Leesfragment: Laat de aarde draaien

17 december 2009 , door Colum McCann
| |

18 november kreeg Colum McCann de Amerikaanse National Book Award voor zijn boek Let the Great World Spin. Begin december verschijnt Laat de aarde draaien, de vertaling van Frans van der Wiel, bij Uitgeverij De Harmonie. Vannacht mogen we bij Athenaeum.nl de eerste pagina's van de vertaling al laten lezen, een video-interview met McCann tonen en de mogelijkheid het boek te reserveren. 20 december spreekt McCann in De Balie, tijdens het Amsterdam - New York-festival.

De inwoners van Manhattan staren in het prille ochtendlicht van een zomerdag in 1974 vol ongeloof naar de Twin Towers, waar de onverschrokken koorddanser Philippe Petit rent, danst en springt tussen de torens, honderdtien verdiepingen boven de grond. Hij pleegt daarmee de artistieke misdaad van de eeuw, niet-wetend dat decennia later de torens doelwit zouden zijn van de aanslag van de eeuw. Ver daar beneden, in de maalstroom van de stad, vranderen de voorheen alledaagse levens van een groep heel verschillende mensen voorgoed.

In Laat de aarde draaien komen grote literaire thema’s als liefde, verlies, plicht en zingeving samen in een bruisend verhaal.

 

