Leesfragment: Asta's ogen

27 november 2015 , door Eveline Stoel
| | | | |

Deze Nacht alvast het eerste hoofdstuk van Asta's ogen, het debuut van journaliste Eveline Stoel waarin zij een portret schetst van haar Indische schoonfamilie, die in 1955 vanuit Soerabaja naar Nederland vertrok. Terwijl grootmoeder Asta Hoyer in het voormalige Indië een welvarend leven leidde met een groot huis en bediendes, komt ze in Nederland met haar moeder en zeven kinderen terecht in een pension in het Brabantse Oss, een industriestadje waar men op klompen loopt en nog nauwelijks ‘zwarte’ mensen heeft gezien.

 

Hoofdstuk 1 - Het vaderland, 1955

Toen de eerste sneeuwvlokken vielen, dacht Asta Hoyer dat het brood was. Haar hele leven had ze zich onderdaan gevoeld van het Koninkrijk der Nederlanden, maar nu ze dan eindelijk in Holland was, zoals ze gewend was het te noemen, bleek het land van haar voorvaderen een totaal andere wereld dan Nederlands-Indië, haar moederland, de plek waar ze was geboren, opgegroeid en getrouwd. En dat kwam niet alleen door die sneeuw en de eeuwige loodgrijze luchten, die als een te laag plafond boven de platte Hollandse aarde hingen en letterlijk op haar gemoed drukten. Pas achtendertig was ze, maar het voelde alsof ze al een heel leven achter de rug had. Ze had rijkdom en armoede gekend, vrijheid en onderdrukking, liefde en verraad.

In haar beste dagen in Soerabaja woonde Asta in een groot wit huis met een rood houten hek eromheen. Een klapperboom, rozen en een katoenboom in de voortuin, en in de achtertuin nog een garage, verschillende bijgebouwen en een ruim paviljoen. Talloze lome middagen had ze doorgebracht in de rotanstoel op het platje, met een groot glas verkoelende tjendol binnen handbereik. Terwijl de kinderen op het erf hinkelden of kastie speelden, haar moeder de rozen verzorgde en de baboes het huishouden draaiende hielden, versierde Asta tafelkleden door er kleurige bloemen op te borduren. ’s Avonds ging ze vaak uit dansen of naar de film in het Capitol-theater.

In Nederland was daar geen tijd voor. De ruime villa aan de Goebengboulevard was verruild voor een bakstenen arbeiderswoninkje aan de Van Obdamstraat in Oss, Brabant, met kale struiken in de tuin. Bij dit adres hoorde een ander leven. Plotseling moest ze eten klaarmaken, kleren wassen, schoonmaken en boodschappen doen, ieder dubbeltje omdraaien en zich de Nederlandse gewoontes zo snel mogelijk eigen maken. Piepers jassen, een huishoudboekje bijhouden.

Ze woonden er met z’n elven: Asta, haar zeven kinderen, haar halfzus Yvonne, nichtje Iris en oma, haar moeder. Misschien had zij nog wel het meeste moeite met de verhuizing naar Nederland. ‘Oma bij de kachel’ noemden de kinderen haar, vanwege haar vaste plek in de huiskamer. Terwijl Asta’s moeder in Indonesië een ondernemende vrouw was geweest, bleef ze in Nederland het liefst binnen, bij haar dochter en de kleinkinderen. Geen uitstapjes, geen hobby’s, geen vrienden. Het enige wat haar interesseerde, was de familie.

Zelf was Asta ook niet helemaal de oude. Zorgeloos was haar leven bepaald niet geweest de laatste jaren, maar in Indonesië had ze zich tenminste op bekend terrein bevonden. De bureaucratie, de corruptie, de bedreigingen: ze was blij dat ze er vanaf was. Maar dáár had ze tenminste begrepen hoe de maatschappij in elkaar stak en hoe ze dingen gedaan moest krijgen. Daarnaast had ze er vrienden en kennissen gehad die haar een handje hielpen.

Hier in Nederland stond ze er alleen voor. Goed, mevrouw Hoekstra, de pensionhoudster bij wie ze aanvankelijk onderdak hadden gevonden, had aangeboden haar een beetje wegwijs te maken. Maar na een paar maanden had ze ingezien dat het die vrouw enkel om geld te doen was.

Mevrouw Hoekstra had haar meegenomen naar een kledingwinkel en kreeg daar waarschijnlijk een percentage van de aankopen van haar kostgangers. Asta wist niet welke garderobe je in Nederland nodig had en liet zich overgebleven kleren van vorige seizoenen aansmeren. Mevrouw Hoekstra vertrok geen spier. Zo kwam het dat Asta’s dochters nu in zomerjurken aan het sleetje rijden waren.

Nee, dit was niet het Holland dat ze kende uit haar schoolboeken. De taal en de topografie klopten, maar over de volksaard was ze nooit onderwezen. En terwijl bij haar thuis de blik altijd op het vaderland gericht was geweest, wisten de Hollanders op hun beurt maar weinig over Nederlands- Indië. Java? Misschien wisten ze nog net dat het eiland bij hun voormalige kolonie hoorde, maar de meesten hadden geen flauw benul waar het lag.Ook het verschil tussen Indisch en Indonesisch bleek bij velen onbekend. Dat honderdduizenden Indische Nederlanders nood - gedwongen huis en haard hadden verlaten en Nederland als enige uitweg zagen, leek hier vooral als een last te worden ervaren. Tien jaar na de Tweede Wereldoorlog werkten de Hollanders nog hard aan de wederopbouw en hadden ze het te druk met hun eigen problemen. Asta was een vreemdeling, een buitenstaander. Haar kinderen werden gepest en de buren stonden vanuit hun schuurtje te gluren naar haar bruine huid.

Toch zag ze de toekomst met optimisme tegemoet. ‘Niet klagen, maar dragen,’ zei haar moeder in moeilijke situaties en daar was ze het roerend mee eens. De Hoyertjes zouden hun plek wel vinden in Nederland, het was gewoon een kwestie van wennen. Ze moesten ook wel, want in Indonesië waren ze niet langer welkom. De nationalisten hadden alle Indonesiërs opgeroepen om Europeanen buitenspel te zetten, onder meer door geen handel meer met ze te drijven. De verkopers die ’s avonds de deuren langsgingen met bami of saté ajam, meden nu de huizen van Indo’s. Ook waren op schuttingen en spandoeken steeds vaker anti- Europese leuzen te zien, zoals het onomwonden ‘We don’t like the Dutch!’ Maar het meest zorgwekkend waren de concrete dreigementen die ze via via had ontvangen: als ze niet zou vertrekken, zouden de nationalisten haar oudste zoon iets aandoen. Alsof het niet erg genoeg was dat ze haar man op zo’n verschrikkelijke manier was kwijtgeraakt.

Ze had de oversteek al jaren eerder willen maken. De party’s van de Indische gemeenschap, de picknicks op het witte zand van Pasir Poetih, het royale huis met plek voor meerdere families, de uitjes naar de Stadstuin, de vrolijke maalfeesten op de onderneming: het waren herinneringen aan een wereld die niet meer bestond. De sappige vrucht waarin ze ooit zo gretig haar tanden had gezet, was langzaam gaan rotten en veranderd in iets duisters en onbestemds. Ze mochten van geluk spreken dat ze waren weggekomen. Hun toekomst lag in Nederland. Het Indische verleden moesten ze maar zo snel mogelijk vergeten.

© Eveline Stoel en Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 2010
© Auteursfoto: Caroline Westdijk

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum