Leesfragment: Andere achterhuizen. Verhalen van Joodse onderduikers

27 november 2015 , door Marcel Prins, Peter Henk Steenhuis

Onlangs is Andere achterhuizen, door Marcel Prins en Peter Henk Steenhuis, verschenen, met getuigenissen van onderduikers. Daaruit mogen we vandaag het verhaal van Lowina de Levie laten lezen, dat in een andere vorm ook te zien en beluisteren is op andereachterhuizen.nl. Bestel nu uw exemplaar.

Spreken we over de onderduik dan denken we aan Anne Frank. Maar wat weten we van de vele duizenden andere Joden die in de Tweede Wereldoorlog in ons land onderdoken? Velen van hen werden alsnog opgepakt, gedeporteerd en meestal vermoord in de concentratiekampen.
Dit boek bevat de verhalen van vijftien mensen die het wel overleefden, mannen en vrouwen die horen tot de laatste getuigen. Het zijn hún verhalen, die nu nog verteld kunnen worden, en vaak vertellen zij ze voor het eerst. Ze werden opgetekend door Marcel Prins en Peter Henk Steenhuis.

De onderduikgeschiedenissen zijn zo indringend en zo divers dat ze stuk voor stuk een documentaire waard zijn. Daarom is er de website Andere Achterhuizen.nl, waarop een groot aantal herinneringen uitgewerkt zijn tot korte animaties. Boek en website vormen één geheel. Lees dit boek en kijk op www.andereachterhuizen.nl.

Screenshot van andereachterhuizen.nl, de pagina van Lowina de Levie.
Screenshot van andereachterhuizen.nl, de pagina van Lowina de Levie.

Jacques

Lowina de Levie,
geboren in Amsterdam op 10 april 1926

Op het Joods Lyceum had ik een vriendje, Jacques. We hebben één keer samen geschaatst. Na afloop bracht hij me naar huis, met de fiets. Het woei hard, en ik moest daardoor huilen. O God, dacht ik, waarom moet ik nu huilen, op dit moment, terwijl ik zo blij ben dat hij met mij fietst.
Dat we in de oorlog op een dag niet meer mochten fietsen, dat winkels verboden werden, dat we met een ster moesten lopen — nee, dat alles maakte niet zo veel indruk op mij. Het meest ingrijpend was de angst. Vooral ’s nachts in bed was ik bang. Als ik maar iets hoorde, dacht ik dat Jacques gepakt zou worden bij een razzia.
Ik besefte bij het begin van de oorlog al wel dat ik Joods was, en dat er vooral Joden werden opgepakt. Toch waande ik mijzelf veilig, mijn angst betrof de anderen die gearresteerd zouden kunnen worden. Dat was niet zo vreemd. Via mijn vader heb ik een tijd een baantje gehad bij de Joodsche Raad, die hem, vanwege zijn beroep, beschermde. Anders gezegd: wie een baantje bij de Joodsche Raad bemachtigde, kreeg een voorlopige vrijstelling voor depor­tatie, een Sperre.

Lowina (links) omstreeks 1939.
Lowina (links) omstreeks 1939.

Mijn vader was een op Freud georiënteerde psychiater. Hij hield voor de oorlog praktijk aan huis, in een groot pand aan de Amsterdamse P.C. Hooftstraat. Later hebben de Duitsers van ons pand, met de twee belendende panden, een hotel gemaakt. Dat bestaat nog altijd, het is alleen niet meer in Duitse handen. Wij woonden beneden, mijn vaders spreek- en wachtkamer lagen op de eerste verdieping.
Hoewel die kamers geïsoleerd waren, moesten wij altijd doodstil zijn. Ook mochten wij niets van de patiënten weten. Door dat verbod extra nieuwsgierig geworden, stonden we ’s morgens vroeg bij een fonteintje onder de trap te kijken wie er omhoog liep. Niet dat we ondeugend waren, integendeel, wij waren gehoorzaam en zelden uitbundig. We slopen door de gangen, om maar te voldoen aan mijn vaders geboden. Ik kan mij niet herinneren dat er ooit lawaai in ons huis is geweest.

Ik heb nooit kind durven zijn — die angstige belemmering voelde ik toen al wel, maar kan ik nu pas verwoorden. Niet dat ik geplaagd werd, op het schoolplein speelde ik gewoon niet mee. Ik stond naar de andere kinderen te kijken. Omdat mijn ouders altijd ruzie hadden, durfde ik ook mijn vriendjes en vriendinnetjes niet mee naar huis te nemen.
Mijn vader heeft zelf nooit vrienden gehad, niet als kind, niet als volwassene. Hij was de zoon van een eenvoudige fotograaf, kreeg op jonge leeftijd een beurs om te studeren, en is zich altijd scherp bewust gebleven van zijn intelligentie.
Hij bracht zoveel mogelijk tijd door in zijn spreekkamer, waardoor hij de indruk wekte altijd te werken. Dat kan niet zo zijn geweest, in de crisisjaren moet het aantal patiënten behoorlijk zijn teruggelopen. ’s Zomdags ging hij wel met ons fietsen. Hele einden fietsten we, naar Zandvoort of naar Huizen, dertig kilometer heen en dertig kilometer terug. Mijn oudste broer en ik vonden dat niet fijn, maar goed, we gingen natuurlijk wel mee. Als we dan weer thuiskwamen, kregen we gebakken aardappelen met sla en ei. Heerlijk.

We waren niet arm en niet rijk. Bij de lunch kregen we één boterham met beleg, de rest moesten we met tevredenheid doen, dat was dan margarine. Mijn zusje en ik kregen één keer per seizoen een nieuwe jurk. Dat vonden we heel wat. Dat anderen bij mij in de klas het beter hadden, heb ik nooit erg gevonden. De sfeer in huis, díé was erg.
Voor zichzelf hanteerde mijn vader een andere moraal dan voor ons: hij hield er jarenlang een vriendin op na. Mijn moeder slikte dat, het ontbrak haar aan zelfvertrouwen. Zij ging gebukt onder de situatie, waarvan ze vaak óns de schuld gaf: ‘Doordat jullie er zijn hebben wij nu ruzie.’ Volgens hem was zij gestoord, zijns inziens zou het goed zijn als zij in analyse ging. Naar zijn idee was dat voor iedereen met moeilijkheden goed — behalve voor hemzelf.
Toen ik naar de middelbare school ging, mocht ik wat ‘uitzoeken’. Voorzichtig zei ik dat ik graag een horloge wilde hebben. Hij zei: ‘Jij zegt nooit wat, jij maakt je wensen nooit kenbaar, jij krijgt een horloge.’ Dat was een heel duur cadeau toen, en ik was er erg blij mee.
Hoewel ik aan mijn vader weinig goede herinneringen heb van tijdens en na de oorlog, weet ik dat ik hem voor de oorlog heel hoog had zitten. Ik gaf hem zeker niet de schuld van de sfeer bij ons thuis. Ook nam ik veel van hem aan, zijn oordeel over mijn moeder bijvoorbeeld. Als baby spuugde ik voedsel uit — als er iets mis is met een klepje tussen de maag en de slokdarm gebeurt dat bij kinderen wel vaker. Het was een lichamelijk mankement, dat mijn vader, als echte freudiaan, psychisch duidde: ‘dat gespuug’ zou mijn manier zijn om duidelijk te maken dat mijn moeder niet op de goede manier van mij hield. Veel later, in de puberteit, als mijn moeder mij een zoen gaf, dacht ik tijdens de omhelzing: Toch houdt zij niet voor de volle honderd procent van mij. Hij was de sterkste in ons gezin en ik trok me aan hem op. Hij stond voor mij op een voetstuk — waar hij in de oorlogsjaren hard vanaf gevallen is.

Bij het uitbreken van de oorlog was ik veertien jaar. Tegen een uur of vier, vijf stond ik met mijn vader en mijn oudste broer op de veramda. Een prachtige nacht, een prachtige ochtend. Alleen hoorden we in de verte het gebrom van vliegtuigen. De draagwijdte van de oorlog heb ik lang niet begrepen. Bij het uitbreken van de oorlog niet, en zelfs niet toen we onderdoken in ’43. Angst, dát staat mij bij.
Op een dag werd mijn oudste broer in de buurt van de Euterpestraat opgepakt. Gelukkig is hij toen weer thuisgekomen, maar mijn ouders hebben verschrikkelijk in angst gezeten. Die angst sloeg op mij over, nam bezit van me, en werd sterker naarmate de oorlog vorderde. Zeker toen we gedwongen werden naar een flatje in de Grevelingenstraat, in de Rivierenbuurt, te verhuizen, omdat de Duitsers de Joden in twee, drie wijken in de stad wilden onderbrengen, waar ze dan gemakkelijk razzia’s konden houden. In dezelfde tijd moesten wij van het Barleus Gymnasium af. Dat vond ik eigenlijk niet zo erg, ik was namelijk net in de derde klas blijven zitten omdat ik niets deed. Ja, tekenen. Ik tekende gelukkige gezinnen.
Sinds die tijd liep ik met mijn broer dagelijks vanuit de Rivierenbuurt naar het Joods Lyceum op de Voormalige Stadstimmertuin 1. Op een dag verscheen de Gestapo in de deuropening. Ze lazen zijn naam op: Jacques B. Hij stond op en zei: ‘Ik ben jong en sterk, ik overleef het wel.’ Hij had goede bergschoenen aan en een rugzak bij zich.
Het baantje dat ik via mijn vader had gekregen, iets in de thuiszorg, heeft mij gered. Op een dag was ik bij een oud vrouwtje aan het werk, zij woonde in de Rivierenbuurt. Plotseling hoorde ik de bel. Even later stormden ze de trap op, de mannen van de Gestapo met hun groengrijze pakken. Mijn papieren waren in orde, ik hoefde niet mee. Zij wel. Ze sleurden haar uit haar bed, en gooiden haar zonder pardon in een open vrachtwagen. Geen idee of ik haar nog iets heb toegestopt. Kleren of eten. Iets gezegd? Waarschijnlijk niet.
Wij hadden thuis een koffertje klaarstaan met wat kleren voor als we ineens moesten onderduiken. Niet voor als we zouden worden weggevoerd naar Polen, dat was geen optie. Toen ik zestien werd, en als volwassene niet langer onder mijn vaders bescherming viel, zijn we allemaal ondergedoken. Niet-Joodse collega’s van mijn vader hebben de adressen geregeld. Hoe ze die gevonden hebben en wat de onderduik kostte — daarover werd niet gesproken, ook na de oorlog niet. Wij hebben nooit ergens over gesproken.

Een vrouwelijke collega van mijn vader bracht me naar een keuterboer even buiten het Friese Sint-Jacobiparochie. De boer en zijn gezin woonden al jaren in een afgedankt stationnetje aan een oude spoorlijn die buiten gebruik was. In een grote ruimte, vroeger waarschijnlijk de wachtruimte, hielden ze wat varkens en een koe. Op zolder had ik een kleine eigen kamer, waar ik op mijzelf kon zijn.
Niets had ik mij van die onderduik voorgesteld, maar wat mij het meest verbaasde was niet zozeer het stationnetje als wel het feit dat er buiten Amsterdam plaatsen bestonden waar je goed kon wonen, waar mensen hun enige onderduiker toegedaan waren.
Zij hadden drie kinderen, een zoon die een jaar jonger was dan ik, een meisje van tien jaar jonger, en nog een baby. Hoe onhandig ik ook was, toen de boerin ziek werd heb ik de baby verzorgd, eten gekookt, het huishouden gerund. Ik was echt nodig. Nergens heb ik mij zo thuis gevoeld als daar. ’s Avonds zat ik uren met de man des huizes te praten — achteraf denk ik dat hij verliefd op mij was, maar dat merkte ik pas toen hij mij wegbracht naar een volgend adres. Ik vertelde over de grote stad, volgens hem een verderfelijke janboel. Hij wijdde uit over het kerkelijke leven. De boer en de boerin waren beiden voorzitter van allerlei gereformeerde verenigingen.
Ik stond versteld van de onderlinge haat en nijd tussen de gereformeerden en de hervormden. Na de zomdagsdienst bespraken ze eerst twee uur de eigen preek, waarna ze overgingen op de duivelse toestanden ‘aan de andere kant’. Onbegrijpelijk. Maar ze maakten geen ruzie en voor mij waren ze aardig, dat vond ik al heel wat.
In Sint-Jacobiparochie, waar ik gewoon boodschappen deed, stond ik bekend als Loekie de Lange. En het verhaal deed de ronde dat mijn zusje en ik uit Amsterdam waren vertrokken omdat onze moeder te ziek was om voor ons te zorgen. Een krankzinnig verhaal, dat ons werd opgedrongen door de hervormde dominee. Als onze moeder ziek geweest was, zouden we juist thuis gehouden zijn, want het was in die tijd de normaalste zaak van de wereld dat meisjes van een jaar of veertien hun moeder bij ziekte verzorgden. Maar het dorp was ‘goed’, het heeft ons nooit verraden.
Zo eens in het half jaar bezocht de vrouwelijke collega van mijn vader ons. Zij bracht brieven van mijn ouders, zij zaten onafhankelijk van elkaar ondergedoken. Eerst kwam ze bij mij, daarna bij mijn zusje die in Sint-Jacobiparochie bij een hervormd gezin zat. Vervolgens ging ze naar Limburg, waar mijn broers waren ondergedoken. Omdat zij maar één nacht bleef logeren, zat ik ’s nachts als een razende hun brieven te beantwoorden. Ik schreef mijn ouders dat ik in de huishouding werkte, later ook dat ik voor het eerst op een elektrisch toestel had gekookt, waarbij de melk overkookte als je even werd afgeleid.
Goed mogelijk dat die koerierster ook de financiën regelde, want de onderduik moest wel betaald worden. Mijn vader had daar voor de oorlog al maatregelen voor getroffen: meubels, piano, zilver, alles was verkocht. Dat hij de onderduik heeft zien aankomen en adequate maatregelen heeft genomen, heb ik altijd heel knap gevonden.

In Friesland organiseerde een hervormde dominee de onderduik. Omdanks de roddel en achterklap liet hij wel onderduikers bij gereformeerden onderbrengen. Op een dag liep die dominee het stationnetje binnen. ‘Ik word benoemd in Bergum,’ zei hij. ‘Dat ligt hier een stuk vamdaan, ten oosten van Leeuwarden. Jouw zusje en jij mogen bij ons in huis komen.’ Het werd mij al snel duidelijk dat hij hulp in de huishouding kon gebruiken. Hij had vier kinderen, van wie de oudste vier was, en er kwam nog een vijfde.
Mijn zusje was bij een hervormd kruideniersgezin ondergebracht. Zij mocht daar niets, voor haar zou de verhuizing mogelijk een vooruitgang betekenen. Maar voor mij? ‘Nou,’ antwoordde ik de dominee, ‘ik heb het hier goed, en zij hebben het met mij goed. U kunt misschien wel een ander meisje krijgen.’
‘Maar bij ons in Bergum kan je zusje naar school.’ Dat argument raakte me. Mijn zusje was toen twaalf, en het is belangrijk dat je op die leeftijd naar school gaat. Over mijn eigen schoolopleiding dacht ik nauwelijks na, ik was allang blij dat ik in een min of meer ontspannen gezin was opgenomen, waar ik niet constant in angst zat opgepakt te worden.
Ik bleef me verzetten, waarop hij zei: ‘Als je niet meegaat, krijgt de familie geen geld en geen bonnen meer.’ Zo werkte dat: op mijn valse persoonsbewijs kreeg ik geld en bonnen, waar de boer en de boerin eten voor konden kopen. Voor hen was dat geen halszaak: ‘Zonder bonnen ben je ook welkom. Waar we met z’n vijven kunnen eten, kunnen we ook met z’n zessen eten.’ Ze waren zo arm als Job.
Omdat ik er niet uitkwam, heb ik op een avond bij de gereformeerde dominee aangebeld. ‘Wat moet ik doen?’ vroeg ik. ‘Mijn zusje kan daar naar school, maar ik heb het hier goed, en die hervormde dominee kan toch wel een ander meisje vinden voor de huishouding?’
Zijn antwoord luidde: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ Bedoelde hij daarmee dat ik mijn zusters hoeder was, of juist niet? Ik vond van wel, uiteindelijk heb ik er daarom in toegestemd weg te gaan. Toen de boer mij op de fiets naar Bergum bracht, heeft hij geprobeerd mij te versieren, we hebben zelfs even ergens in een greppel gelegen. Dat vond ik naar, en ik heb hem kunnen afhouden. Achteraf gezien is dat wel een smet geweest op mijn verblijf bij die boer.
De pastorie in Bergum was groot, het gezin was groot. Ik kon meteen aan de slag. Mijn zusje mocht naar school, dat was fijn. Ook in Bergum deed dat ongeloofwaardige verhaal over mijn zieke moeder de ronde, maar opnieuw heeft niemand ons verraden.
Die dominee gooide vaak woedend zijn kinderen van de ene hoek van de kamer naar de andere. Zijn vrouw had niets te vertellen. Zij kreeg elk jaar een kindje — dat was het. Als hij ’s zaterdags in zijn studeerkamer een preek zat te maken, moesten we dood- en doodstil zijn, ook die kleine kindertjes. Dat herkende ik van ons ouderlijk huis, maar dit was echt bespottelijk. Ik deed het huishouden, en zoals daar elk meisje in de puberteit ging ik naar catechisatie. Dat vond ik fijn: tijdens catechisatie was ik er even uit, en na afloop had ik zelfs een paar uur vrij. Dan wandelde ik met twee vriendinnen die ik op catechisatie had leren kennen over de velden.
Hoewel ik dat gezin vreselijk vond, ook niet mijzelf kon zijn, heb ik me toch weer kunnen aanpassen. Maar goed, dat was mijn tweede natuur geworden.
Uit nervositeit plaste mijn zusje vaak in bed. Woedend werd die dominee. Dan schudde hij haar door elkaar, sloeg haar. En als hij me zag staan kijken, viel hij tegen mij uit: ‘Ja, jij bent de koningin.’ Kennelijk verraadde mijn houding, of de blik in mijn ogen, dat ik hem verafschuwde. Toen ze in de vijftig was, heeft mijn zusje suïcide gepleegd. Dat moet met alle spanning uit onze jeugd te maken hebben gehad.
Op een gegeven moment werden er in die pastorie Duitsers ingekwartierd. Zij waren daar om bunkers te bouwen, niet om Joodse mensen op te sporen. Toch bleef ik doodsbang voor hen. Zij liepen geregeld de keuken in, dan hadden ze kippen bij zich of een konijn. Het dienstmeisje en ik maakten die dan klaar. Maar ik weigerde ervan te eten: je eet niet iets dat de Duitsers hebben gepakt of geschoten. Dat vond de dominee onzinnig. Hij verfoeide mijn houding. Hij stelde dat mijn weigering gevaarlijk voor iedereen kon zijn. Dat was onzin: de Duitsers aten niet bij ons in de kamer, en konden mijn weigering onmogelijk zien.

Ik was zó bang dat ik naar een plaatselijke huisarts ben gegaan — ik nam aan dat die man ‘goed’ was, zoals iedereen in Bergum. Ik heb hem uitgelegd dat mijn zusje en ik in een tuinkamer van de pastorie sliepen. ‘Als de Duitsers ooit onze kamer binnenstormen,’ vroeg ik, ‘mogen wij dan via de tuin proberen bij u te komen?’ Dat vond hij goed. Ik zocht een toevluchtsoord, terwijl wij nog geen idee hadden van wat er met Joodse mensen in Duitsland en Polen gebeurde. We dachten dat je veel te hard moest werken en veel te weinig te eten kreeg, zodat je vanzelf dood zou gaan. Op een gegeven moment heb ik mijn vader geschreven hoe bang ik daar in huis was. Een half jaar later antwoordde hij dat ik niet bang moest zijn, maar ook dat het onzin was die kippen niet te eten. Ik moest me niet zo druk maken. Een slag in mijn gezicht. Over dat bezoek aan die huisarts en mijn angst heb ik niet met mijn zusje kunnen spreken, zij was toch echt vier jaar jonger dan ik. In Bergum heb ik me erg alleen gevoeld.
Mijn angst is achteraf begrijpelijk: niet mijn weigering ‘Duits’ voedsel te eten bracht ons in gevaar, die dominee zélf was gevaarlijk. Iedere zomdag verkondigde hij vanaf de preekstoel wat er ’s ochtends voor Radio Oranje werd gezegd, terwijl iedereen wist dat je onmiddellijk werd opgepakt als de Duitsers ook maar vermoedden dat je naar Radio Oranje luisterde. En hij vertelde over ons, over de meisjes die vanwege hun zieke moeder bij hem in huis woonden.
Ik heb me altijd afgevraagd: waarom heb jij onderduikers willen hebben? Om je na de oorlog op de borst te kloppen? Om een hogere functie te bemachtigen? Wij zijn door de Friese bevolking gered, niet door hem.

Het is niet zo verwonderlijk dat de dominee met zijn gezin op een gegeven moment zelf ook moest onderduiken. Daardoor moesten wij weg. Mijn zusje vertrok met een onderwijzeres uit Bergum naar Schiermonnikoog, waar die vrouw geboren was. Mijn zusje heeft daar een fantastische tijd gehad. Die onderwijzeres, tante Martha, is echt een moederfiguur voor haar geweest, ook ver na de oorlog nog.
Een vrouw van een onderduikorganisatie bracht mij op de fiets naar een dominee in Drachten. Na een maand bracht diezelfde vrouw me naar een jong boerenechtpaar waar ook een Joodse jongen zat ondergedoken, twee of drie jaar ouder dan ik. Bram heette hij. Als de boer dan naar bed ging, zei hij: ‘Blijven jullie nog maar even zitten.’ Op zo’n avond heb ik kennisgemaakt met seks. Vreselijk. Ik vond die jongen helemaal niet sympathiek, maar toch heb ik de verleiding niet kunnen weerstaan. Naar mijn idee is het bij één keer gebleven, maar misschien heb ik andere keren verdrongen. Ik voelde me er verschrikkelijk beschaamd over, vooral omdat ik nog steeds dacht aan Jacques, die jongen van het Joods Lyceum. Ik wist dat hij gedeporteerd was, dat het nog maar de vraag was of hij nog leefde, maar ik schaamde me omdat ik mijn gevoel verraadde — dat heb ik heel lang gevoeld, nu is dat minder.
Toen het bij het jonge echtpaar onveilig werd, ben ik terechtgekomen bij een oud keuterboertje in Jubbega. Zij hadden vijf kinderen, van wie de jongste, een ongetrouwde dochter, nog thuis woonde. Zij waren zo arm geweest dat de boer voor de oorlog doordeweeks in Duitsland had gewerkt. Zijn vrouw was een lief, gebogen oud vrouwtje. ’s Zomers en ’s winters deed zij op maamdagmorgen om vier uur de was, buiten, op een ouderwets wasbord. Ze hadden altijd weinig te eten gehad, kenden geen comfort, moesten keihard werken, maar toen er in de laatste winter mensen uit ‘Holland’ aan de deur klopten om te vragen of er iets te eten was, gaven ze altijd wat. Hoofdschuddend vroegen ze zich dan af: ‘Hoe kan dat nou, dat die mensen geen eten hebben, die stadslui?’ Zij hadden nu een koe en een varken, waardoor ze niet meer zo arm waren als vroeger.
Doordat er op elk moment Hollanders aan de deur konden kloppen, waren ze doodsbang dat ik ontdekt zou worden. ‘Wees weg, wees weg!’ riepen ze, als ze in de verte Hollanders zagen lopen. Daarom mocht ik overdag alleen maar in de schuur zitten. Een grote, hoge schuur zonder beesten, maar met hooi. Ik zat dicht bij de deur aan een tafeltje te lezen. De deur van de schuur liet ik op een kier staan, voor de frisse lucht, maar ook om een beetje licht binnen te laten. Alleen ’s avonds mocht ik mijzelf even uitlaten, dan liep ik langs het turfkanaal van Jubbega.
’s Nachts sliep ik met de dochter in een bedstede. Zij werkte in een bibliotheek en nam allerlei boeken voor mij mee. In die schuur heb ik Duits, Engels en Frans zitten lezen. Dat leek me niet gek, op een dag zou ik toch weer naar school moeten.
Ze begonnen daar ’s ochtends al met gortepap, die ik ook moest eten. Ik heb tot het einde van de oorlog in Jubbega gezeten, werd zelfs langzaamaan dik omdat ik niets anders deed dan stilzitten. Er zijn nooit Duitsers binnengevallen, en het lukte me daar mijn angst te beheersen. Na de oorlog kostte het me zo veel moeite te overleven dat ik niet op het idee ben gekomen om dat gezin te bedanken. Dat vind ik nog steeds heel erg. Ze zijn nu natuurlijk al lang overleden, en ook hun dochter zal niet meer in leven zijn.
In het Friese stadje IJlst heb ik de bevrijding gevierd, met Bram, die jongen waarmee ik voor het eerst had gevreeën en zijn ouders. Hoe ik daar ben gekomen weet ik niet meer. De Duitsers waren weg, dat was fijn, maar ik had weinig te vieren, en zeker niet met Bram. Toch ben ik met hem later ook naar de Randstad gegaan, naar onze oude flat in de Grevelingenstraat, die leegstond. Ik ben zelfs nog een tijdje met Bram verloofd geweest, dat moest van onze ouders.
Van de ontmoeting met mijn ouders en mijn broers herinner ik me niets. Waarschijnlijk heb ik mijn moeder niet in dat huis gezien, want mijn vader wilde na de oorlog onmiddellijk scheiden. Toen ik dat hoorde was het of de vloer onder me openspleet, als bij een aardbeving. Tijdens de oorlog koesterde ik het idee dat het ná de oorlog beter zou worden, dat we met z’n allen zouden bouwen aan een nieuwe maatschappij. Door die scheiding vervloog alle hoop, ik voelde me volkomen ontheemd. Jarenlang. Die scheiding was het ergste wat me kon overkomen. Vreselijk als je dan later hetzelfde doet met je eigen kinderen, dat dat niet anders kán.
Mijn moeder had nooit verwacht dat hij van haar zou scheiden. Zij was nergens meer, veranderde in een zenuwpees. Bovendien was ze van de ene op de andere dag alles kwijt. Er is nog wel een transactie geweest waardoor mijn ouders geld (veel te weinig natuurlijk) hebben ontvangen voor dat pand in de P.C. Hooftstraat.
Mijn vader heeft dat geld grotendeels ingepikt, terwijl het voornamelijk mijn moeders bezit was, omdat zij het huis bij haar huwelijk van haar ouders gekregen had. Ze zullen wel in gemeenschap van goederen getrouwd zijn geweest. Toen ze scheidden was ik negentien jaar. Waarom heb ik niet veel meer boven op die boedelscheiding gezeten? Waarom heb ik mijn vader niet laten weten dat hij onmogelijk alles voor zichzelf kon houden? Dat hij mammie niet zo kon achterlaten?
Mijn vader was goed van de tongriem gesneden, zo goed dat hij de voogdij over alle vier de kinderen wist te bemachtigen. Zelfs een vriendin van mijn moeder schijnt eens tegen haar gezegd te hebben: ‘Als hij nou alle kinderen krijgt, dan zal het toch wel aan jou gelegen hebben.’ Het was al schaamtevol als je scheidde, en dan ook nog eens pal na de oorlog, en dan óók nog eens je kinderen en al je spullen kwijtraken — wat mijn moeder heeft meegemaakt is onvoorstelbaar.
In die eerste maanden na de oorlog kwam mijn vader zelden in de Grevelingenstraat. Met zijn nieuwe vrouw, die vriendin van voor de oorlog, zocht hij een geschikte woning in Rotterdam, waar hij een praktijk wilde opbouwen. Dat lukte hem ook binnen de kortste keren.
Mijn oudste broer en ik hebben nooit in het Rotterdamse huis gewoond. Mijn oudste broer ging studeren, hij had vrij makkelijk zijn diploma hbs-b gekregen. Ik had geen zin meer om opnieuw naar het gymnasium te gaan, om als negentienjarige bij allemaal kinderen in de vierde klas te komen. Ik wilde een opleiding voor maatschappelijk werker volgen. Dat vond mijn vader niets. ‘Je zweeft.’ Hij had geen geld om naast die van mijn broer nog een opleiding te betalen. Zei hij. Ik moest maar verpleegster worden, iets wat ik nou juist nooit had gewild.
Hij oefende een nog sterkere druk op mij uit dan vroeger. Ik kon niet tegen hem op, verzette me ook niet genoeg tegen zijn plannen. Dus ik ging naar dat ziekenhuis, waar je in die tijd intern moest zijn. Een nare periode, vooral omdat het daar nog zo streng was: één minuut na tien uur thuis betekende de volgende ochtend op het matje komen. Op de dag dat ik mijn diploma haalde, zei ik op. Daarna moest ik nog een maand in dat ziekenhuis blijven werken. Achteraf heb ik over die maand zelfs pensioen gekregen.
Ik kwam wel bij mijn vader thuis. Daar heb ik ook voor het laatst Bram, mijn verloofde, ontmoet. Hij gaf mij toen een paar pantoffels cadeau, dat vond ik het ergste wat ik kon krijgen. Ik smeet die pantoffels naar beneden, de trap af. Ik heb hem nooit meer teruggezien.
In de tijd dat ik in dat Rotterdamse ziekenhuis woonde, was ik wel benieuwd naar al die klasgenoten van mij, naar Jacques vooral. Of hij getrouwd was of niet. Ik heb nooit naar hem durven informeren. Pas dertig jaar later ben ik naar de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam gegaan, waar namen gegraveerd staan van de Joodse mensen die in de oorlog zijn omgekomen. Daar ontdekte ik dat hij vrijwel meteen na aankomst in Polen is vergast. Dat begreep ik niet, omdat hij zo’n stevige jongen was had het meer voor de hand gelegen dat hij tewerk was gesteld.
Nog veel later, op een reünie van het Joods Lyceum, hield een bekende Amsterdamse kinderpsychiater een lezing waarin hij ineens sprak over Jacques, die tot zijn intiemste vrienden bleek te hebben behoord. Die arts heeft hem toen geëerd, herdacht. Ik moet naar die man toe, dacht ik na afloop van die lezing. Wat weet hij nog meer van Jacques? Ik heb dat niet gedaan, ik twijfelde. Wat doet het er ook toe, dacht ik, het is veertig jaar geleden. Ik wil ook liever niet te kennen geven dat ik zo verliefd op Jacques was. Laat maar.

Lowina de Levie op 3 december 2009.
Lowina de Levie op 3 december 2009.

© Marcel Prins, Peter Henk Steenhuis
Tekeningen © Marcel van der Drift
Foto Lowina de Levie 2009 © Marcel Prins

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum