Leesfragment: Nexus 52 - Wat is groot?

27 november 2015 , door o.a. Rob Riemen, George Steiner
| |

Deze zondag, 6 september, vindt de Nexus Conferentie plaats, over Reflections on Man after the End of History. Part I. Faith, Death, and Freedom. Bij gelegenheid daarvan geven we u een vooruitblik op het nieuwe nummer van het tijdschrift Nexus, nummer 52, te verschijnen in oktober 2009, met als titel Wat is groot? Wat is de betekenis van grote kunst? Wie bepaalt wat grote kunst is: verleden, heden of toekomst? Kunstenaar, criticus of publiek? Wat is de maatstaf voor grootheid, in de kunst, de politiek of het privédomein? Welke verwachting hebben we van hedendaagse kunst: grootheid of 'the shock of the new'? De inhoudsopgave, enkele fragmenten uit de essays, en een introductie op de auteurs, nu bij Athenaeum Boekhandel.

Nexus 52 (210 pagina's, € 21,50) bevat de volgende essays:

  • Rob Riemen, Ware grootheid
  • Fiona Shaw, Grootheid op toneel
  • Heather Watts & Damian Woetzel, Over meesterschap en de uitvoerende kunsten
  • Roger Scruton, Grootheid in muziek
  • René Boomkens, Beschaving als verzwakking. Over grootheid als fetisj
  • Jean Clair, Een blik in het ravijn van de hoge cultuur
  • Hal Foster, 'Held koning, schepper, favoriet'. De grote beeldend-kunstenaar als mythe
  • Arthur C. Danto, Artistieke grootheid en het einde van de kunst
  • José Ortega y Gasset, Over kunstkritiek
  • George Steiner, Invidia
  • Darrin McMahon, Relikwieën van genieën
  • Enrique Krauze, De sjah van Venezuela. Over Hugo Chávez en de macht
  • Heinrich August Winkler, Grootheid en grenzen van het Westen

Fragment uit Heather Watts & Damian Woetzel, Over meesterschap en de uitvoerende kunsten

Ralph Waldo Emerson heeft zoiets gezegd als: in het genie herkennen wij onze eigen verworpen gedachten en ideeën, die in al hun verworpen grootsheid tot ons weerkeren. Daar zit veel in; sterker nog, toen ik dit voor het eerst las was deze gedachte zelf voor mij een van mijn verworpen gedachten. Waar het om gaat is dat iets dat vertrouwd lijkt, herkenbaar en waardevol is. De melodie van de ode An die Freude, die je wel mee móét neuriën, hadden we toch zeker allemaal kunnen bedenken -, maar zo is het natuurlijk niet, en wanneer je haar voor het eerst hoort lijkt het zo raak, zo waar, dat we ons verbeelden haar al te kennen, ook al horen wij haar voor het eerst. Die schijnvertrouwdheid vormt een aanwijzing dat toegankelijkheid niet pleit tegen genialiteit. Anders gezegd, dat iets onmiddellijk aanspreekt en zich onmiddellijk in het geheugen vastzet, betekent niet dat het geen groot en buitengewoon kunstwerk is. Denk bijvoorbeeld aan de met hun vingers knippende Jets die zichtbaar worden wanneer aan het begin van West Side Story het doek opgaat; op dat moment begrijpt iedereen het ritme van die knippende vingers, het is aanstekelijk, je snapt het..., maar het heeft ook een betekenis die je bijblijft, die de onderhuids kolkende emoties hoorbaar maakt, de glasheldere provocatie die in dat vingerknippen besloten ligt. Waar het om gaat is dat dat vingerknippen op allerlei niet onmiddellijk evidente manieren bijzonder is, ongeacht dat ogenschijnlijk de eerste reactie een erkenning is van de artistieke keuze die wij zelf hadden kunnen doen, om maar te zwijgen van hele generaties tieners op straathoeken.

Ik ben geboren in 1967. Ik ben opgegroeid niet ver van Boston, waar mijn vader hoogleraar internationaal recht en politiek was aan Boston College, en mijn moeder hoofdprogrammamanager bij Unicef. Mijn broer en ik kregen allebei een brede klassieke opvoeding: we leerden diverse muziekinstrumenten bespelen, kregen extra taallessen en, in mijn geval, balletles. Ik schijn nogal energiek te zijn geweest, en ze dachten dat dansen, naast sporten, voor mij een goede tijdpassering zou zijn. Mijn broer is ook op ballet gegaan, kort nadat ik ermee begonnen was. Ik begon met balletles toen ik vier was; de eerste jaren ging het mij vooral om het jaarlijkse winteroptreden in de Notenkraker van het Boston Ballet. Ik vond het leuk om op het toneel te staan - in die tijd ging het mij niet zozeer om het dansen. In de loop van de jaren merkte ik dat ik aanleg had voor ballet, en naarmate mijn belangstelling daarvoor toenam, slonk ze voor alle overige activiteiten. Ik moet erbij zeggen dat het nooit de bedoeling was geweest dat ik danser van beroep zou worden; het was bedoeld als vorming, niet als een leven! Maar toen ik twaalf was, wist ik heel zeker dat ik danser zou worden, en van toen af heb ik me steeds meer op het dansen toegelegd, waarna ik op mijn vijftiende in New York mijn debuut als beroepsdanser heb gemaakt bij het Los Angeles Ballet. Drie jaar later ben ik overgestapt naar het New York City Ballet, waar ik op mijn tweeëntwintigste werd aangesteld als eerste solist. (Damian Woetzel)

(Vertaling Jaap Engelsman)

Fragment uit Jean Clair, Een blik in het ravijn van de hoge cultuur

Er is een reden voor dat absolute verschil in de ontwikkeling van de kunsten: de lichaamskunst en de zangkunst, waar de fysieke perfectie duidelijk te zien en te horen is, zijn uitvoerende kunsten, performing arts. Dat wil zeggen, ze scheppen gebeurtenissen en waar die zich voordoen, ontstaat er voor even een soort transcendentie tussen de plaats en het moment waar ze zich voordoen, en de verheffing, de emotie, de vervoering die ze bij de toeschouwer of luisteraar teweegbrengen. Dat numen en die numina, die uiting hic et nunc van het heilige van de fysieke aanwezigheid van een schilderij of beeldhouwwerk dat Walter Benjamin zag verdwijnen bij de voortbrengselen van een moderne kunst die beroofd was van haar aura, worden in die kunsten van fysieke aanwezigheid beter dan ooit tot uiting gebracht: enerzijds formele perfectie, anderzijds transcendentie. Het kan niet gereproduceerd worden, het is nog nooit vertoond en zal nooit meer vertoond worden. In ieder geval niet in deze concrete vorm, op deze avond, op dit tijdstip, op deze plaats.

Kennelijk vervuld van nostalgie naar dit absolute heden wilde de moderne beeldende kunst om aan haar ondergang te ontkomen, zichzelf veranderen tot een performance: van de druipschilderijen van Pollock tot happenings, en van happenings tot evenementen, tot installaties, tot ingrepen in de werkelijkheid, tot de 'toe-eigening' van de hele geschiedenis van de moderne kunst, zoals de wanhopige gebaren van een zwemmer die verdrinkt; dat alles is de geschiedenis van een verdwijning op een specifiek gebied, van verloren meesterschap. […] De afdaling van high culture naar low culture is binnen de westerse kunst tevens de geschiedenis van een afdaling in de hel.

(Vertaling Mirjam de Veth)

Fragment uit René Boomkens, Beschaving als verzwakking. Over grootheid als fetisj

Elke historische benadering van de kunsten zal op de een of andere wijze gaten schieten in het formeel-structurele kunstvertoog en zo laten zien dat er meer nodig is om de 'grootheid' of 'echtheid' van kunstwerken te bepalen. Zo'n benadering zal ook onmiddellijk laten zien dat de kunst zelf, als autonome gestalte met eigen regels en structuren, een historische gedaante is, zozeer zelfs dat wij nu kunnen stellen dat middeleeuwse fresco's of gregoriaanse muziek uit diezelfde periode pas in de twintigste eeuw, toen zij niet meer werden vervaardigd of gecomponeerd, werkelijk 'kunst' werden. Zij die alle nadruk leggen op de plaats en functie van de kunsten in de samenleving en cultuur in bredere zin, hebben daarentegen soms de neiging de 'grootheid' van de kunsten al te direct te relateren aan het maatschappelijk of cultureel 'belang' ervan, wat of een vorm van gemakzuchtig reductionisme is of het probleem wegredeneert. Immers, in een samenleving waarin een kleine elite de macht in handen heeft, laten we zeggen: Singapore, bepaalt die elite wat onder maatschappelijk belang moet worden verstaan. In die samenleving bepaalt diezelfde elite ook wat grote kunst is. Dat lijkt me contra-intuïtief, hoewel niet geheel empirisch onjuist. In een democratische samenleving is er echter een voortdurend debat gaande over wat maatschappelijk of cultureel van belang of van nut is. Daar zal dan ook de grootheid van kunst permanent inzet van discussie zijn -- en dus nimmer op voorhand te bepalen. Dat nu lijkt empirisch onjuist, omdat ondanks alle felle discussies over wat wel en niet kunst is en wat het belang van de kunsten is of zou moeten zijn, vrijwel elke samenleving gekenmerkt wordt door een slechts heel geleidelijk veranderende consensus omtrent wat belangrijke of invloedrijke kunstwerken zijn -- een canon met andere woorden. Ook zonder canoncommissies is er weinig onenigheid over het belang dan wel de grootheid van wetenschappers als Newton, Darwin of Einstein, noch over kunstwerken van kunstenaars als Picasso, Monet, Van Gogh, Mahler, Multatuli of Thomas Mann, ook of misschien wel juist nu -- dat wil zeggen: juist in deze zogeheten tijden van nivellering, egalitarisme en massacultuur. Wanneer grootheid op een dergelijke wijze in verband wordt gebracht met een historische canon, verliest zij echter tegelijkertijd haar betekenis voor een beter begrip van kunst, of preciezer: van de kunstzinnige of esthetische ervaring. Grootheid belandt zo al te makkelijk in het domein van de musea, van het culturele erfgoed, van hetgeen waarop wij als individuen, burgers, naties of wereldgemeenschap trots zijn, maar wat wij zelf in ieder geval niet (meer kunnen) zijn. Dat was Nietzsches dodelijke kritiek op de aan geschiedenis verslingerde negentiende-eeuwer, die heel veel te melden had over de grote daden van zijn historische voorgangers, maar juist daardoor zelf naliet geschiedenis te maken, d.i. zelf groot te zijn.

Fragment uit Darrin McMahon, Relikwieën van genieën

Ook het geloof in genieën werd vernietigd in deze vuurzee [de Holocaust] en liet alleen sporen na. Ook al zijn we nog steeds gefascineerd door 'buitenbeentjes' die uitzonderlijk veel talent hebben of bijzondere prestaties leveren, toch hebben ze veel aan gewicht en kracht ingeboet. Genieën zijn tegenwoordig eerder beroemdheden dan plaatsvervangers van goden. Het zijn mensen over wie je in een oppervlakkig tijdschrift leest. De verhalen over de hersens van Einstein -- die na zijn overlijden tegen zijn wens in werden verwijderd, geconserveerd en uitgedeeld op microscoopplaatjes -- zullen wellicht blijven fascineren. Maar net als de alomtegenwoordige afbeeldingen van zijn gezicht ter versiering van voorwerpen, van T-shirts tot koffiemokken, dienen de stukjes van zijn hersenen als bron van vermaak en niet om heilig ontzag op te wekken.

Gezien het tragische verloop van de twintigste eeuw hoeven we waarschijnlijk weinig tranen te laten om het vervlogen geloof in genieën. Toch is er voor die onttovering een prijs betaald. Want zij die huiverig zijn om mensen tot goden te verheffen -- om onze kunstenaars, schrijvers en denkers op een voetstuk te zetten, als geestrijke wezens -- hebben moeite om de esprit in de mens te herkennen. Het kan zijn dat we de genieënreligie van Friedell tegenwoordig naïef vinden, en dat de hoop van Einstein dat helden uit de intellectuele sfeer zouden kunnen dienen als tegengif tegen de materiële wereld, is vervlogen. Maar als het heilige niet op een of andere manier wordt uitgelicht, is alles profaan. Moeten we verheugd zijn of juist betreuren dat de hersens van Voltaire weer zoek zijn? En moeten we verheugd zijn of juist betreuren dat haast niemand daar om maalt?

(Vertaling Jan Willem Reitsma)

Auteurs in dit nummer

RENÉ BOOMKENS (Nederland, 1954) is hoogleraar sociale en culturele filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij bestudeert de gevolgen van globalisering voor het dagelijks leven, stadscultuur, nationale identiteit, burgerschap en politiek. Van 1998 tot 2002 was hij bijzonder hoogleraar popmuziek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde over moderne stedelijke cultuur en ontwikkeling (zijn dissertatie Een drempelwereld, 1998), over popmuziek en populaire cultuur (Kritische massa, 1994) en over globalisering en cultuur (De nieuwe wanorde, 2006). In 2008 verscheen het geruchtmakend pamflet Topkitsch en slow science, over de gevolgen van neoliberaal rendementsdenken voor de academische cultuur en de organisatie van academisch onderwijs en onderzoek. Sinds 2006 is Boomkens lid van de Raad van Cultuur. Daarnaast is hij redacteur van de boekenreeks 'Kennis, politiek en openbare mening' (Van Gennep). Op dit moment werkt hij aan een boek over de invloed van nieuwe media op hedendaagse stedelijke cultuur en aan een introductie in de cultuurfilosofie. In Nexus27 publiceerde hij een polemiek met Roger Scruton.

JEAN CLAIR (Frankrijk, 1940) is de nom de plume van de briljante schrijver, conservator en kunstcriticus Gérard Régnier. Hij studeerde filosofie en kunstgeschiedenis aan de Sorbonne en promoveerde aan Harvard. In 1966 werd hij benoemd tot conservator aan het Parijse Musée National d'Art Moderne, dat hij in 1970 verliet voor het hoofdredacteurschap van het tijdschrift L'Art Vivant, om vijf jaar later terug te keren in het Centre Georges Pompidou. Daar maakte hij naam met een tentoonstelling rond Marcel Duchamp in 1977 en met twee exposities over kunst van de twintigste eeuw. Ondertussen schreef hij belangrijke monografieën over Bonnard en Balthus. In 1989 werd hij in Parijs directeur van het Musée National Picasso. In die functie zette hij een groot aantal belangrijke nationale en internationale exposities op en leidde hij in 1995 de honderdste editie van de Biennale van Venetië. Als een van de eersten koos Jean Clair in zijn exposities voor een interdisciplinaire benadering, waarin naast de kunst ook de wetenschap wordt betrokken. Jean Clair ontving talrijke hoge onderscheidingen voor zijn werk. In 2008 werd hij gekozen tot lid van de Académie Française. Hij schreef essays voor Nexus 27 en 50.

ARTHUR DANTO (Verenigde Staten, 1924) is de meest spraakmakende filosoof op het terrein van de visuele kunsten. Hij studeerde filosofie in Parijs en aan Columbia University, waaraan hij van 1951 tot aan zijn emeritaat was verbonden. Hij is nog altijd kunstcriticus voor The Nation. Zijn werk omvat vele boeken, essays en artikelen. Zijn scope is dan ook breed: van de filosofie van de kunst, de wetenschap van de representatie, filosofische psychologie tot Hegels esthetiek, Merleau-Ponty en Schopenhauer. Hij publiceerde onder meer Nietzsche as Philosopher, The Transfiguration of the Commonplace en Beyond the Brillo Box. The Visual Arts in Post-Historical Perspective.

HAL FOSTER (Verenigde Staten, 1955) is hoogleraar kunst en archeologie aan Princeton University, en misschien wel de belangrijkste theoreticus van dit moment op het gebied van het postmodernisme in de kunst. Hij studeerde Engelse literatuur en kunstgeschiedenis aan Princeton en werkte daarna in het studieprogramma van het Whitney Museum. In 1983, toen hij nog geen dertig was, schreef hij het klassiek geworden meesterwerk The Anti-Aesthetic: Essays on Postmodern Culture, waarin hij het begin van de postmoderne tijd proclameerde. Hij promoveerde in 1990 in de kunstgeschiedenis aan de City University of New York; zijn proefschrift, over surrealistische kunst en psychoanalytische theorie, bewerkte hij tot Compulsive Beauty (1993). Verder publiceerde hij onder meer The Return of the Real (1996), waarin hij opnieuw het postmodernisme onder de loep nam, en Design and Crime (2002), over de alomtegenwoordigheid van design in het leven van alledag. Zijn meest recente werken zijn Prosthetic Gods (2004), een terugkeer voor hem naar de psychoanalyse, en Pop Art (2005). Foster schrijft regelmatig over kunst in kranten en tijdschriften als de London Review of Books, de Los Angeles Times Book Review, October en New Left Review.

ENRIQUE KRAUZE (Mexico, 1947), historicus, uitgever en essayist, is een van de bekendste Mexicaanse intellectuelen. Hij promoveerde in de geschiedenis aan het Colegio de México en werkte twintig jaar lang samen met Octavio Paz in de redactie van het tijdschrift Vuelta. Krauze schreef verschillende standaardwerken over de recente geschiedenis van Latijns-Amerika en bekleedt sinds 1998 een leerstoel in de geschiedenis aan de Academia Mexicana de la Historia. Daarnaast leidt hij een uitgeverij, Editorial Clío, en is hij oprichter en hoofdredacteur van het vooraanstaande literair-culturele tijdschrift Letras Libres.

DARRIN M. MCMAHON (Verenigde Staten, 1965) is hoogleraar geschiedenis aan Florida State University. Hij werd geboren in Carmel, Californië, en genoot zijn opleiding aan de University of California. Eerder doceerde hij aan Columbia University, Yale en New York University. Hij schreef onder meer het succesvolle Enemies of the Enlightenment (2002) en Happiness: A History (2005), in het Nederlands vertaald als Geluk. Een geschiedenis (2006). Essays en besprekingen van McMahons hand verschenen onder meer in The New York Times, The Wall Street Journal en The Boston Globe. McMahon werkt momenteel aan een geschiedenis van het begrip 'genialiteit' in het westerse denken. Hij leverde eerder een bijdrage aan Nexus 46.

JOSÉ ORTEGA Y GASSET (Spanje, 1882-1955) was een buitengewoon invloedrijk Spaans filosoof. In zijn beroemde boek De opstand der horden (1930) gaf hij op heldere, indringende en welhaast profetische wijze uiting aan een cultuurpessimisme dat gepaard ging met de opkomst van de 'massa-mens'. Waar hij met dit werk internationale bekendheid verwierf, gold hij in het Spanje van het begin van de twintigste eeuw al veel langer als vooraanstaand denker en politicus. Na een studie aan verschillende Spaanse en Duitse universiteiten werd Ortega y Gasset in 1910 benoemd tot hoogleraar psychologie, logica en ethiek in Madrid. Hij publiceerde een groot aantal culturele, filosofische en politieke beschouwingen in verschillende kranten en tijdschriften die nog altijd tot de hoogtepunten van de Spaanse essaykunst worden gerekend. In 1923 richtte hij de Revista de Occidente op, een politiek en literair tijdschrift dat het Spaanse intellectuele leven een impuls moest geven door vertalingen te publiceren van het werk van westerse filosofen als Johan Huizinga, Edmund Husserl en Bertrand Russell. Zijn uitgesproken republikeins activisme maakte dat Ortega y Gasset Spanje moest ontvluchten aan het begin van de Spaanse Burgeroorlog in 1936. Na een verblijf in Argentinië en Portugal keerde hij in 1948 terug naar het Spanje van Franco en werkte hij aan het hoofd van het door hem opgerichte Instituto de Humanidades tot aan zijn dood verder aan zijn indrukwekkende filosofisch oeuvre.

ROB RIEMEN (1962) is oprichter-directeur van het Nexus Instituut en hoofdredacteur van Nexus. Van hem verschijnt deze maand Adel van de geest. Een vergeten ideaal (Atlas ), dat eerder in vertaling in twaalf talen het licht zag.

ROGER SCRUTON (Verenigd Koninkrijk, 1944) was tot 1990 hoogleraar esthetica aan Birkbeck College in Londen en vervolgens hoogleraar filosofie aan Boston University, voordat hij in 1994 freelance schrijver en adviseur werd. Hij schreef meer dan dertig boeken over onderwerpen als filosofie, literatuur en fictie, en zijn werken zijn in vrijwel alle grote talen vertaald. Zijn meest recente boeken zijn een studie van Wagners Tristan und Isolde, getiteld Death-Devoted Heart (2004), de intellectuele autobiografie Gentle Regrets (2005), Culture Counts: Faith and Feeling in a World Besieged (2007) en Beauty ( 2009). Hij houdt zich als gepassioneerd criticus en componist bezig met muziek, geniet faam als een van de meest uitgesproken conservatieve intellectuelen in Europa. Hij publiceerde talrijke beschouwingen in Nexus.

FIONA SHAW (Ierland, 1958) verwierf bij het grote publiek bekendheid met haar bijrol als Petunia Dursley in de Harry Potter-films, maar kenners beschouwen haar als een van de allergrootste klassieke toneelvertolkers en theaterregisseurs van haar generatie. Ze studeerde filosofie voordat zij de toneelschool in Londen doorliep. Fiona Shaw speelde talloze indrukwekkende vrouwenrollen op het toneel, als Celia in As You Like It (1984), Madame de Volanges in Les Liaisons Dangereuses (1985), Katherine in The Taming of the Shrew (1987) en Winnie in Happy Days (2007). Ze vertolkte de hoofdrol in Electra (1988), Hedda Gabler (1991) en Medea (2000) Voor televisie en film schitterde zij in onder meer in Persuasion, Jane Eyre en Anna Karenina. In 2008 regisseerde ze haar eerste opera, Riders to the Sea van Vaughan Williams. Shaw ontving, naast een hoge koninklijke onderscheiding, tot nu toe vier maal de Olivier Award for Best Actress.

GEORGE STEINER (Frankrijk, 1929) wordt met recht 'de laatste Europeaan' genoemd. Zijn joodse ouders verlieten het door toenemend antisemitisme geteisterde Wenen in 1924 en vestigden zich in Parijs, waar George Steiner in 1929 werd geboren. Begin 1940 ontvluchtte de familie Europa en streek neer in New York. Na zijn taal- en letterkundestudies aan de universiteit van Chicago ging Steiner terug naar Europa. Wat Steiner aan de universiteiten van Cambridge en Genève heeft gedoceerd, kan het beste worden omschreven als: oefening in het lezen van de klassieken, de grote werken die hun zeggingskracht blijven behouden. Als briljant essayist met een oneigentijdse eruditie werd hij wereldberoemd met Tolstoy or Dostoevsky. An Essay in the Old Criticism (1959), The Death of Tragedy (1961), Language and Silence (1967), In Bluebeard's Castle: Some Notes towards the Redefinition of Culture (1971), After Babel (1975), Real Presences (1986), No Passion Spent: Essays 1978-1995 (1996), zijn autobiografie Errata (1998), Grammars of Creation (2001), Lessons of the Masters (2004) en Dix raisons (possibles) à la tristesse de la pensée (2005, in vertaling gepubliceerd in Nexus 46). Dit jaar zag Steiners My unwritten books het licht, een originele en uiterst persoonlijke bespiegeling over zeven denkbeeldige boeken die hij om uiteenlopende redenen niet schreef. George Steiner ontving in de hele wereld talloze eerbewijzen, meest recentelijk een eredoctoraat aan de universiteit van Bologna (2006) en de prestigieuze Mexicaanse Premio Alfonso Reyes (2007). George Steiner heeft in Nexus 4, 9, 27, 33 en 46 gepubliceerd. De tekst van zijn Nexus-lezing 2003, met de titel 'The Idea of Europe', is verschenen in de Nexus Bibliotheek (Engelse en Nederlandse uitgave, 2004), gevolgd door vertalingen in alle Europese talen. Steiners bijdrage aan Nexus 50 is gewijd aan de drie talen van de mens: de wiskunde, de poëzie en de muziek.

HEATHER WATTS (Verenigde Staten, 1953) begon in 1970 als balletdanseres bij het New York City Ballet, waar ze door oprichter George Balanchine in 1979 tot eerste danseres werd uitverkoren. Tot aan het galaoptreden in het Lincoln Center in 1995 waarmee ze het podium vaarwel zei, danste Heather Watts hoofdrollen in veel van Balanchines meesterwerken, zoals Agon, Concerto Barocco, Apollo, Symphony in C, Theme and Variations en Serenade. Naast Balanchine schreven ook Jerome Robbins en Peter Martins hoofdrollen speciaal voor haar. Van 1982 tot 1994 was zij directeur van de New York State Summer School of the Arts in Saratoga Springs, waar ze een balletschool voor talentvolle kinderen leidde. Heather Watts heeft een groot aantal (inter)nationale dansgezelschappen geleid en regisseerde en ensceneerde balletten over de hele wereld. Ook ontwierp ze kostuums voor verschillende balletuitvoeringen. Sinds 1995 is ze redacteur kunst en cultuur bij Vanity Fair. Daarnaast is ze bestuurslid van Friends in Deed, een organisatie die aidspatiënten ondersteunt, en ontving zij prijzen voor de colleges die zij heeft gegeven aan Harvard University.

HEINRICH AUGUST WINKLER (Duitsland, 1938), een eminent historicus die zich specialiseerde in de getormenteerde geschiedenis van de Duitse twintigste eeuw, studeerde geschiedenis, politicologie, filosofie en rechten in Münster, Heildelberg en Tübingen alvorens te promoveren in de moderne geschiedenis aan de Freie Universität in Berlijn. Hij werd hoogleraar in Freiburg en daarna in Berlijn, tot hij in 2007 met emeritaat ging. Winkler speelde in de jaren tachtig een belangrijke rol in de Duitse Historikerstreit, waarbij hij aan de zijde van Jürgen Habermas en Rudolf Augstein streed tegen een neutraliserende, historiserende opvatting van het nationaalsocialisme en de Holocaust. Hij beschreef de Duitse Sonderweg in standaardwerken als Weimar 1918 - 1933. Die Geschichte der ersten deutschen Demokratie (1993) en Der lange Weg nach Westen (2000).

DAMIAN WOETZEL (Verenigde Staten, 1967) is directeur van het jaarlijkse Vail International Dance Festival en is werkzaam als producent van dans- en muziekuitvoeringen over de hele wereld. Van 1989 tot 2008 was Woetzel eerste danser aan het New York City Ballet, waar hij alle belangrijke mannelijke hoofdrollen heeft gedanst. Hij was ook regelmatig te zien als gastdanser in internationale gezelschappen en maakte deel uit van de grootste balletgezelschappen ter wereld, waaronder het American Ballet Theatre en het Kirov Ballet. Woetzel was van 1994 tot 2007 artistiek directeur van de School of Ballet aan de New York State Summer School for the Arts. Hij schreef ook over kunst voor Vanity Fair. In 2007 nam hij aan Harvard zitting in de nieuwe Task Force on the Arts. Hij is actief als lid van vooraanstaande kunstadviesraden, jurylid voor de Astaire Awards voor dans en choreografie op Broadway en voor de Princess Grace Awards voor jong danstalent in 2009. Voor zijn artistieke prestaties en zijn bijdragen aan het kunstonderwijs is hij talloze malen onderscheiden.

Nexus Instituut 

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum