Leesfragment: Alexander en Darius

27 november 2015 , door Henk Singor, Diederik Burgersdijk
| | | |

30 oktober vindt het Zenobiacongres Alexander en Darius plaats in de aula van de UvA. Vanavond kunt u zich al inlezen en -kijken met de tentoonstelling in de Hermitage, het boek De komst van Alexander van een van de sprekers, Henk Singor, en een vraaggesprek met organisator Diederik Burgersdijk.

Én lees Lucinda Dirvens recensie van Athenaeums actietitel, Pierre Briants Alexander the Great and his Empire.

Als opvolger van het succesvolle congres over Constantinopel in 2009 organiseert de Stichting Zenobia samen met diverse partners dit jaar het Vierde Zenobiacongres, over Alexander de Grote. Het wordt een dag over de confrontatie tussen Alexander, de legendarische veroveraar, en zijn Perzische tegenstrever Darius, alsmede de sporen die zij van Macedonië tot in Babylon en Alexandrië hebben nagelaten. Aandacht voor geschiedenis, archeologie, beeldende kunst en literatuur, vanuit oostelijk én westelijk perspectief, van de oudheid tot heden.

Perzische bronnen en de receptie: een andere Alexander en Darius

We vroegen mede-organisator Diederik Burgersdijk over het congres. In welke mate boekt de wetenschap nog vooruitgang als het om Alexander en Darius gaat? In welke mate zijn daarbij andere talen dan het Grieks voor nodig? En naar welke lezing kijkt hij het meeste uit?

'In de afgelopen decennia heeft het oosters perspectief, onder invloed van geleerden als Pierre Briant, Bert van der Spek en wijlen professor Sancisi-Weerdenburg, veel terrein gewonnen. Een concreet voorbeeld is het gebruik van de astrologische dagboeken van de Babyloniërs, waardoor bepaalde gebeurtenissen rond de komst van Alexander precies gedateerd kunnen worden. Toch blijven Grieke historiografen, zoals Arrianus of Plutarchus, verreweg de belangrijkste bron. Het verschil met vroeger is dat deze bronnen veel meer worden gelezen met het oog op de oosterse situatie die Alexander aantrof toen hij als veroveraar het Perzische rijk doorreisde. Een omwenteling in de visie op Alexander is dat hij zich als wettige erfgenaam van de Perzische koningen presenteerde, en de organisatiestructuur van het Perzische rijk in stand hield. Dat verandert de voorheen vigerende beelden van Alexander als vereniger der volken, of juist als niets ontziend machtswellusteling. Niet voor niets hebben we het congres 'Alexander en Darius' genoemd, als onlosmakelijk met elkaar verbonden vorsten.

Het spijkerschrift blijkt dus heel belangrijk om de wereld die Alexander aantrof te begrijpen. Er is nu het prachtige bronnenboek van Amelie Kuhrt, The Persian Empire (2007), waarmee ook de niet-ingewijde in spijkerschrift zijn voordeel kan doen. Maar voor de reconstructie van het leven en de historische gang van zaken rond de veroveringstocht blijven de Griekse historiografen het meest van belang.

Ik kijk zelf erg uit naar de lezing van Amélie Kuhrt. Zij heeft het handzame boek van Pierre Briant, Alexander the Great and his Empire, in het Engels vertaald. Hierin worden, na een beknopt historisch overzicht, zeer interessante wetenschappelijke kwesties behandeld, die tonen hoezeer traditionele beelden van Alexander genuanceerd kunnen worden. Bert van der Spek zal vertellen hoe Perzische bronnen ons meer kunnen leren.
Verder hebben we met de keuze voor de sprekers veel aandacht aan de receptie van Alexander willen besteden: Wouter Henkelman, Gabriëlle van den Berg, Maarten Klein, Daan den Hengst en Eric Moormann behandelen allen hoofdstukken uit de oosterse en westerse geschiedenis. Hierin komt vaak een andere Alexander te voorschijn dan de historische, maar wel een Alexander die in de beleving van de oudheidslievende mensen de historische Alexander is. Daarbij is het aardig dat twee schrijvers van recente Alexanderboeken, Henk Singor en Robbert Bosschart, acte de présence geven. Ja, als ik het nu zo overzie: ik heb eigenlijk zin in het gehele congres.

Alexander in de Hermitage

Geen koning uit de Oudheid spreekt zo tot de verbeelding als Alexander de Grote (356 – 323 v. Chr.). En geen koning is zo vaak als voorbeeld gebruikt en afgebeeld. De tentoonstelling De onsterfelijke Alexander de Grote is van 18 september 2010 tot en met 18 maart 2011 te zien in de Hermitage Amsterdam en omvat meer dan 350 topstukken, waaronder de beroemde Gonzaga-camee, uit het Staatsmuseum de Hermitage St.- Petersburg. Het is de eerste keer in Nederland dat een tentoonstelling wordt gewijd aan Alexander de Grote, zijn reis naar het Oosten en de invloed van het hellenisme. De expositie beslaat een periode van bijna 2500 jaar. In de Hermitage Amsterdam komt de ‘onsterfelijke’ Alexander voor zes maanden tot leven.

Tegelijk vindt in het Allard Pierson Museum de tentoonstelling 'Alexanders Erfenis. Grieken in Egypte' plaats. Die tentoonstelling richt de aandacht op Egypte omdat Alexanders erfenis daar de meeste en duidelijkste sporen heeft achtergelaten. De door de Grieken gevestigde dynastie in Egypte, het Ptolemaeënrijk, bleef bestaan tot 30 v.Chr. Toen verloor de laatste farao van de dynastie, de legendarische Cleopatra, haar macht aan de Romeinen. Maar Alexanders erfenis ging daarmee niet verloren en drukte zijn stempel op het Romeinse Rijk en daarmee op Europa. De baanbrekende resultaten die in Egypte na zijn dood op vele terreinen werden bereikt, vormen een erfenis waar wij nog dagelijks van profiteren. De tentoonstelling 'Alexanders Erfenis' laat dit zien aan de hand van originele voorwerpen uit de periode na de dood van Alexander.

Buste van Achilles Romeinse kopie, 2de eeuw n.Chr., naar Grieks origineel, 170–160 v.Chr. Marmer, h 42 cm  © State Hermitage Museum, St Petersburg
Buste van Achilles
Romeinse kopie, 2de eeuw n.Chr., naar Grieks origineel, 170–160 v.Chr.
Marmer, h 42 cm

© State Hermitage Museum, St Petersburg

Stater Macedonië, Alexander de Grote, 336–323 v.Chr. Goud, Ø 18 mm  © State Hermitage Museum, St Petersburg
Stater
Macedonië, Alexander de Grote, 336–323 v.Chr.
Goud, Ø 18 mm

© State Hermitage Museum, St Petersburg

De komst van Alexander

1
De baardloze veroveraar

In het voorjaar van 334 voor Christus vernam het Perzische hof dat in het westen van het rijk een leger vanuit Macedonië was binnengevallen. Het bericht kwam niet als een verrassing. Dareios Kodomannos, Koning der Koningen, heerser van de Egeïsche Zee tot de Indus, had dit voorzien. Twee jaar eerder, in 336 was al een Macedonische voorhoede overgestoken, de openingszet van de Macedonische koning Filippos, al had die troepenmacht nog niet veel uitgericht. Nog eerder, in 338, had Filippos, nadat hij praktisch heel Griekenland had onderworpen, op een congres van Griekse staatjes in Korinthe al duidelijk zijn bedoeling uitgesproken om het Perzische Rijk aan te vallen. Filippos was in 336 in Macedonië vermoord, maar de voorhoede onder zijn generaal Parmeniôn was in Klein-Azië (het huidige Turkije) gebleven. Alexander, zijn zoon en opvolger, had eerst met opstanden onder Balkanvolken en Griekse stadstaten te maken gehad, maar zijn snelle overwinningen hadden elk verzet tegen hem in Europa volledig onderdrukt. Het Perzische Rijk kon sindsdien de aanval verwachten. Dareios en zijn raadslieden besloten dat het beneden de waardigheid van de Grote Koning was om zich persoonlijk met het terugslaan daarvan in te laten. Daartoe waren naar hun oordeel de satrapen in Klein-Azië voldoende in staat. Wel had Dareios het aanwerven van duizenden Griekse huursoldaten bevolen. Tegelijk mobiliseerde hij zijn vloot, die vanuit de Fenicische kust naar de Griekse wateren koers moest zetten. De ervaren Memnôn van Rhodos zou met zo’n 15.000 Griekse huurlingen de troepen van de satrapen versterken. Men zag het in vertrouwen aan. Per slot van rekening was de agressor een jongen van eenentwintig jaar die niet eens een baard had.

[…]

Alexanders invasie van Klein-Azië

Nadat het leger verzameld was rond Pella, de Macedonische residentie, begon in het vroege voorjaar van 334 de tocht naar het oosten. Een transportvloot voer langs de kust met het leger mee. Na drie weken bereikte het de Hellespont (nu de Dardanellen), de zee-engte tussen Europa en Azië.
Van Sestos op de Europese oever stak Alexander over naar Abydos op de Aziatische, een haven die door de Macedonische voorhoede al in bezit genomen was. Halverwege liet hij op zijn schip een stier slachten als offer voor Poseidon en plengde hij wijn uit een gouden schaal in zee. Zulke gebaren waren nodig ter geruststelling van het leger aan het begin van zo’n enorme onderneming en om de ernst te tonen waarmee de jonge koning de oorlog opvatte. Tegelijk onderstreepten ze theatraal het plechtige karakter van deze oversteek naar Azië, zo anders, kon men menen, dan het brute geweld waarmee indertijd Xerxes volgens de geschiedschrijver Herodotos zijn leger over een schipbrug naar de andere oever had gejaagd. Bewust symbolisch slingerde Alexander een lans in de Aziatische bodem en sprong vervolgens als eerste aan land. Alles wat hij op dat continent zou veroveren zou hem nu rechtens toekomen, was de gangbare Griekse opvatting. Altaren werden opgericht en offers gebracht aan Zeus, Athena en Herakles, de goden die de krijgskans bepaalden, om dat historische moment te markeren.
Onmiddellijk na de landing bezocht Alexander met een klein gezelschap het nabijgelegen Ilion dat algemeen met het Troje van Homerus geïdentificeerd werd. Hij bekranste er het graf van Achilleus, of wat daarvoor door moest gaan, van wie hij van moederszijde een afstammeling was, zo heette het, terwijl zijn vriend en minnaar Hefaistion dat van Achilleus’ vriend Patroklos bekranste. Vervolgens renden beiden als atleten en dus naakt ter ere van die heroën een ronde. Voor Grieken was dat normaal, al zullen sommigen dit optreden van de koning misschien overdreven gevonden hebben, terwijl de Macedoniërs hun ‘Homerische’ vorst er vermoedelijk alleen maar meer om hebben bewonderd. Perzen en andere Aziaten daarentegen moeten zo’n scène hoogst bevreemdend gevonden hebben, als deze gebeurtenis hun al ter ore kwam.
Alexanders bewondering voor al het Homerische was oprecht. Een exemplaar van de Ilias had hij op zijn expeditie meegenomen, evenals trouwens ander literair werk, zoals dat van Pindaros en Euripides en de boeken van de Athener Xenofon over het Perzische Rijk. Diens beschrijving van de terugtocht van de 10.000 Griekse huurlingen na de slag bij Kounaxa in 401 was als een leerboek voor volgende militaire expedities in Azië. Bovenal heeft de Kyroupaideia, Xenofons fictieve beschrijving van de opvoeding en regering van Kyros, de stichter van het Perzische Rijk, diepe indruk op de jonge Alexander gemaakt, die bij latere gelegenheden zich als een opvolger en gedeeltelijke navolger van Kyros zou presenteren. Als jongens van twaalf tot zestien hadden hij en een groepje aristocratische leeftijdgenoten bovendien les gekregen van de grote Aristoteles die zijn
vader speciaal naar Macedonië ontboden had. We kunnen een beetje vermoeden wat Alexander precies van hem had opgestoken. Een belangstelling voor allerlei ‘wonderen’ van de natuur, dus voor het onbekende in planten- en dierenwereld en voor geografische vraagstukken, behoorde daar zeker toe; het was een element dat in latere legenden over Alexander een opvallende rol zou spelen. Zijn liefde voor Griekse poëzie kan eveneens door Aristoteles zijn gestimuleerd, al mogen we aannemen dat het enthousiasme voor Homerus ook uit hemzelf voortkwam. Het sloot nauw aan bij zijn Macedonische achtergrond, waar de soldaten van hun koning een waarlijk heroïsch gedrag verlangden. Daardoor leende al dat verwijzen naar Homerus in zijn gedrag in Ilion en bij latere gelegenheden zich ook zo goed voor propagandistische doeleinden. Voor zijn vertrek uit de stad die hij plechtig ‘vrij’ verklaarde, wijdde Alexander zijn wapenrusting in de tempel van Athena en nam daarvoor een oud schild, dat nog uit de Trojaanse oorlog zou stammen, met zich mee. Als een kostbaar souvenir zou hij het de hele veldtocht in zijn nabijheid mee laten dragen en in India zou het hem nog eens het leven redden.
Na zijn terugkeer uit Ilion inspecteerde Alexander zijn troepen. Zes falanxregimenten van samen 9000 man, 3000 Hypaspistai en een ruiterij van 1800 Hetairoi vormden de Macedonische hoofdmacht. Daar kwamen aan cavalerie nog evenzoveel Thessalische ruiters, 600 ruiters uit de Griekse stadstaten en zo’n 900 uit Thracië en andere Balkanstreken bij; aan infanterie verder 7000 hoplieten uit Griekenland, evenzovele lichtgewapenden uit de Balkanvolken ten noorden van Macedonië en nog eens 5000 à 6000 aan licht- en zwaarbewapende Griekse huurlingen. Bij elkaar telde het expeditieleger 5100 ruiters en bijna 32.000 man te voet. Hier mag men de twee jaar eerder vooruitgezonden voorhoede bij optellen, zodat Alexanders troepen in 334 in totaal ongeveer 40.000 man infanterie en 6000 aan cavalerie geteld moeten hebben, voor Griekse begrippen een reusachtig leger. Het aantal bedienden, wapendragers en andere noncombattanten moet ten minste 10.000 tot 15.000 hebben bedragen, een aantal dat in de loop van de expeditie nog aanzienlijk zou toenemen. De hele legermacht kan men zien als een zich langzaam voortbewegende ‘stad’ van meer dan normale omvang.
In Macedonië zelf had Alexander de oude generaal Antipatros met een iets kleiner leger als zijn gevolmachtigde achtergelaten. Maar ook kreeg de koningin-moeder Olympias bepaalde bevoegdheden als regentes, zodat zij kon waken over de belangen van haar zoon en een oog kon houden op Antipatros die zij haatte. De interne Macedonische politiek werd nu eenmaal beheerst door eerzuchtige individuen die met familie en aanhang facties vormden die weer met andere facties rivaliseerden. Alexander had onvermijdelijk zijn vijanden onder de Macedonische adel; sommigen van hen had hij in 336 onmiddellijk uit de weg geruimd, tegenover anderen was hij voorzichtiger door ze mee te nemen op de expeditie of te benoemen op posten waar ze niet direct een gevaar betekenden. Het is waarschijnlijk dat hij ook Antipatros, diens zoon Kassandros en schoonzoon Alexandros wantrouwde. De laatste nam hij mee naar Azië en zou hij na enkele jaren alsnog laten executeren. Een andere factie was gegroepeerd rond Parmenion, de oude veldheer van Filippos, en diens zoons Filotas en Nikanor. De twee bekleedden aanzienlijke posities als commandant van respectievelijk de Hetairoi-ruiterij en de elitetroepen van de Hypaspistai, terwijl hun vader als onderbevelhebber van het leger optrad. Vier jaar later zou Alexander ook die familie elimineren. Jongere officieren dienden als bevelhebbers van diverse kleinere afdelingen. In de loop van de campagnes zou door sterfgevallen, executies, benoemingen en overplaatsingen de oude garde meer en meer aan invloed verliezen ten gunste van jongere officieren die vaak uit de kring van Alexanders jeugdvrienden voortkwamen.
Alexanders landing in Klein-Azië mocht dan wel niet onverwachts gekomen zijn, de satrapen hadden geen poging gedaan die te verhinderen. Zij hadden hun regionale troepen en Iraanse ruiters verzameld op een punt even ten zuiden van de Zee van Marmora. Versterkt door de 15.000 Griekse hoplieten onder bevel van Memnon, telde hun leger misschien tegen de 10.000 ruiters en ongeveer 20.000 man infanterie. De verstandige raad van Memnon om een confrontatie uit de weg te gaan, een tactiek van verschroeide aarde toe te passen en intussen met de vloot Griekenland aan te vallen en tot opstand tegen de Macedoniërs te bewegen, werd als te radicaal afgeslagen. Men besloot slag te leveren aan de rechteroever van het riviertje de Granikos.
De slag aan de Granikos is voor ons niet meer met zekerheid te reconstrueren. De Griekse bronnen – en dat zijn de enige die we hebben – bieden twee versies. In de ene valt Alexander als onstuimige held onmiddellijk na aankomst bij de rivier aan en weet hij in een charge met zijn Hetairoi de Perzische ruiters op de andere oever op de vlucht te jagen, waarna de Griekse huurlingen in Perzische dienst omsingeld en afgemaakt of gevangen genomen worden. In de andere is dit alles wel aanvankelijk Alexanders plan maar laat hij zich daarvan afbrengen door de voorzichtige Parmenion en wacht hij tot de volgende morgen om dan in alle rust zijn hele leger over te zetten en op de andere oever in een geregelde veldslag de vijand te verslaan. Zo’n dubbele overlevering, een positieve en een negatieve traditie, komt in de bronnen over Alexander dikwijls voor. Vaak is het onmogelijk om daartussen te kiezen. In dit geval lijkt de eerste versie toch waarschijnlijker, juist omdat de Perzische opstelling met ruiters in plaats van gedisciplineerde infanterie pal aan de rivieroever tactisch onhandig was en eigenlijk tot een onmiddellijke aanval uitnodigde. Die Perzische opstelling kwam dan vermoedelijk voort uit het dedain dat die Iraanse cavalerie voor infanteristen, en dan nog huurlingen, koesterde. Opmerkelijk is overigens de overwinning die Alexanders ruiterij in beide versies behaalt op de numeriek sterkere tegenstanders. De verklaring daarvoor ligt afgezien van mogelijk betere bewapening en van het enthousiaste, agressieve leiderschap dat Alexander steeds overal ten toon spreidde, in de geoefendheid en slagveld-ervaring die de Macedonische ruiters – hetzelfde geldt overigens voor de Macedonische infanterie – in verschillende campagnes hadden opgedaan, ervaringen die de Iraanse ruiterij miste. Het voorspelde voor de Perzen niet veel goeds.
De Griekse huurlingen aan Perzische kant liet Alexander als ‘verraders’ van de Griekse zaak afslachten en de weinige overlevenden als slaven naar Macedonië transporteren. Dat moest het beeld versterken van een wraakoorlog van ‘alle’ Grieken onder zijn leiding tegen de Perzische erfvijand. Memnon had overigens kans gezien zich met een deel van zijn troepen naar de Griekse kuststeden terug te trekken om daar het verzet verder te organiseren. De grote Perzische – eigenlijk Fenicische – oorlogsvloot was onderweg, zodat een tegenoffensief niet onrealistisch scheen.

© Henk Singor

Beeldmerk
Hermitage Amsterdam
Uitgeverij Ambo|Anthos

MINDBOOKSATH : athenaeum