Wie hem zag verstomde. In Church Street. Liberty. Cortlandt. West Street. Fulton. Vesey. Het was een stilte die zichzelf hoorde, schrikwekkend en wonderschoon. Sommigen dachten eerst dat het een speling van het licht was geweest, iets wat met het weer te maken had, een samenloop van schaduwen. Anderen meenden dat het de klassieke stadsgrap was: stilstaan en naar boven wijzen, totdat er mensen blijven staan, hun hoofd opheffen, knikken, bevestigen, tot iedereen omhoogstaart waar helemaal niets is, alsof je wacht op de clou van een Lenny Bruce-grap. Maar hoe langer ze keken, hoe zekerder ze werden. Hij stond op het uiterste randje van het gebouw, een donker vlekje tegen het grijs van de morgen. Misschien een glazenwasser. Of een bouwvakker. Of een springer.
Daarboven, honderdtien verdiepingen hoog, doodstil, een donker speeltje tegen de bewolkte hemel.
Hij was alleen vanuit bepaalde hoeken te zien, zodat kijkers moesten stilhouden op straathoeken, een opening tussen de gebouwen moesten zoeken of tussen de schaduwen door laveren om een uitzicht te vinden dat niet door deklijsten, waterspuwers, balustraden of dakranden werd belemmerd. Niemand had nog een verklaring voor de lijn aan zijn voeten die van de ene naar de andere toren liep. Het was de gestalte die hen in haar ban hield, ze rekten hun halzen, in tweestrijd of ze moesten hopen op onheil of de teleurstelling van iets gewoons.
Dat was het dilemma van de kijklustigen: ze wilden niet blijven wachten voor niets, voor een idioot die aan de afgrond tussen de torens stond, maar ze wilden ook het moment niet missen, als hij uitgleed, of werd gearresteerd, of met gestrekte armen naar beneden dook.
Om de kijkers heen maakte de stad nog zijn alledaags lawaai. Autotoeters. Vuilniswagens. Veerbootfluiten. Het gerommel van de ondergrondse. Bus M22 zwenkte naar de stoep, remde, zakte zuchtend in een straatkuil. Een opgewaaide chocoladewikkel raakte een brandkraan. Taxiportieren sloegen dicht. Flarden afval schermutselden in de donkerste hoeken van stegen. Gymschoenen vonden hun dansend ritme. Het leer van aktetassen schuurde tegen broekspijpen. Een paar paraplupunten tikten tegen het wegdek. Draaideuren duwden kwarten gesprek de straat op.
Maar als de kijkers al die geluiden hadden opgepakt en op één grote lawaaihoop hadden gegooid, dan nog zouden ze maar weinig hebben gehoord: zelfs als ze vloekten, deden ze dat rustig, respectvol.
Ze kwamen in groepjes bijeen te staan bij de verkeerslichten op de hoek van Church en Dey Street; samen onder de luifel van Sam’s Kapsalon; in de deuropening van Charlie’s Audio; een klein, opeengepakt tableau van mannen en vrouwen tegen de hekken van de St. Paul’s Chapel; dringend voor een plaatsje aan de ramen van het Woolworth-gebouw. Juristen. Liftbedienden. Artsen. Schoonmakers. Hulpkoks. Diamanthandelaren. Visverkopers. Hoeren in sneue jeans. Allemaal gerustgesteld door elkaars aanwezigheid. Stenografen. Makelaars. Bezorgers. Sandwichmannen. Beroepsgokkers. Kantoormensen van Con Ed. Van Ma Bell. Van Wall Street. Een slotenmaker in zijn busje op de hoek van Dey en Broadway. Een fietskoerier leunend tegen een lantaarnpaal in West Street. Een dronkenlap met rooie kop op zoek naar een eerste slok.
Mensen zagen hem vanaf de veerboot van Staten Island. Vanaf de vleeskoelhuizen in de West Side. Vanaf de nieuwe hoogbouw in Battery Park. Vanaf de ontbijtkarretjes op Broadway. Vanaf het plein eronder. Vanaf de torens zelf.
Natuurlijk waren er die de opwinding negeerden, die wel wat anders te doen hadden. Het was dertien voor acht in de ochtend en ze waren te gestrest voor iets anders dan een bureau, een pen, een telefoon. Ze doken op uit de metrostations, uit limousines, uit stadsbussen, staken kordaat de straat over, weigerden een kijkje te nemen. Een nieuwe dag, het oude liedje. Maar als ze de oploopjes tegenkwamen, hielden ze hun pas in. Sommigen bleven even staan, haalden hun schouders op, draaiden zich nonchalant om, liepen naar de hoek, botsten tegen de kijklustigen op, gingen op hun tenen staan, tuurden over de menigte en stelden zich voor met een Wauw of een Jeminee of een Godsallemachtig.
De man boven verroerde geen vin, maar het mysterie dat hij was bewoog. Hij stond buiten de omheining van het uitkijkterras op de zuidtoren – elk moment zou hij zomaar in het niets kunnen stappen.
Onder hem zeilde een duif van de bovenverdieping van het Federal Office Building omlaag, alsof hij de val voor wilde doen. De beweging trok de aandacht van sommige toeschouwers en ze volgden de grijze veeg tegen de kleine vorm van de staande man. De vogel zoefde van de ene dakrand naar een andere, en pas toen zagen de kijkers dat ze gezelschap hadden gekregen van mensen in de ramen van kantoren, waar jaloezieën opgetrokken en een paar ramen moeizaam opengeschoven werden. Meer dan een paar ellebogen of manchetten van een overhemd of een mouwophouder was er niet te zien, maar toen kwam er een hoofd bij, of een vreemd uitziend paar handen erboven, dat het raam nog hoger tilde. In de ramen van naburige wolkenkrabbers kwamen personen staan – mannen in hemdsmouwen en vrouwen in fleurige blouses, wiegelend in het glas als lachspiegelverschijningen.
Nog hoger voerde een weerhelikopter een dalende bocht boven de Hudson uit – een eerbiedige erkenning dat de zomerse dag toch bewolkt en koel zou worden – en de wieken sloegen een ritme boven de pakhuizen van de West Side. Aanvankelijk leek de helikopter scheefhangend vooruit te gaan, en er werd een zijraampje opengeschoven alsof het toestel naar lucht snakte. Er verscheen een lens in het open raam. Even flitste een schittering op. Na een ogenblik corrigeerde de helikopter zich elegant en cirkelde de lege ruimte door.
Sommige politieagenten op de West Side Highway zetten hun ellendelicht aan, zwenkten snel de afritten op en maakten de ochtend nog fascinerender.
De lucht rond de kijkers raakte met spanning geladen en – nu de dag door sirenes gewicht had gekregen – er werd gekletst, hun zekerheden wankelden, hun kalmte verdween en ze keken elkaar aan en begonnen te gissen: zou hij springen, zou hij vallen, zou hij op zijn tenen over de richel lopen, was hij daar aan het werk, was hij in zijn eentje, was hij een lokmiddel, droeg hij een uniform, had iemand een verrekijker? Wildvreemden pakten elkaar bij de arm. Er werden vloeken uitgewisseld en geruchten over een mislukte roofoverval, dat hij een geveltoerist was, dat hij mensen had gegijzeld, dat hij een Arabier, een Jood, een Cyprioot, een IRA-man was, dat het eigenlijk maar een publiciteitsstunt, een reclametruc was: Drink meer Coca-Cola, Eet meer Fruito’s, Rook meer Parliaments, Spuit meer lysol, Hou meer van Jezus. Of dat hij een demonstrant was en een spandoek zou ophangen, het vanaf het dak zou uitrollen en daar in de bries zou laten wapperen, als een reusachtig stuk luchtwasgoed – Nixon Wegwezen! Uit Vietnam, Uncle Sam! Onafhankelijkheid voor Indochina! – en toen iemand zei dat hij misschien een hangglider of parachutist was, lachten alle anderen, maar die kabel aan zijn voeten was hun een raadsel en de geruchten laaiden weer op, een botsing van gevloek en gefluister verhevigd door steeds meer sirenes, die de harten nog sneller liet pompen, en de helikopter vond een gunstige hangplek aan de westkant van de torens, terwijl in de benedenhal van het World Trade Center agenten over de marmeren vloer spurtten en rechercheurs hun politiepenning onder hun overhemd vandaan trokken en de brandweer het plein opreed en het rood-blauw van de zwaailichten het glas verblindde en een platte truck met hoogwerker arriveerde, waarvan de dikke wielen de stoep op hobbelden, en iemand lachte toen de hefarm opzij draaide en de chauffeur omhoogkeek, alsof het bakje dat enorme trieste eind zou kunnen overbruggen, en bewakingsmannen schreeuwden in hun walkietalkies en de hele augustusochtend werd wijd open geblazen en de kijkers stonden als aan de grond genageld, voorlopig kon er van weggaan geen sprake zijn, de stemmen verhieven zich in crescendo, in allerlei accenten, een Babel, totdat een kleine, roodharige man van de Home Title Guarantee Company in Church Street zijn kantoorraam openschoof, zijn ellebogen op de vensterbank zette, diep ademhaalde, naar buiten leunde en naar de verte brulde: Doe het dan, klootzak!
Even bedaarde het rumoer voordat de lach kwam, een seconde voor het tot de kijkers doordrong, een eerbetoon aan de oneerbiedigheid van de man, want dat was wat zo velen heimelijk dachten – doe het dan, godsklere! Doe het! – en toen kwam er een stortvloed van opmerkingen, uitroepen en reacties los, die helemaal van de vensterbank naar de stoep beneden leek te golven en over het gebarsten wegdek naar de hoek van Fulton, de straat door naar Broadway, dan zigzaggend naar John Street en vandaar de hoek om naar Nassau en verder, als dominostenen van gelach, maar met een scherp kantje van verlangen, van ontzag, en veel kijkers realiseerden zich huiverend dat, wat ze ook beweerden, ze eigenlijk getuige wilden zijn van een geweldige val, wilden zien hoe iemand dat hele stuk omlaag zeilde, maaiend met zijn armen uit de zichtlijn verdween, op de grond smakte en de woensdag spanning, betekenis gaf, dat ze niet méér nodig hadden om een grote familie te worden dan een uitglijder van een duizendste seconde, terwijl de anderen – zij die wilden dat hij daar bleef, dat hij standhield, de rand zelf werd, maar meer niet – nu door hun walging voor de schreeuwers voelden dat ze leefden: zij wilden dat de man zich in veiligheid bracht, achteruitstapte in de armen van de agenten in plaats van de lucht.
Ze waren nu opgepept.
Opgeladen.
De stellingen waren betrokken.
Doe het dan, klootzak!
Niet doen!
Ver boven hen was er beweging. In de donkere kleren telden al zijn bevinkjes. Hij boog zich half naar voren, stond gebukt alsof hij zijn schoenen inspecteerde, als een potloodstreepje dat grotendeels was uitgegumd. De houding van een duiker. En toen zagen ze het. De kijkers stonden stokstijf, zwegen. Zelfs degenen die hadden gewild dat de man sprong voelden de lucht uit hun longen stoten. Ze weken achteruit en kreunden.
Een lichaam zeilde de lucht in.
Hij was weg. Hij had het gedaan. Sommigen sloegen een kruis. Sloten hun ogen. Wachtten op de klap. Het lichaam tolde en talmde en buitelde, heen en weer geschud door de wind.
Er ging een schreeuw op onder de kijkers, een vrouwenstem: God, o God, het is een hemd, het is maar een hemd.
Het viel, viel, viel, ja, een sporttrui, fladderend, en toen lieten hun ogen het kledingstuk in de lucht los, want hoog daarboven had de man zich uit zijn gebukte houding opgericht, en er daalde een nieuwe stilte neer over de agenten boven en de kijkers beneden, een schokgolf trok door hen heen, want de man was uit zijn buiging overeind gekomen met een lange, dunne stang in zijn handen, die hij liet schommelen, in de lucht liet wippen, het gewicht wegend, een lange zwarte stang, zo buigzaam dat de uiteinden zwiepten, en zijn blik was strak gericht op de andere toren, die nog in steigers stond ingepakt als een gewonde die op hulp wachtte, en nu was de kabel aan zijn voeten voor niemand meer een raadsel, en wat het verder ook mocht zijn, nu was de kans verkeken om zich nog los te rukken: geen ochtendkoffie, geen sigaretje vóór de vergadering, geen nonchalant babbeltje, het wachten was magisch geworden en ze keken hoe hij een donkergeslofte voet optilde, als een man die op het punt stond in warm grijs water te stappen.
De kijkers beneden hapten allemaal tegelijk naar adem. Opeens was er het gevoel dat ze de lucht samen deelden. De man boven was een woord dat ze schenen te kennen, al hadden ze het nooit eerder gehoord.
Daar ging hij.

Boek één

Met alle respect voor de hemel, maar ik blijf liever hier

Een van de vele dingen die mijn broer Corrigan en ik zo leuk van onze moeder vonden was dat ze zo muzikaal was. Ze had in de woonkamer van ons huis in Dublin een radiootje op de Steinway staan en op zondagmiddag, nadat we alle mogelijke zenders hadden afgezocht, Radio Éireann of de BBC, zette ze de gelakte vleugel van de piano open, spreidde haar jurk over de houten kruk en probeerde het stuk uit haar hoofd na te spelen: jazzriffs en Ierse balladen en, als we de goede zender vonden, oude liedjes van Hoagy Carmichael. Moeder had een natuurlijk toucher, ook al had ze last van een hand die ze vaak had gebroken. We hebben de oorzaak van die breuken nooit geweten: het was iets waarover niet gesproken werd. Als ze ophield met spelen, wreef ze zacht over de rug van haar pols. Ik dacht altijd dat de noten nog door de botten natrilden, alsof ze van het ene naar het andere botje konden springen, over de breuk heen. Ik kan na al die jaren nog steeds in het museum van die dagen zitten en me herinneren hoe het licht over het tapijt viel. Soms legde moeder haar armen om ons tweeën en leidde onze handen zodat we hard op de toetsen konden slaan.
Het is niet meer in zwang, geloof ik, om het soort eerbied voor je moeder te hebben dat wij destijds, midden jaren vijftig, hadden toen het lawaai voor het raam meestal een samenspel van wind en zee was. Je zoekt naar de zwakke plek, de poot van de pianokruk die korter is dan de andere, het verdriet dat een wig tussen ons en haar zou drijven, maar de waarheid is dat we aan elkaar verknocht waren, alle drie, en dat was nooit duidelijker dan op die zondagen dat de regen grijs over de baai van Dublin stoof en de buien vers tegen de ruiten waaiden.
Ons huis in Sandymount keek uit op de baai. We hadden een korte oprit vol onkruid, een vierkant stuk gras, een zwart ijzeren hek. Als we de weg overstaken konden we op de ronde strandmuur staan en een heel eind over de baai uitkijken. Aan het eind van de weg groeide een stel palmbomen. Ze waren kleiner en ieler dan palmen elders, maar toch exotisch, alsof ze uitgenodigd waren om de regen van Dublin te komen bekijken. Corrigan ging op de muur zitten, liet zijn hakken ertegenaan bonken en keek over het vlakke strand naar het water. Ik had toen al moeten weten dat de zee in hem zat, dat er een soort weggaan zou komen. Het tij sloop binnen en het water zwol aan zijn voeten. ’s Avonds liep hij de weg af langs de Martello-toren naar het verlaten openbare bad waar hij met zijn armen wijd over de strandmuur balanceerde.
In de weekends wandelden we ’s morgens bij eb met onze moeder door het enkeldiepe water en keken we om naar de rij huizen, de toren en de rooksjaaltjes die aan de schoorstenen wapperden. Twee enorme rood-witte schoorstenen van de krachtcentrale doorbraken de oostelijke horizon, maar verder was het een zacht gebogen lijn met meeuwen in de lucht, mailboten uit Dun Laoghaire, jagende wolken aan de horizon. Bij laag water was de zandvlakte gerimpeld en soms kon je bijna een halve kilometer lopen tussen waterpoelen en stukken oude rommel, lange scheermesschelpen, ledikantstangen.
De baai van Dublin was een traag deinend water, hoefijzervormig als de stad, dat zonder waarschuwing kon opspelen. Af en toe beukten de golven bij storm tegen de muur. Eenmaal gekomen, bleef de zee. Zout koekte op de ramen van ons huis. De klopper op de deur was rood van roest.
Bij smerig weer gingen Corrigan en ik op de trap zitten. Onze vader, een natuurkundige, was jaren eerder bij ons weggegaan. Eens per week kwam er een cheque met een Londens poststempel door de brievenbus. Nooit een briefje, alleen een cheque, afgegeven door een bank in Oxford. Hij dwarrelde omlaag. We brachten hem op een holletje naar moeder. Ze schoof de envelop onder een bloempot op de vensterbank in de keuken en de volgende dag was hij weg. Verder werd er nooit iets over gezegd.
De enige andere aanwijzing dat we een vader hadden was een kast vol oude pakken en broeken in moeders slaapkamer. Corrigan trok de deur open. We gingen in het donker met onze rug tegen de ruwe houten panelen zitten en schoven onze voeten in zijn schoenen, lieten zijn mouwen langs onze oren strijken, voelden de kou van zijn manchetknopen. Moeder trof ons op een middag verkleed in zijn grijze pakken aan, de mouwen opgerold en de broeken opgehouden met elastiek. We waren op zijn veel te grote gaatjesschoenen aan het rondbanjeren toen ze in de deuropening verscheen en stokstijf bleef staan, het werd zo stil in de kamer dat we de verwarming konden horen tikken.
‘Nou,’ zei ze, terwijl ze voor ons op de grond knielde. Op haar gezicht kwam een brede grijns die haar pijn leek te doen. ‘Kom hier.’ Ze gaf ons allebei een zoen op de wang en een tik voor onze broek. ‘Vort nu.’ We gleden uit vaders oude kleren, lieten ze op hoopjes op de grond liggen.
Later die avond hoorden we het gekletter van kleerhangers toen ze de pakken ophing en nog eens verhing.
In de loop van de jaren waren er de gebruikelijke driftbuien en bloedneuzen en gebroken hobbelpaardkoppen, en moeder moest zien om te gaan met het geroddel van de buren, soms zelfs met de attenties van plaatselijke weduwnaren, maar doorgaans strekte het leven zich aangenaam voor ons uit: kalm, open, een groot stuk zanderig grijs.
Corrigan en ik sliepen op een kamer die uitkeek op het water. Het gebeurde geruisloos, ik weet nog steeds niet hoe: hij, de twee jaar jongere, nam het bovenbed over. Bij het slapengaan lag hij op zijn buik naar het donker achter het raam te kijken, terwijl hij zijn gebeden zei – hij noemde ze zijn sluimerverzen – in een snel, hakkelig ritme. Het waren zijn eigen incantaties, voor mij meestal onverstaanbaar, met vreemde, kakelende lachjes en lange zuchten. Hoe dichter hij bij de slaap was hoe ritmischer de gebeden werden, een soort jazz, al hoorde ik hem soms opeens vloeken, en dan werden ze uit de vroomheid weggetild. Ik kende de katholieke hitparade – het onzevader, het weesgegroet – maar meer ook niet. Ik was een lomp, stil joch en God vond ik een vervelend figuur. Als ik tegen de onderkant van Corrigans bed schopte, werd het een tijdje stil, maar dan begon hij weer. Soms werd ik ’s morgens wakker en dan lag hij naast me met een arm over mijn schouder en ging zijn borst op en neer bij het fluisteren van zijn gebeden.
Dan draaide ik me naar hem toe: ‘Hè, Jezus, Corr, hou je kop.’
Mijn broer had een bleke huid, donker haar en blauwe ogen. Hij was zo’n kind naar wie iedereen glimlacht. Hij kon je aankijken en je uit je tent lokken. Mensen vielen voor hem. Op straat woelden vrouwen door zijn haar. Arbeiders sloegen hem vriendschappelijk op zijn schouder. Hij had niet in de gaten dat zijn aanwezigheid mensen aanmoedigde, blij maakte, hun onwaarschijnlijke verlangens aan de oppervlakte bracht – hij worstelde zich gewoon door alles heen, zich nergens van bewust.
Ik werd, toen ik elf was, op een nacht wakker van een vlaag kou die over me heen trok. Ik stommelde naar het raam, maar het was dicht. Ik tastte naar het licht en het vertrek baadde algauw in een gele gloed. Midden in de kamer stond een gebukte gestalte.
‘Corr?’
De kou rolde nog van zijn lijf. Zijn wangen waren rood. Op zijn haar lag wat vochtige mist. Hij stonk naar sigaretten. Hij legde een vinger op zijn lippen en klom de houten ladder op.
‘Ga slapen,’ fluisterde hij van boven. De geur van tabak hing nog in de lucht.
De volgende ochtend sprong hij van het bed af, met zijn zware anorak over zijn pyjama. Rillend zette hij het raam open en klopte op de vensterbank het zand van zijn schoenen, in de tuin beneden.
‘Waar ben je geweest?’
‘Gewoon het water langs,’ zei hij.
‘Heb je gerookt?’
Hij keek de andere kant op, wreef zijn armen warm: ‘Nee.’
‘Je weet dat je niet mag roken.’
‘Ik heb niet gerookt.’


[...]

 

 


Colum McCann over Let the Great World Spin.

 

Uitgeverij De Harmonie

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum