Leesfragment: Vrouwen. Een korte geschiedenis

03 oktober 2009 , door Kate Walbert

Deze maand verschijnt bij uitgeverij Ailantus de Nederlandse vertaling van Kate Walberts A Short History of Women, waarover Leah Hager Cohen in The New York Times schreef: 'Her writing wears both its intelligence and its ideology lightly. No manifesto, this is a gorgeously wrought and ultimately wrenching work of art.' Walbert schreef eerder The Gardens of Tokyo en Our Kind (beide vertaald, niet meer leverbaar), waarvan de laatste genomineerd werd voor de Amerikaanse National Book Award.

Met de levens van Dorothy Townsend, haar dochter Evelyn, haar nicht Dorothy, en diens dochters en kleindochter schetst Walbert een subtiel beeld van de veranderende maatschappelijke positie van vrouwen in de twintigste eeuw.

Deze nacht is hier een groot deel van het eerste hoofdstuk te lezen, in de vertaling van Sjaak de Jong.

 

Evelyn Charlotte Townsend

Wardsbury, Grayshead-on-Heath, Engeland, 1914-1918

Mama hongerde zich dood voor het vrouwenkiesrecht, waarover oma stelde dat het typisch mama was om een zaak te ver te voeren. Mama zei dat ze niet anders kon. Bovendien, zei ze, zag de wereld er zonniger uit als je hongerde, werden de scherpe kantjes ervan afgeslepen, raakte je minder ontgoocheld. Dat zei ze in het ziekenhuis, waar het heus wel prettig was met een kamer voor zichzelf, ramen die met ammonia werden gelapt en uitzicht op een muur met klimop en een boomtak bij windstil weer.

Kijk die daar bijvoorbeeld, zei ze. Er waren lelies bezorgd, uit de kas, witte, de kleur van de beweging, die nu in een ziekenhuisfles gepropt stonden, zo’n fles om in te plassen of te spugen. Ze zei dat ze de geur ervan helemaal niet kende. Het was een zegen, zei ze, lelies kunnen ruiken. Dat zei ze toen ze nog praatte, toen ze nog te verstaan was eigenlijk, voor ze de gedaante aannam van een gebroken hockeystick en net zo hard werd ook, voor ze het infuus voor stervende soldaten kreeg dat de zuster nu, zei deze, vermorste aan een vrouw die het zelf zocht. Toen was ik bang dat ik mama kapot zou maken als ik ook maar ademhaalde of iets zei. Voordien had ik echt mijn uiterste best gedaan. Toen gaf ik het op, net als mama had gedaan, en zei niets meer.

‘Je bent te pienter,’ zei oma tegen haar. Ze zat, breiend in de stoel, als een madame Lafarge te wachten op het vallen van de bijl. Ze bleef maar doorpraten. Ze wist niet wie er schuld aan had, zei ze. Ze stuurde de zuster op de soepterrine van Chinees porselein uit, de bruidsgift die ze uit zijn fluwelen hoes had gehaald en naar het ziekenhuis had meegenomen, en op een lepel uit de zilveren bestekset die ze nadien aan mij zou beloven, een set voor zes met bijzonder filigraan. ‘Je bent te pienter voor zulke stommiteiten,’ zei ze terwijl ze onder het toeziend oog van de zuster bouillon op de stokoude blauwe Chinees in de bijbehorende kom schepte. ‘D’r is geen mens die er aandacht aan geeft.’

Maar mama keerde zich gewoon af.

 

William kwam naar de wake met zijn advocatenpruik op; volgens de kranten was hij tijdelijk de kluts kwijt. Daar geloofde ik helemaal niets van. Het was trouwens al december. Iedereen was tijdelijk de kluts kwijt met die oorlog die nog niet gewonnen was en zich maar voortsleepte en met die loopgraven die maar niet van hun plaats kwamen. Mama had William listig genoemd. Een sprankelende pronker, zei ze, alsof hij erbij was en ze nog als vroeger koket met hem kon kissebissen. Dat ze wanhopig veel van hem hield begreep ik wel, ook al zei ze dat nooit met zoveel woorden; hij was immers nog met die dochter van een hoge pief getrouwd en zijzelf was in feite minder dan een weduwe: een geletterde vrouw die lang geleden in de steek was gelaten door mijn inmiddels op Ceylon overleden, althans vermist geraakte vader. Zij hield het bij: ‘William is een dierbare oude vriend’ en: ‘Soms doen we stoute dingen.’

Voor haar overlijden kwam hij weleens kort langs, of niet, maar bij de wake bleef hij ontzettend lang, met pruik en al. Naast hem lag mama als een dood offerdier in een eenvoudige kist met over haar kleine, bewegingloze boezem een lavendelblauwe sjerp waarop stemrecht voor vrouwen stond, tot de stijve ellebogen dichtgeknoopte geitenleren handschoenen en hoog opgekamd, opgestoken haar.

Toen mijn peettante Alexandra opperde dat ik een stukje op de piano zou spelen, zei ik botweg: nee. Ik was pas dertien geworden en kon doen en laten wat ik wilde. Thomas zou trouwens spelen. Thomas speelde altijd. En dat deed hij zo mooi dat je niet wist of de mensen nu huilden om de aanblik van onze dode mama of het talent van haar kreupele zoon. Hij hield zoveel belofte in zich dat ik er stapelgek van werd. Zoals mama altijd had zitten luisteren! Zoals Juf en Penny in de keuken voor hem klapten! Zelfs de vogel, een kanarie om alarm te slaan, zat roerloos en zonder geluid te maken in zijn kooitje als mijn broertje Thomas speelde. En daarom was het mooie Thomas waaromheen het rouwbezoek zich verzamelde, over wiens bolletje, arm, schouders en handen gleden als was hij wijwater. Zonder er veel aandacht aan te besteden speelde hij, gebogen over de toetsen, met gespreide ellebogen en met hakkende handen een van haar lievelingsstukken. Ze zullen hem weldra naar Amerika verschepen, weet hij, aan de overkant van de oceaan. Oma zei dat ze zich een van ons kan veroorloven, maar dat twee onderhouden een hele toer is. Hij kan bij een ander gezin, bij oude vrienden in San Francisco.

Opgeruimd staat netjes, dacht ik, terwijl ik met de anderen meeluisterde, met oma, Alexandra, een stuk of wat buurvrouwen, de dames die mama strijdgenoten noemde en William, tot het moment dat hij met een buiging de salon verliet en de deur achter zich dichttrok. De dames ruisten terug naar hun dansstoeltjes, waar ze het boekje opnamen met de gedichten waarvan oma zei dat mama ze mooi zou hebben gevonden. Iedereen ging zitten en sloot de ogen als om van elders te dromen.

Ik peerde hem naar de keuken om Juf en Penny gezelschap te houden. Wat moeten zij straks? Juf gaat met Michael trouwen, de melkboer, en verhuist naar Wales om daar een heel ellendig leven te leiden. Een hele rits kinderen. Klusjes op de boerderij. Michael wordt net als iedere man een zuiplap en van het een komt dan het ander. Penny pakt haar spullen in een kartonnen doos en neemt de trein naar het oosten. Ze verdwijnt zoals onze vader verdween, zo lang geleden dat we hem ons niet eens meer herinneren. Hij waande zich Lord Byron, zei mama, hoewel hij maar baronet was en dat alleen omdat er wat met geld was geschoven. Waarom ze dan met hem getrouwd was wist ze niet. Hij was vermist geraakt op Ceylon, of daar door de inboorlingen opgegeten. Toen ik zes werd, kreeg ik een kist met bezittingen van hem: manchetknopen, een deken van hennepgaren en een woordenboek van verdwenen woorden dat Woordenboek van verdwenen woorden heette en dat ik natuurlijk ben kwijtgeraakt omdat ik nu eenmaal alles en iedereen tussen mijn vingers door laat glippen, uiteindelijk zelfs oma, een paar jaar na mama’s dood.

Ze zei dat ik maar uit Wardsbury weg moest gaan, beter af was bij madame Lane, die een onderwijsinstelling had in een veilig oord. Ze zei dat ik prettig gezelschap was geweest, maar met het oog op die eindeloze oorlog en die gevaartes van zeppelins boven ons het best verder naar het noorden kon zitten. Daar, in de betrekkelijke vrede die met afstand komt, in vrede als zodanig, zei ze, zou ik leren wat ik leren moest. Daar, beloofde ze, zou ik meisjes van mijn leeftijd treffen en vriendelijker leraressen dan zij, en laatst had ze vernomen dat het een nog altijd heel respectabele inrichting was: een gewezen reizigershotel, niet al te ver van York, in een stadje dat Grayshead-on-Heath heette. Ze zei dit alles aan de eettafel, zij aan het hoofd en ik aan het andere eind, waar we samen de maaltijden gebruikten alvorens onze eigen vertrekken weer op te zoeken. Het was een gewoonte geworden getweeën alleen te leven: ik in mijn boeken en zij met haar speelkaarten, haar borduurwerk en de conversatie die ze haar levensbron noemde, de conversatie met een gestage stroom bejaarde vrouwen binnen bezoekafstand die bij aankomst hun witte kaartje in de daarvoor gereserveerde zilveren schaal deponeerden.

Door het raam zag ik een reep zonsondergang verbleken.

Bovendien mag je wel wat milder worden, zei ze. Je bent hard als steen, zei ze, en dat maakt een jongedame van jouw leeftijd er niet aantrekkelijker op en, maar dat dacht ze in plaats van dat ze het zei, kijk wat er van je moeder is geworden.

‘Ik ben niet meer bij machte in loco parentis te zijn,’ zei ze, terwijl ze met een krassend geluid van een van haar zilveren messen de kippenpoot op het porseleinen bord ontbeende. Nu haar reuma opspeelde, zei ze kauwend, was ze van plan om naar Newquay te drossen. ‘Ik wil weleens een gewone week, een maandag of dinsdag voor mezelf,’ zei oma.

 

En dus sleepte ik na aankomst bij madame Lane als een doodgewoon meisje mijn koffer (een poetskist die mijn peettante Alexandra tweedehands op King’s Road had gekocht onder het voorwendsel dat ik paard ging rijden en dat dat wel zo mooi was omdat daar het geld zat en ik bijna niets meer had) de brede stenen trap op.

Met een rok die tegen mijn knieën sloeg en riekend (ongesteld, en al probeer je de geur te negeren, je riekt wel) besteeg ik de trap en stinkend als iets wat met het paard was meegekomen – dàt, samen met de lucht van haver of hooi of de zadelzeep waarmee ze een hoofdstel schoonmaken – verstapte ik me ook nog op de bovenste tree en kreeg ik mijn poetskist op mijn teen.

Brigid, het meisje dat me was toegewezen, pakte mijn teen in met verbandgaas en pleister. Ze was Schots, maar niet van het katholieke slag, en dat pakte uitstekend uit omdat datgene waar mama voor stond die mensen de stuipen op het lijf joeg en ik ze toch al beu was. Brigid vertelde dat ze in elfjes geloofde, dat ze in planten wonen of aan het einde van de regenboog. Thuis in Inverness, vertelde ze, verzamelde ze ochtenddauw in een vingerhoedje en als ze dat dan op een boomstronk zette, was het ’s middags door de elfjes leeggelikt. Geen groot licht, zei Alexandra over haar, maar als vriendin kan Brigid ermee door sinds ze me vertelde dat de kleuren van mijn teen – alle tinten groen en blauw – haar aan Schotland deden denken, wat volgens haar betekende dat we ons hele leven huisgenoten bleven. Dan gaan we naar het buitenland, zei ze, achter een houten deur wonen in Florence met alleen een brandertje. En anders naar Parijs, met een bediende.

Bij madame Lane wordt verwacht dat we werken. De schoolvakken zijn voordrachtskunst en rekenen. We naaien gordijnen en steken de vastgeverfde ramen los. De ramen zijn verduisterd. We halen spinnenwebben weg en vegen het uit de steengroeves neergeslagen stof op. Voor veel andere dingen zijn we nog te jong, maar toch… we rollen verbandgaas en verzamelen oude kleren. Wij – Brigid, Josephine, van wie de ouders gescheiden zijn en de vader nog voor het jaar om is zijn hersens tegen het plafond zal schieten, Abigail, die direct na aankomst in april met een envelop vol zaadjes naar de tuin van de meisjes toog, piepkleine stipjes allemaal, en daar sindsdien zit te kijken hoe alles groeit, Rebecca, een joodse, zei iemand, al was het voor het eerst dat we een joodse zagen, Filomena, die weigert te praten en zich zelden wast, en Harriet, o-god-Harriet – wij zijn de meisjes die blijven zolang de oorlog duurt. Er zijn er nog een paar, we zijn met een stuk of tien; allemaal van ergens ver weg en hier ingeschreven om in veiligheid – dat wil zeggen: veilig voor de Kaiser – ons steentje bij te dragen. Je hebt van die affiches waarop hulpeloze meisjes als wij dreigen te worden vertrapt onder de grote, zwarte laarzen van zijn soldaten. Ze hangen op ieder treinstation, bij iedere winkel in Grayshead op de ruit of de deur. De mannen vechten voor ons, geven ze aan. Het is één langdurig duel.

De een krijgt de bibbers van die affiches en de ander nachtmerries, maar, zegt madame Lane, ons lot ligt in Gods handen en we moeten vertrouwen stellen in ons geloof. Het geloof hier is een bijna ondraaglijke stilte. Iedereen is vertrokken. Vroeger werden op het saffraangele veld naast ons paarden getuigd en bereden, maar de paarden zijn verkocht, zegt madame Lane, en het geel is ondergeploegd om plaats te maken voor mais en wortelgewassen. Er is weinig te eten en we lijden vaak honger. Toch blijven we netjes in de rij lopen, in slagorde, en volgen we de instructies van de mannen op, van mannen op verlof en mannen die nooit ten oorlog zijn gegaan; ze hebben het allemaal op hun heupen. Ze praten te snel en schrikken al van een opgestoken hand. De surveillantes hebben het niet op hun heupen; die zijn gewoon gek. Ze werken zich uit de naad, zeggen ze steeds, hebben honderd dingen te doen, alles mannenwerk. Of we de foto’s hebben gezien. Eentje heeft zelfs de handleiding van de tractor gelezen en de krukas gerepareerd. Stel je voor, zeggen ze. Stel je voor en dan is het dit en dan is het dat.

Wat dan? vragen we.

Dit, dat, zeggen ze, met een gebaar in de richting van de koude blauwe bergen verderop, naar de berg puin op een van de toppen waar ooit een kasteel stond, of naar de rottende witte eik die ze hebben omgehakt nu het weer al is omgeslagen en het niet warm genoeg is in huis. Het is nooit warm genoeg en het zijn de surveillantes die ’s ochtends het eerst op zijn om aanmaakhout van de dode takken te trekken zodat ze rondlopen met splinters in hun handen en polsen en allemaal ingedroogde blaren. Het is moeilijk voor te stellen, maar eens waren het schatjes.

 

Eind oktober komt Alexandra, mijn peettante, op bezoek. Ze heeft haar vosje om en een zegelring met een robijn aan haar hand. Ze schrijft een briefje om te melden dat ze Brigid en mij mee naar Grayshead neemt om scones met slagroom te eten. Ze kent iemand en kan kopen wat ze wil. Na de scones proberen we in het doolhof van keienstraatjes het gele vlaggetje van een hoedenmaakster te vinden. Alexandra vindt dat ik een hoed moet hebben.

Het stadje ligt in een vallei heel ver benoorden Londen, vrij dicht bij York, zoals oma zei, en wordt omringd door een middeleeuwse stadsmuur waar Brigid en ik met de armen wijd overheen lopen, alsof we zonder meer verder zouden vliegen als we vielen. In de verte pakken donderkoppen zich samen, maar wat maakt ons het weer uit, zegt Alexandra met haar ogen op de kasteelruïne. Ze stelt voor het daarboven te gaan verkennen, ook al ziet het kasteel er gewoon uit als een berg stenen en is het ook gewoon een berg stenen, neergekwakt op wat een mooi cricketveld had kunnen zijn, zegt Alexandra. Ze zegt nog veel meer, maar dan zegt ze wat ze de hele tijd al heeft willen zeggen, namelijk dat ze heeft besloten weg te gaan, dat ze voor later die week een overtocht naar Buenos Aires heeft weten los te praten op een vrachtboot, dat ze, hoe ze ook haar best doet, de moord en doodslag om haar heen niet meer kan verdragen: alleen al aan de Somme een miljoen doden, onder wie vier zoons van de buren en een neef, een verlegen knul van net zestien die zich het leger in had gelogen. En waarvoor? vraagt ze, alsof ik het weet. ‘Voor de eer? Zijn eer? Onze eer?’

Ik hang mijn nieuwe hoed over mijn knie, die van een andere valpartij net zo bont en blauw is als mijn teen. Het is een hoed van rood vilt, in model gebracht op een houten kop, en met een patrijzenveer in de band; zo’n veer brengt kennelijk geluk, zoals een muntje in een wensput gooien.

‘Adios,’ zeg ik, wat mijn enige Spaans is.

‘Adios,’ zegt Alexandra. En dan lachen we en is ook zij verdwenen, zwaait ze daar in de haven naar de mannen op de ziekenboot en loopt ze met haar hakschoenen het beschadigde fruit plat. Ze heeft haar vosje om en haar volle haar krult over één oog. Ze is nog niet heel oud en evenmin heel jong. Ze is handig en slim, zou typiste kunnen worden of onderwijzeres. Ze heeft geleerd, dus wie zal het zeggen? Ze moet improviseren, schrijft ze later. En ze zal doen wat nodig is.

Oorspronkelijke titel A Short History of Women
Copyright © 2009 Kate Walbert
Copyright Nederlandse vertaling © 2009 Sjaak de Jong / Uitgeverij Ailantus

Verder lezen? Op de website van Ailantus kun je het volledige hoofdstuk lezen.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum