Leesfragment: Kim Echlin, De verlorenen

05 oktober 2009 , door Kim Echlin

De relatie tussen de Canadese Anne Greves en de Cambodjaanse vluchteling Serey werd door zijn verdwijning, kort na de val van het Rode Khmer-regime, beëindigd. Hij ging op zoek naar zijn familie, maar was er meer? Anne reist hem achterna, tien jaar na dato, en hervindt de liefde. Dat is niet het enige wat ze ontdekt.

De nieuwe roman van Kim Echlin (Elephant Winter, Dagmar's Daughter) heet De verlorenen (The Disappeared), in de vertaling van Inge de Heer. We mogen een hoofdstuk voor laten proeven, over de hereniging van de geliefden.

 

21

Phnom Penh. De bedaarde pruttelbootjes die meedeinen met het verkeer, riksja’s die worden voortgetrokken door magere, blootsvoetse, rennende of op fietspedalen trappende mannen, tuktuks, witte busjes van de vn, vrachtwagens van het Rode Kruis, militaire jeeps en bussen, een olifant die timmerhout draagt, de straten die vanaf de waterkant de stad in rimpelen; Street 51 loopt dood op Street 392 en kruist 254, alles warrig samengeflanst, als familieliefde. En overal op straat uithangborden voor allerlei soorten Engels: Praktisch Engels, Ambtelijk Engels, Zakelijk Engels, Modern Engels. Studenten in wit overhemd lopen in kleine groepjes rond en aan het eind van de dag zijn hele gezinnen op een brommer op weg naar huis, altijd de man aan het stuur, de vrouw met een baby in haar armen en oma met een peuter. Een doodenkele keer rent er een door slaag of zuur verwonde vrouw naakt en verdwaasd over straat.

En zo waren we weer samen, in Phnom Penh, te midden van de bedelaars, geamputeerden, prostituees en straatkinderen, te midden van het niet-aflatende geploeter. In Cambodja is het donker werkelijk zoet.
Jouw kale kamer. De straatgeluiden, de nacht die tegen de brede luiken drong. Ik raakte je nette tafel aan. Ik ging op de rand van het bed zitten. Je zou maar een paar minuten nodig hebben omalles in te pakken en te verdwijnen. Jarenlang had je in ordelijke soberheid geleefd. De foto van je familie hing bij de tafel. De twee foto’s van ons uit de fotoautomaat hingen bij het bed. Een grote ventilator zoefde aan het plafond. Je gebruikte nog steeds dezelfde cassettespeler en je had twee planken boven je tafel bevestigd, een met een paar boeken in het Khmer en een met een rij cassettebandjes met gekopieerde muziek. Je oude chapei lag in een doek gewikkeld in de hoek. Mijn aanwezigheid nam zo veel ruimte in. Wat had ik dan verwacht? Een riant tropenhuis, familie, vriendin, ritmische plafondventilatoren boven teak - houten tafels en een huisbibliotheek met boeken in vele talen?
Ik vroeg: Je familie?
Je zei: Waarom heb je mijn brieven nooit beantwoord?
Welke brieven?
Je zei: Er is te veel. Straks. We praten straks wel verder.
Het lichaam vergeet niet. Ik opende me voor jou alsof ik van voren en van achteren opengeritst kon worden. Aanvankelijk betastte je me als onbekend terrein, langzaam, en herinnerde je je een zachtheid die je volgens mij niet meer kende. Je armen, de smaak van je huid, je ogen. Ik kon nauwelijks ademhalen. Ik ontving je strelingen, jij ontving mijn ontlading alsof we elkaar gekweld het leven schonken. Maar ik kon niet beschroomd blijven, ik verlangde naar je, ik had elf jaar naar je verlangd, en we werden kannibalen die vlees verzwolgen en gebeden fluisterden. Ik liet alle schroom varen en maalde nergens meer om, al had ik je alleen deze ene nacht maar kunnen hebben.
Toen je na afloop met je vingers door mijn haar harkte, zei je: Voor het eerst sinds ik bij je ben weggegaan ben ik gelukkig. Echt waar. En toen, met je innemende glimlach: Anne Greves, ik sterf van de honger.
Ik zei: Dat weet ik.
Met de sporen van elkaars handen en mond nog op onze huid gingen we naar een restaurant om phnom pleung te eten. Uitgehongerd wentelden we stukken vis boven de kleine tafelbarbecue, en we aten groene waterspinaziestengels met rijst. We bleven elkaar maar aankijken, elkaar nu met onze ogen strelen. Er kwam een kind langs met een arm vol pkaa malis en je kocht al haar bloemslingers en gaf ze aan mij, en het kind rende glimlachend terug naar een man die op de hoek rondhing. Ik bracht de jasmijn naar mijn neus en je zei: Het is vandaag volle maan. Nog niet aan ruiken, dat brengt ongeluk. Neem ze maar mee naar huis om aan de huisgeesten te offeren.
Onder de tafel raakten onze voeten elkaar aan. Een ober kwam de vlam controleren. Je zei iets tegen hem, zo rap dat ik het niet verstond, en hij liep weg.
Je zei: Ik zie sneeuw op je wimpers. En ik hoor Frans en Engels, ik luister naar Buddy Guy. Maar ik word niet meer vergezeld door een meisje. Je bent nu anders, sterker.
Ik zei: Mensen veranderen eigenlijk niet; we zijn alleen maar onverslagen omdat we moeite zijn blijven doen.
Je glimlachte en zei: Misschien veranderen ze toch wel, tijgertje.
Ik wist nog niet hoe jij veranderd was. Ik vroeg: Wat doe je voor de kost?
Vertalen.
Ik zei: Dan is je studie in het buitenland toch nuttig geweest.
Je pakte boven de tafel mijn hand en zei: Voor meer dan alleen de taal, oan samlanh.
Toen wist ik dat ik altijd bij je zou blijven.
We aten langzaam en de ober kwam terug met een bladerpakketje dat met een tandenstoker was vastgezet. Je legde het in mijn hand. Dit is pkaa champa, voor jou.
Een magnoliageur van drie tere, in een blad gewikkelde knoppen. Ik weerstond de verleiding om ze naar mijn neus te brengen.
De oude dichters schrijven zelden over beantwoorde liefde. Hoe kunnen ze daar weerstand aan bieden?
Heb je minnaars gehad? Jij vroeg het als eerste.
Ik heb altijd alleen maar van jou gehouden.
We drentelden inmiddels hand in hand de tuin uit. Ik zei: En jij? Je hebt vast veel minnaressen gehad.
Niet één.
Terwijl we elkaar dit soort liefdesleugentjes vertelden, haalden we mijn tas uit mijn lege pensionkamer en namen hem mee naar jouw kamer, die nu naar jasmijn en magnolia rook. Nadat we gevreeën hadden, viel je in slaap. Je droomde, ogen die als razenden heen en weer schoten onder gesloten oogleden, en toen je je ogen opendeed zei ik: Vertel.
Ik wil het je liever besparen. In mijn dromen word ik door Sokha beschuldigd.Mijn ouders staan achter hemen kijken memet grote, stille ogen aan.Maarmijn jongere broer staat voor me en zegt keer op keer: Waarom heb je niets gedaan?

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum