring, dus ook pijn. Ik kan goed met pijn omgaan — dat heb ik van mijn vader — maar kon niet weten hoe gruwelijk de pijn was die Simon had. Ik vond hem overdrijven, soms, maar dat deed hij niet. Hij heeft zich groot gehouden, zo groot mogelijk.
Vanochtend zei onze dermatoloog die de voetwonden inspecteerde met een bedenkelijk gezicht: ‘Er zijn maar twee echt helse pijnen: kiespijn en deze; daar kan geen kanker tegenop.’ Zijn mening bereidde ons voor op wat we ’s middags zouden horen: amputatie. Dat bevestigde wat we zelf al vermoedden. Klap in mijn gezicht — ik voel hem nog, want mijn tranen springen tevoorschijn — was de uitspraak van de vaatchirurg dat een kunstbeen of prothese voor Simon geen haalbare kaart meer was: ‘Daar hebt u op uw leeftijd de kracht niet meer voor.’ Simon en ik keken elkaar aan en zeiden: ‘Wij wel!’
Ik zit hier te schrijven in ons tuinhuis op onze volkstuin Buitenzorg.
Mijn eerste gedachte was dat ik hier niet alleen zou willen wonen, maar toen ik toch vanavond terugging, voelde ik dat ik hier hoor in dit seizoen. Ik zou tegen de stadse muren opvliegen, omdat het ’s avonds om tien uur nog licht is. Ik wil buiten zijn in de zomer.
Nu is het 00.15 uur. Ik werd opgeschrikt door vallend metaal en deed meteen de gordijntjes opzij. Niets, niemand, een kat of rat. Het is wennen alleen. Samen ben je zo oersterk! Ja, het partnerschap willen wij uitdragen. Toen meende ik voetstappen te horen, weer gordijntjes opzij: wat ziet ons terras er mooi uit met de kaarsverlichting schijnend vanuit ons huisje.
De grote lamp heb ik aangedaan om nu te kunnen schrijven. ‘Ik ben niet bang, voor niets en niemand. Ook niet voor de toekomst,’ zei ik tegen vriend Peter Warnaar, die ik als eerste opbelde om afspraken af te zeggen.
Het regent hier buiten, behoorlijk hard, dat veroorzaakt onverwachte geluiden. The unexpected. Zijn we er klaar voor?

Een op een waren we, nu is hij een op tien, op de afdeling in het ziekenhuis. Ook voor hem is dat wennen. Fijn en niet fijn. Alle pijn uit kunnen jammeren, waar ik niet altijd tegen kon, maar daar mag het.
Mijn twijfel: een chirurgisch huzarenstukje — met stukjes aan elkaar genaaide eigen aderen uit zijn armen, nog één keer een bypass in zijn rechterbeen proberen met vijftig procent kans van slagen — Ik: ‘Maar dokter, dat is toch uitstel van executie!’ — en hopen op een wonder? Of meteen naar een definite chapter?
Totemdier, totembouwer, overal waar hij de kans krijgt. Krijgt hij een eigen kamer in het ziekenhuis, dan wordt het feest daar. Dan mag ik komen wanneer ik wil, we kunnen scrabbelen — een andere passie die wij delen, daarover later — en hij zal mij vragen schaar en punaises mee te brengen om het prikbord een beurt te geven die het nooit meer vergeet.
‘Dat gaat héél lang duren,’ zei de vaatchirurg. Ik schrok: drie, vier maanden in het ziekenhuis, die hele mooie zomer? Dat blijken gelukkig maar drie of vier weken te zijn, te overzien en zo voorbij. Alleen zijn we dan wel beland aan de andere kant van de straat, voorlopig. De niet zo zonnige zijde des levens, maar wel de consequentie van oud willen worden, heel oud, en geleefd hebben. De opmerking: ‘Dat wordt voor u een rolstoel en een verpleeghuis, meneer Vinkenoog’ was een verkeerde inschatting van wie wij zijn: zo zijn wij niet getrouwd, edelgeleerde heer.
Ik weet, liefste schat, dat het er nu op aan gaat komen. Dat onze liefde onoverwinnelijk mag zijn is mijn wens aan het universum. Lieve Simon, je kunt op me rekenen. In één man dien ik de hele wereld, een van mijn eigen slogans, de motor van mijn huwelijksleven. Op 1 september aanstaande zijn wij twintig jaar zielsgelukkig getrouwd.
De droom, die diepste behoefte om een totaalverbond te mogen beleven, hebben wij beleefd en wij zullen haar, Deo volente, tot een goed einde brengen. That’s the spirit right now. De huwelijkse belofte van trouw doe je in de allereerste plaats immers aan jezelf. Het commitment ‘tot de dood ons scheidt’ wil ik ten uitvoer brengen, ik zal mijn vader en moeder als getuigen aanroepen; de eerste dood, de tweede nog zinvol in leven. Ik zou een verrader in de spiegel zien — dat weet ik al heel lang — als ik mijn eerste en enige belofte van trouw zou schenden.
Het is maar dat je het weet. Zo was ook ons grootse huwelijksfeest in de Konings- en Tijgerzaal van Artis een statement: ‘wir sind nicht mehr zu haben’, wij hadden elkaar gevonden.

***

Op een hoogtepunt van mijn leven mocht ik in de grote kruising van ruimte en tijd de juiste man ontmoeten, mijn wederhelft.
Het begon met een telefoontje van mijn moeder uit Den Haag. Ze belde me op mijn werk en dat is niets voor haar. Ik heb mijn ouders altijd geroemd en bewonderd om hun discretie, helemaal waar het mijn liefdesleven betrof; ik was op mijn qui-vive.
‘E, er is een uitnodiging voor een expositie voor je gekomen en ik heb het gevoel dat het belangrijk voor je is.’
Rob Ligtvoet — Galerie Forum — Herengracht.
Ik weet niet of zij de uitnodiging heeft doorgestuurd, ik zie hem voor me — misschien kreeg ik hem later in handen — maar ik ben gegaan, blindelings vertrouwend op haar intuïtie. We schrijven zaterdag 13 december 1986.
Een paar treetjes af en daar stond in de stralend witte galerie de exposant te midden van zijn werk, een bescheiden en beminnelijk denker, beeldhouwer.
Ik werd onmiddellijk opgenomen in het gezelschap als ware ik familie en daar kwam zowaar een oude ‘grote liefde’ van mij binnen. Dat bleek bij nader zien niet zo te zijn, al was de gelijkenis levensgroot, maar we raakten wel meteen aangenaam in gesprek.
Er kwamen steeds meer mensen bij en er was sprake van een feest in het door kunstenaars gekraakte dorp Ruigoord en of ik geen zin had om mee te gaan. De naam Ruigoord trok me aan en ik deed wat ik tot dan toe niet eerder had gedaan: ik meldde mij af bij mijn werk voor die avond; ik was zakelijk leider van theatergezelschap Dogtroep en sloeg doorgaans geen optreden over. Binnen de kortste keren voelde ik mij thuis en volledig geaccepteerd in een gemeenschap mensen die ik voordien niet kende. Natuurlijk ging ik mee!
In Ruigoord werd er eerst uitbundig gegeten en gedronken bij Petra, die de best geoutilleerde keuken had in een van de weinige stenen huizen die er nog stonden. Iedere zaterdagavond kookte zij voor alle dorpsgenoten die zich van tevoren hadden opgegeven de sterren van de hemel voor een schijntje. Daarna ging ieder zijns weegs om zich op te maken voor het feest van die avond, dat in de kerk zou plaatsvinden: de viering van de vijftigste verjaardag van de bevriende psychiater Hans Sanders, als ik het wel heb.
Het werd een wilde nacht met een wonderlijk einde. Ik raakte zwanger en toen ik dat wist was dat een vraag minder, namelijk of ik überhaupt wel zwanger worden kon. Een vraag die in ieder vrouwenleven aan de orde komt.
De abortus die ik direct legaal liet plegen, heb ik ervaren als een feestdag: nu wist ik zeker dat ik zelf bewust voor kinderloosheid kiezen kon.

Op vrijdag aan het einde van de middag kwamen mijn nieuwe vrienden, die zich het Amsterdams Ballon Gezelschap noemden, met verwanten bijeen in café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal. En in hun midden bevond zich ook de schrijver/dichter Simon Vinkenoog.
Mijn eerste gedachte over hem had ik op zondagmiddag 18 april 1987 vooraan in de Spuistraat. Ik was naar een expositie gekomen van een kunstenaar die ik niet persoonlijk kende, maar waar de Ruigoordse vriendenkring present zou zijn en toen ik heerlijk buiten in de zon met iemand een joint stond te roken, kwam Simon langsfietsen. Hij kwam niet binnen, raakte aan de stoeprand in gesprek met iemand die hem eveneens een rokertje aanbood en ik dacht: goh, dat zo’n oude man nog zo’n jong zoontje heeft! Simon had een klein roodharig jongetje bij zich, Arthur, toen acht jaar, ook op een fietsje; onmiskenbaar zijn zoon.
Dat was alles, toen; ik wist niets van ’s mans omstandigheden.

Het was een gewoonte geworden om op vrijdag na mijn werk bij Scheltema te gaan eten om alvast een bodempje te leggen voor de alcoholconsumptie die tot diep in de nacht in hoog tempo zou doorgaan. In afwachting van alle vrienden die zouden binnendruppelen zat ik aan een tafeltje achterin een malse biefstuk te eten. Vanaf die plaats kon ik alles overzien, het was een zonnige namiddag in juni en de zaak was nog vrij leeg. In de paar maanden dat ik er nu kwam, had ik niet alleen de sluitingstijd zien opschuiven van half twaalf naar half drie, maar vanwege het heerlijke zomerweer ook het aanvangsuur van onze samenkomsten zien vervroegen tot het borreluur.
De deur zwaaide open en daar kwam Simon binnen, vergezeld van Dries Langeveld, hoofdredacteur van het tijdschrift BRES, waar Simon meer dan dertig jaar voor geschreven heeft. Zij gingen voorin zitten op een van de muurbanken en hun vriend schrijver Gerben Hellinga voegde zich bij hen. Ook de heren bestelden een maaltijd. Ik zal Gerben, die ik kende uit Ruigoord, eeuwig dankbaar blijven voor zijn uitnodiging bij hen aan tafel te komen zitten, want al gauw waren Simon en ik in een levendige discussie verwikkeld.
Ik kende Simon alleen uit de verte. Zo op het eind van de avond kon hij nog wel eens losbarsten in orakeltaal, zwaaiend met zijn armen, en de vriendenkring viel dan met welwillend respect even stil om, zodra hij was uitgeraasd, het gesprek weer te hervatten. Zo uit de verte had ik eigenlijk geen mening over hem. Wat ik zag was een broodmagere man met een dun blond paardenstaartje gevangen in een elastiekje, een grijs roodblond baardje en snor, brilletje, vaalwitte regenjas, oud.
Zijn naam kende ik natuurlijk en dat hij oud was wist ik. Mijn vader, die zelden deelnam aan culturele activiteiten, was wel getuige geweest van Poëzie in Carré – de eerste grote poëziemanifestatie in ons land op 28 februari 1966, ik was toen elf jaar. ’s Ochtends was hij thuisgekomen, vol van ‘Simon Vinkenoog en Johnny the Selfkicker’, Het boek Liefde van Simon stond in mijn vaders boekenkast, ik weet ook precies waar, want als we eens boekhandeltje speelden in zijn studeerkamer, haalden we dat geregeld te voorschijn.

Ons eerste gesprek daar aan die tafel in Scheltema herinner ik me als de dag van gisteren. Zijn tomeloze energie was overweldigend. Binnen de kortste keren had Simon uitgevonden dat ik doctorandus was. ‘Heb jij gestudeerd? En hoe was dat?’ Ik dacht dat hij me in de maling nam, maar zo is hij niet, hij was bloedserieus en hoogst geïnteresseerd in mijn leven. Simon bleek nota bene via via mijn visitekaartje op zak te hebben.

Edith Ringnalda
— zakelijke leiding dogtroep —

‘Zo, ben jij Edith?’ En toen was het hek van de dam, want Simon bleek een groot bewonderaar van Warner van Wely, oprichter en artistiek leider van Dogtroep, een nomadisch theatergezelschap dat bestond uit beeldende kunstenaars die ook een muziekinstrument bespeelden; acteurs waren uitdrukkelijk niet gewenst. Het had niets met toneel te maken. Dit was non-verbaal spektakeltheater met veel rook en vuur en water en muziek en alle rekwisieten werden zelf gemaakt van de meest eenvoudige, herkenbare materialen: totaal inzichtelijk, maar pure magie als de machinerie eenmaal in werking was getreden. Het was absurdistisch, surrealistisch, op ongebruikelijke locaties, zomaar opduikend in de publieke ruimte en bovenal: eenmalig. Je kon er geen kaartje voor kopen; je moest erbij zijn geweest om er over te kunnen meepraten, en dat kon Simon.
De eerste grote structurele subsidie was een mijlpaal voor Dogtroep en ooit had men mij uitverkoren tot hun eerste officiële zakelijk leider. Op mijn woorden: ‘Maar ik weet niets van financiën!’ was hun repliek: ‘O, maar dát kun je leren!’ Zo hoort het.
Simon was laaiend enthousiast, had een dik dossier van Dogtroep vanaf het oprichtingsjaar 1975, het Festival of Fools kwam ter sprake — een van de eerste straattheaterfestivals in Amsterdam — en hij wist zich tal van optredens te herinneren.
Hij moest ergens heen en was na het eten weer snel uit het café verdwenen — en uit mijn gedachten. Aardige man.

O, wat kon ik intens naar die vrijdagen uitzien. Als ik om me heen keek, zag ik zoveel mensen van wie ik oprecht hield en dan voelde ik mij zielsgelukkig, on top of the world.
Na die eerste ontmoeting zochten Simon en ik elkaars gezelschap, op die heilige vrijdagen in ons favoriete etablissement. We hadden altijd meer dan genoeg gespreksstof, meestal gezeten aan de ronde marmeren tafel die op de rand gesierd werd door de spreuk ‘God zij met ons’, zoals vroeger op onze gulden stond. Aan die ronde stamtafel werden wij vrienden. Ik had er geen idee van dat hij iets (meer) in mij zag, omdat ik niets meer in hem zag dan een goede vriend tussen goede vrienden.
Voor het eerst in mijn leven ging het volgens de wetten van de natuur: Hij verovert Haar. Tot dan toe was ik meestal zelf de overactieve partij geweest. Ik werd snel verliefd en meende dan steeds werkelijk met ‘de Ware’ te maken te hebben, zonder de persoon te kennen. Volgens mijn vader werkte het niet als de vrouw de jager was: ‘Geen zichzelf respecterende man zal dat lianengedrag verdragen.’ En volgens mijn moeder was liefde op grond van louter uiterlijkheid ondenkbaar: ‘Je moet bij elkaar passen op allerlei niveaus: zijn achtergrond, zijn interesses en zelfs zijn familie is belangrijk!’ Die wijze raad deed ik altijd af als onzin en vol ongeduld en enthousiasme stortte ik mij in een volgend avontuur. Maar voor De Grote Liefde moet je klaar zijn en ik was dat pas toen ik geen man meer nodig had om gelukkig te zijn.
[...]

Copyright © Edith Ringnalda 2010

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum