Leesfragment: Bij de Lyrische balladen: Twee jongens en hun dromen

27 november 2015 , door Rob Schouten

Gisteren verscheen het nieuwste deel in de Perpetuareeks, Wordsworths en Coleridges Lyrische balladen (Lyrical Ballads), vertaald en toegelicht door Jabik Veenbaas, met een nawoord van Rob Schouten. Dat nawoord is vanavond te lezen in onze Nacht, het boek is te koop in de winkel en online.

(Onderaan de pagina alle delen van de reeks, en eventuele e-pendanten, en elders op de site eerdere op Athenaeum.nl voorgepubliceerde nawoorden.)

Bij verschijning in 1798 deed Lyrische balladen de literatuur op haar grondvesten schudden. Hier waren geen dichters aan het woord die hun verzen in het strenge korset van klassieke vormen persten. Wordsworth en Coleridge experimenteerden met een eenvoudiger, alledaagser taalgebruik en gaven natuur en gevoel alle ruimte.

‘Poëzie is de spontane opwelling van krachtige gevoelens.’ Zo luidt het credo van Wordsworth in het voorwoord dat hij schreef bij de editie van 1800. Het werd een programma voor de Angelsaksische romantici. En nog altijd is het hét motto voor de romantische poëzie. Verschillende gedichten uit Lyrische balladen groeiden uit tot klassiekers. Dat geldt met name voor ‘Het gedicht van de oude zeeman’ van Coleridge en ‘Tintern Abbey’ van Wordworth.

William Wordsworth (1770-1850) en Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) horen samen met Keats, Shelley en Byron tot de grootste dichters van de Engelse romantiek. Lyrische balladen was het product van hun hechte vriendschap.
Jabik Veenbaas is dichter en vertaler. Eerder vertaalde hij werk van Walt Whitman, Percy Bysshe Shelley en Willam Blake en van tal van andere dichters.

Over de beroemde Lyrical Ballads, die de dichters William Wordsworth (1770-1850) en Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) in 1798 het licht deden zien, hoorde ik voor het eerst op de middelbare school. Onze lerares Engels, juffrouw Boot geheten, vertelde ons dat met deze bundel de romantische en emotionele poëzie begonnen was, niet meer dat stijve intellectualistische gedoe van daarvoor, uit de achttiende eeuw, maar gedichten in eenvoudige, natuurlijke taal, die eenvoudige en natuurlijke dingen in een nieuw perspectief wilden plaatsen (Wordsworth) of bovennatuurlijke dingen zo wilden presenteren dat de lezer erin kon geloven (Coleridge). Ik geloof niet dat wij bijzonder in de stemming waren voor haar leerzame mededelingen. Buiten vonden de ontzuiling, de vrouwenemancipatie en de mediarevolutie plaats. Wij rookten joints voor het schoolgebouw en luisterden naar Neil Young: dat was ónze romantiek.
Ze wist onze belangstelling ook niet te wekken door een gedicht van Wordsworth voor te dragen:

It’s a beauteous evening, calm and free,
The holy time is quiet as a nun
Breathless with adoration! The broad sun
Is sinking down in its tranquillity;
The gentleness of heaven broods o’er the Sea:
Listen! The mighty Being is awake,
And doth with his eternal motion make
A sound like thunder – everlastingly.
Dear Child! Dear Girl that walkest with me here,
If thou appear untouched by solemn thought,
Thy nature is not therefore less divine:
Thou liest in Abraham’s bosom all the year;
And worshipp’st at the Temple’s inner shrine,
God being with thee when we know it not.

Ze las het voor op de wijze der Ouden, met veel gedragen pathetiek en romantische uithalen, een beetje huilerig zelfs, kreeg ik de indruk. Nog jaren later had ik, zodra er ergens een zon onderging, haar versie van die beginregel op mijn repertoire. Gelukkig zijn, als je het gedicht goed leest, ook de onnozelen en weerspannigen gezegend door het opperwezen.
Opmerkelijk genoeg komt in De doodshoofdvlinder van Jan Wolkers een soortgelijke scène voor. Een afgedraaide leraar herinnert zich tijdens een vakantie een lesje: ‘Dat gedicht van Wordsworth had hij pas op school behandeld omdat het nou eenmaal in het literatuurboek stond. Prachtig hadden ze dat gevonden, dat afgezaagde poëem. “And then my heart with pleasure fills, And dances with the daffodils”, had hij uitgedreund. Het had niet geholpen. Keiharde popmuziek en weekhartigheid. Die jongens hebben ook van die waterige lichtblauwe ogen tegenwoordig. Allemaal van die slungelige Jacques Perken die niet smachten naar Mathilda maar naar Deborah Harry.’
Even later stuitten wij in ons chronologisch geordend lesboek op het befaamde ‘The Rime of the Ancient Mariner’, van Samuel Taylor Coleridge, twee jaar jonger dan zijn vakbroeder, over de oude zeeman die het contact tussen mens en natuur verbreekt door opzettelijk een albatros neer te halen. We hoefden het natuurlijk niet helemaal te lezen want daarvoor was het veel te lang, die quasi-oude ballade. Alleen het slot met daarin de beroemde slotregels ‘A sadder and a wiser man / he rose the morrow morn’. Dat ‘morn’ ‘morning’ betekende hoefden ze er echt niet in een noot onder te zetten, we waren niet achterlijk!
Aan het aantal uitreksels en samenvattingen dat ik op internet vind, is te zien dat Wordsworth en Coleridge nog altijd dienstdoen in de Engelse les. Ze hebben in elk geval de tijd weerstaan maar misschien moet je gerijpt zijn om te zien waarom.
De Lyrical Ballads is een co-productie, wat nogal ongebruikelijk was voor die tijd. Maar het aandeel van Wordsworth is op het eerste gezicht veel groter dan dat van zijn kompaan: in de oorspronkelijke versie negentien gedichten tegenover slechts vier van Cole ridge, en hij schreef ook nog eens het voorwoord waarin hij de nieuwe principes van hun poëzie uiteenzette. Daar staat weer tegenover dat Coleridges ‘The Rime of the Ancient Mariner’ verreweg het langste en beroemdste gedicht uit de bundel is.
Wat mij bij nader inzien verbaast is dat gemakkelijke samengaan van het natuurlijke van Wordsworth met het bovennatuurlijke van Coleridge, van het simpele natuurbeleven van de een met de exotische en fantastische vlucht van de ander. Zeker, we hebben geleerd dat dat twee verschillende kanten van de romantiek zijn, eenvoud en exotisme, maar zo naadloos in één bundel betekent toch dat er letterlijk twee zielen werkzaam zijn. Ik heb altijd het gevoel gehad dat er iets van ‘les extrêmes se touchent’ in hun vriendschap en samenwerking moet hebben gezeten. Niettemin voelden ze elkaar direct aan. In The Hidden Wordsworth van Kenneth R. Johnston, een volumineuze en enigszins vergeefse poging om van Wordsworth niet alleen een romantisch dichter maar ook een romantisch mens te maken, is een verslag van hun eerste contact te lezen.
Wordsworth ging vaak bij de familie Coleridge op bezoek die in een klein huisje in Nether Stowey woonde, zo’n vijf kilometer van zijn eigen woonplaats. Ze hadden het dan over andere dichters die zich er volgens hen te gemakkelijk vanaf maakten, maar vooral ook over de epische gedichten waar ze allebei van droomden, Wordsworth over zijn nooit voltooide werk The Recluse, ‘On Man, on Nature, and on Human life’. Coleridge noteerde daarover in een brief: ‘Ik ga niet minder dan twintig jaar aan een Episch Gedicht wijden. Tien om materiaal te verzamelen en mijn geest met universele wetenschap te verwarmen. Ik zal een behoorlijk wiskundige zijn, ik moet mechanica, hydrostatica, optica goed leren kennen, en astronomie, botanica, metallurgie, fossielkunde, chemie, geologie, anatomie, medicijnen, dan de menselijke geest, dan de geest van alle mensen, op al hun reizen, tochten en avonturen. Zo zou ik tien jaar spenderen – de volgende vijf aan de compositie van het gedicht, en de laatste vijf aan de correctie ervan.’
Twee enthousiaste jongelingen die geen einde zien aan hun kansen en mogelijkheden, dat is de indruk die je van hen krijgt. En ze gebruikten ook nog eens, als echte romantische dromers, opium. Opium was in hun tijd weliswaar nog niet zo omstreden als tegenwoordig, maar toen Thomas de Quincey, die hen op latere leeftijd leerde kennen een boek aan de twee Lake Poets wijdde waarin hij hun opiumgebruik oprakelde, waren ze beiden niettemin not amused. En dat terwijl Coleridge zijn andere beroemde, maar onaffe gedicht ‘Kubla Kahn’ naar eigen zeggen in een opium roes had gecomponeerd. Bij nader inzien hadden mijn klasgenoten en ik de jongemannen met hun hoge ambities, eindeloze gesprekken en verlangen naar roes en vervoering, eigenlijk best kunnen herkennen. Hun Lyrical Ballads kun je in de kern beschouwen als het resultaat van de samenwerking tussen twee vooruitstrevende jongens die met de traditie wilde breken.
Van jeugdig experiment tot mijlpaal in de poëzie, zo zou je de geschiedenis van de bundel dus kunnen samenvatten. In zijn voorwoord bij de eerste druk schreef Wordsworth dat de gedichten experimenten waren om te laten zien hoe je de alledaagse conversatietaal van de midden- en lagere klasse kon gebruiken voor poëtische doeleinden. Het is misschien wel de eerste keer in de literaire geschiedenis dat de ‘hogere’ dichtkunst zich zo nadrukkelijk op het gewone en alledaagse taalgebruik wenste te concentreren. Sindsdien is het eigenlijk nooit meer anders geweest. Na periodes van hermetische, gezwollen of intellectualistische poëzie volgt altijd weer een golf van gewoonheid en eenvoud. Barbarber, Kopland, het postmodernisme, dat alles vindt zijn voorganger in de Lyrical Ballads.
Het zijn, met uitzondering van allicht Coleridges ‘The Rime of the Ancient Mariner’, misschien niet eens de beroemdste gedichten die in de bundeling staan, het is vooral de geest van de gedichten tezamen die indruk maakt, die drang om al die sterke opkomende gevoelens bij natuur en werkelijkheid kenbaar te maken, dat wat Wordsworth zo treffend ‘the spontaneous overflow of powerful feelings’ noemde. Beide dichters oriënteerden zich daarbij op verhalen van mensen uit hun omgeving, boeren en arbeiders, zigeuners en gekken, oude vrouwen en kinderen, folkloristische geschiedenissen van het platteland. Overal proef je de geest van Rousseau, diens verheerlijking van de natuurlijke mens boven de gecultiveerde mens.
Een van de meest aansprekende gedichten uit de collectie heb ik altijd ‘We are seven’ gevonden, waarin de verteller een onschuldig boerenmeisje probeert duidelijk te maken dat zij en haar broertjes en zusjes met z’n vijven zijn en niet met z’n zevenen, zoals zij beweert (twee zijn er overleden). Maar het meisje wil er niet aan: ook de overleden broertjes en zusjes zijn er nog. Tegen het rationele besef van de verteller werpt ze het instinctieve, irrationele geloof in de onsterfelijkheid op:

Mijn woorden hadden weinig zin,
Want ’t kleine meisje bond niet in
En zei: ‘We zijn met zeven.’

Zo eindigt het gedicht in zekere zin met de overwinning van het irrationele. Inderdaad, simpele woorden voor een simpel gegeven, maar tegelijkertijd een revolutionair verzet tegen het verlichtingsdenken dat nu juist al het bijgeloof en mystiek besef had geprobeerd te frustreren.

In de bijdragen van Coleridge klinkt het verlangen om de gebaande wegen te verlaten en een nieuw soort vrijheid na te jagen, nog wat sterker. Hij was van de twee duidelijk de meest avontuurlijke, in zijn hoofd althans. Hier, een fragment uit ‘The Foster Mother’s Tale’:

Toen hij een stem beluisterde: de knaap,
Die een triest lied zong over ’t groene veld,
Hoe fi jn het was op ’t meer of de savanne
Te jagen en een naakte man te zijn,
En om zo rond te zwerven, frank en vrij.

Met een beetje fantasie zie je het wel voor je, twee hippies avant la lettre, in conflict met de ook toen al overheersende cultuur van netheid en rede.
Het is een wat treurig lot dat beide dichters hun vurige, jeugdige ambities en vernieuwingsdrift ruimschoots overleefden. Mede daardoor moeten ze het, in de romantische canon, afleggen tegen die andere Engelse romantische dichters, die minstens het voordeel van een vroege dood (Keats en Shelley) of een meeslepende levensloop (Byron) kenden. Coleridge verviel op latere leeftijd tot zelftwijfel en werd, met zijn zwakke gezondheid, steeds afh ankelijker van opium. Wordsworth, die in zijn Wanderjahre ten bewijze van zijn romantische inborst nota bene nog de Franse Revolutie van nabij had meegemaakt en een onecht dochtertje bij een Française had verwekt, trok zich eerst terug met zijn zus Dorothy in een cottage in het Lake District, trouwde enige tijd later en ontwikkelde zich, zonder nog iets behoorlijks voort te brengen, uiteindelijk tot een conservatieve puritein.
Ik heb nog nooit een huis bezocht waar Coleridge heeft gewoond. Wel kwam ik ooit tijdens een vakantie langs Rydal Mount waar Wordsworth de laatste zevenendertig jaar van zijn leven met zijn gezin woonde, de tijd waarin zijn poëtische ader allang was opgedroogd. Een lieflijke cottage, heerlijk tegen een heuvel gelegen, met gidsjes in het Hindi, het Urdu, het Chinees, het Servo- Kroatisch en het Arabisch. Een echt museum is het niet helemaal: het huis wordt bewoond en tussen Wordsworths spulletjes staan familiekiekjes en boeken die hij niet gelezen kan hebben, zoals Enjoying your Alpenkreutzer. Tegelijkertijd is er wel van alles en nog wat voorzien van kaartjes met verhelderende uitleg.
Als je er rondloopt vraag je je af wat er eigenlijk op tegen is: een romantisch dichter met een gewoon, modaal leven. Misschien is dat wel de uiterste vervulling van de centrale boodschap van de Lyrical Ballads.

Copyright vertaling en toelichting © 2010 Jabik Veenbaas / Athenaeum—Polak & Van Gennep, Singel 262, 1016 AC Amsterdam
Copyright nawoord © 2010 Rob Schouten

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum