Leesfragment: Bonita Avenue

27 november 2015 , door Peter Buwalda
| |

Vandaag verscheen de debuutroman van Peter Buwalda, Bonita Avenue. Vanavond kunt u er een uitgebreid fragment uit lezen, en tevens uw exemplaar bestellen of reserveren. En u bent van harte welkom op de avond met Buwalda in Haarlem op 16 oktober.

Joni Sigerius, de stiefdochter van de rector magnificus van de Twentse universiteit, drijft samen met haar vriend Aaron een handeltje dat ze maar liever voor haar krachtige en briljante vader verborgen houdt. Het is in het jaar van de vuurwerkramp dat ook in het gezin de boel explodeert. Niet alleen lopen Joni en Aaron tegen de lamp, die zomer komt ook de enige en echte zoon van Sigerius vrij uit de Scheveningse gevangenis. Acht jaar later pas – Joni verdient inmiddels miljoenen in Los Angeles – verneemt Aaron wat er zich in 2000 werkelijk heeft afgespeeld.

I

Toen Joni Sigerius hem op een zondagmiddag in 1996 meenam naar de woonboerderij van haar ouders om hem officieel voor te stellen, gaf haar vader hem een hand die hem aan de stevige kant leek. ‘Jij hebt die foto gemaakt,’ zei de man. Of was het een vraag?
    Siem Sigerius was een gedrongen, donkerbehaarde kerel met een stel oren waarnaar je meteen moest kijken; ze waren kroppig, ze leken gefrituurd, en omdat Aaron gejudood had wist hij dat het bloemkooloren waren. Je kreeg ze van stugge mouwen van ruig katoen die er almaar langs schuurden, door de schelpen steeds weer te laten opfrommelen tussen harde lichamen en ruwe matten, er hoopte zich bloed en pus op tussen het kraakbeen en de babyzachte huid. Wie daar niets aan deed bleef zitten met verharde zwellingen en bulten. Aan Aarons eigen hoofd zaten twee doodgewone, ongeschonden perzikoortjes; bloemkooloren waren voorbehouden aan kampioenen, aan monomane kerels die avond aan avond over de tatami schoven. Je moest zo’n kropoor verdienen, er verdwenen manjaren in. Het leed geen twijfel dat Joni’s vader ze als eretekens droeg, als een bewijs van werklust en mannelijkheid. Wanneer Aaron vroeger tijdens toernooien tegenover zo’n geoormerkt dier kwam te staan, sloeg de angst hem om het hart; voor hem was een bloemkooloor aan de einder slecht nieuws, hij was een waardeloze wedstrijdjudoka. Om te verbergen dat hij onder de indruk was, antwoordde hij: ‘Ik maak aan de lopende band foto’s.’
    Sigerius’ oren bewogen kort. Zijn kroezende haar zat viltig kortgeknipt op zijn platte, brede hoofd. Hoewel hij gekleed ging in kostuums of corduroy broeken en poloshirts van Ralph Lauren, de tuniek van de werkgever, van de arrivé, zou je hem op grond van die oren en dat buffelachtige lichaam niet inschalen als iemand die leiding gaf aan een universiteit, laat staan dat je zou geloven dat hij gold als de grootste Nederlandse wiskundige sinds Luitzen Brouwer. Een man met zijn fysiek verwachtte je in de bouw, of ’s nachts aan de snelweg in een fluorescerend hesje achter een bak met teer. ‘Je weet best welke foto ik bedoel,’ zei hij.
    Joni, Joni’s zusje Janis, zijn vrouw Tineke, iedereen in de grote herenkamer wist welke foto Sigerius bedoelde. Het ging om de foto die ongeveer een jaar eerder op groot formaat was afgedrukt in het blad van Tubantia University, de kleine campusuniversiteit in de bossen tussen Hengelo en Enschede waarvan Sigerius rector magnificus was. Hij stond erop aan de oever van het Amsterdam- Rijnkanaal, zonder kleren op een stropdas na, wijdbeens met zijn blote voeten in modderig, platgetreden gras, met onder zijn voorzichtig bollende vijftigersbuik duidelijk zichtbaar zijn geslachtsdelen. De foto werd de dagen erna overgenomen door vrijwel alle landelijke dagbladen, van NRC tot De Telegraaf , en uiteindelijk zelfs door Bild en een dagblad in Griekenland.
    ‘Ik heb een vermoeden,’ gaf Aaron toe, zich afvragend of Joni haar vader had bijgepraat of dat Sigerius hem gewoon herkende: de lange kale fotograaf van Tubantia Weekly die tijdens zijn publieke optredens als een paardenvlieg met een spiegelreflex om de rector heen zoemde. De laatste mogelijkheid vond hij vleiender, zoals iedereen het op de campus vleiend zou vinden opgemerkt te worden door de charismatische man die nu zijn hand stond fijn te knijpen.
    Siem Sigerius was sinds zijn aantreden in 1993 het blakende middelpunt van Tubantia University, een hete zon waaromheen achtduizend studenten en hardwerkende academici hun kalme ellipsjes draaiden, verbaasd maar dankbaar dat hij juist hun campus verwarmde, en niet het Binnenhof waar hij een staatssecretarisschap had laten lopen, of een van de grote Amerikaanse universiteiten die naar zijn gunsten dongen. De eerste keer dat hij Joni’s vader zag was op de televisie, ettelijke jaren eerder, hij woonde nog bij zijn ouders in Venlo. De augustus na zijn eindexamen voer er iets in hem en zijn broer dat hen tot fanatieke Zomergasten-kijkers maakte, en tijdens een van die enerverende, studieuze zondagavonden zat er een wiskundige judoka tegenover Peter van Ingen, of misschien een judoënde wiskundige, een man in elk geval die fragmenten van Wim Ruska, rusteloze jazz, Tokio 1964 en André van Duin afwisselde met documentaires over priemgetallen en de laatste stelling van Fermat. Hij herinnerde zich een filmpje waarin een praatgrage natuurkundige het voor elkaar kreeg om gezworen alfa’s als hij en zijn broer het gevoel te geven dat ze iets van de kwantummechanica begrepen. (‘Richard Feynman,’ zei Sigerius later, ‘die hadden we toen net begraven.’) De man zelf wreef over zijn stoppelige kaken en vertelde over computers, over het heelal, over Maurits Escher alsof het vergooide tijd was ooit nog ergens anders over te praten. Hij bleek gejudood te hebben tegen Geesink en Ruska, maar was vooral Zomergast omdat hij een Fields-medal had gekregen, een onderscheiding die Van Ingen de Nobelprijs voor de wiskunde noemde.
    Sindsdien was Sigerius uitgegroeid tot een nationale troetelwetenschapper. Geregeld schoof hun rector na een werkdag op de campus aan in een nieuwsrubriek of bij Barend & Van Dorp, programma’s waarin hij wetenschappelijk commentaar gaf op de actualiteit, sprankelend intelligent en tegelijk merkwaardig volks, er zat nooit een woord Chinees bij. Als fotograaf van de Weekly had Aaron er met zijn neus bovenop gestaan toen Sigerius de bestuursvleugel innam, en wat zijn camera zag, zag iedereen: dit was de man die Tubantia nodig had. Gewoon door te zijn wie hij was verloste Sigerius hun ondergeschoven, zachtjes ingedutte Calimerouniversiteit van haar Twentse schroom. Al tijdens zijn inaugurele rede beloofde hij van Tubantia de sterkste onderzoeksuniversiteit van Nederland te maken, een zinsnede die het nos-journaal ’s avonds uitzond. Hij was een media-magneet: zodra het woord ‘universiteit’ ergens viel verschenen die bloemkooloren in beeld, en verkondigde hún rector namens hún universiteit zijn mening over de concurrentiepositie van Nederlandse onderzoeksscholen, over meisjes en techniek, over de toekomst van internet, het donderde niet waarover. Net zo makkelijk zoog Sigerius internationale topgeleerden aan. Misschien was het jammer dat die Fieldsmedaille geen échte Nobelprijs was, natuurlijk was dat jammer, toch betoverde zijn aura van wiskundige genialiteit investeerders in pure wetenschap, ongecijferde kamerleden met kennisportefeuilles, telefoniegiganten en chipsbakkers die hun laboratoria rond de campus vestigden. En misschien zelfs scholieren, ook zij kenden Sigerius’ stoppelige kop van televisie; vergeet het gouden grut niet, ieder jaar opnieuw moesten de ettertjes naar de Twentse negorij gelokt worden, hoe bezweer je die kinderen, hoe behéks je ze?

De rattenvanger van Tubantia in zijn blote lul. Hij zei: ‘Goed werk,’ en liet Aarons hand los.
    De foto was geschoten op een zondagmiddag in Houten, meteen nadat de Varsity was verroeid, de stokoude studentenregatta tussen boten van alle universiteiten. Blaauwbroek, hoofdredacteur van de Weekly, had Aaron bezworen dat er iets stond te gebeuren: de Tubantiaboot had een olympische skiffeur aan boord én een jongen die in de Holland Acht naar Atlanta zou gaan. Toch was het opmerkelijk dat een rector magnificus zijn vrije dag opofferde om zich in een toerbus vol drinkende corpsballen naar het Amsterdam-Rijnkanaal te laten vervoeren. Tijdens de onbelangrijke nummers sloeg hij Sigerius gade vanuit zijn ooghoeken, de man stond tussen de bar en de houten tribune op het vochtige uiterwaardengras en liet zich omringen door een ratpack van beroepsstudenten, de Siemzeggers, het klassieke studententype dat er alles aan deed om zich de rector toe te eigenen. Sigerius leek schik in die knapen te hebben. Hij had ze uit hun stadse huizen gezogen, ze waren naar de campus komen zwermen, hakend naar studentenbaantjes op het beleidsbureau of bij voorlichting, goede sier makend met hun invitatie voor Sigerius’ jaarlijkse barbecue in de tuin van zijn boerderij. Aaron voelde jaloezie. Speelde de man toneel of had hij het echt naar zijn zin?
    Blaauwbroek kreeg gelijk: het werd een historische zondagmiddag voor Tubantia, voor het eerst in het honderdentwaalfjarige bestaan van de race won een Oude Vier uit Enschede. Aaron stond op de winderige tribune toen de vreugde om hem heen losbarstte, het was een explosie van schor gejuich en knerpende plastic bierglazen, en omdat corpsleden uitsluitend doen wat gebruikelijk is, trok de fanatieke kern van jongens aan de waterkant pijlsnel zijn kleren uit om naar de boot te zwemmen – het moment waarop zijn oog op de rector viel, en wat die deed was juist allesbehalve gebruikelijk. Sigerius smeet met een fel gebaar zijn half gevulde bierbeker in het gras en stak de modderpoel naar de waterkant over – Aaron was de tribune al afgeklommen en volgde draaiend aan zijn lens de rector die zich grijnzend van zijn pak ontdeed, alles ging uit, z’n overhemd, z’n sokken, z’n ondergoed – behalve die das, een roeidas, natuurlijk had hij zich zo’n verenigingsdas laten aanleunen, in elk lokaal met een tapvergunning was hij erelid – en vlak voor hij naar het kanaal sprintte om er samen met die jongens in te duiken, riep Aaron zijn naam, ‘Sigerius!’ en fotografeerde hem van ongeveer vier meter afstand, ten voeten uit. Joni’s pa had gelijk, het wás goed werk, het was een in alle opzichten fantastische foto. Er zat vaart in, de man die het beeld vulde stond op de ballen van zijn voeten, slingerde zijn armen door de lucht, en hoewel zijn bovenlichaam al op weg leek naar de glinsterende band water op de achtergrond, keek hij met roepende mond en furieuze ogen de lens in. De namiddagzon zette het naakte lichaam in scherp strijklicht, de compositie leek zorgvuldig uitgedacht: Sigerius’ gestrekte linkerhand wees min of meer naar de roeiboot op het kanaal in de verte, als op een gestileerde sportfoto, er gonsden Grieks-olympische resonanties – maar dat was allemaal fotografengelul, het was wel duidelijk waarom de dagbladen die foto móesten hebben. Nog in Houten bekvechtte hij een kwartier lang met een pr-meisje van Tubantia University, die foto van hem moest per se ter goedkeuring langs Bureau Voorlichting, wat natuurlijk niet ging gebeuren. Integendeel, de volgende ochtend werd hij op de redactie ingehaald alsof hij Robert Capa was. ‘Natuurlijk plaats ik die foto,’ brieste Blaauwbroek, ‘die gaat in een pantserwagen naar de drukkerij, en als het nodig is ga ik er op de pers naast liggen.’
    Sindsdien dook de blote rector overal op, uitvergroot boven de bar in de roeierskantine, op t-shirts van een dispuut in de stad, als aankondigingsposter voor een groot zomerfeest op de campus. Aaron zag hem op wc-deuren in studentenhuizen. En toeval of niet, steeds vaker was Sigerius onderwerp van wilde speculatie, in de sociëteiten aan de Oude Markt, op feesten in de campusflats. De rector magnificus zou samen met Ruska door de Sovjet-Unie en China naar Japan zijn gereisd en onderweg Russische eethuizen aan spaanders hebben geslagen; hij zou na zijn grote wiskundige doorbraak in een Amerikaans gekkenhuis elektroshocks hebben gekregen; er zouden kinderen uit een eerder huwelijk bestaan die voor galg en rad waren opgegroeid. Je hoefde maar wat beter naar de foto te kijken en de verwarring gleed van het papier zo op je schoot. Iedereen kon zien dat wat Sigerius’ oren al aankondigden, zich onder de keurige tweedelige pakken, meestal saai donkerblauw, soms lichtgrijs of met een krijtstreep, gewoon voortzette, zich intensiveerde, het lichaam dat zo ongepast onthuld werd zag er schokkend taai en pezig uit, hard, onverwoestbaar, ‘droog’ om in sporttermen te spreken. Je moest je een mening vormen over dat lijf, net als over de duidelijk zichtbare tatoeages op de linkerborst: op Sigerius’ hart prijkten in goedkope, donkerblauwe zeemansinkt twee Japanse karakters – ‘judo’, wist Aaron. Er ging een onthutsende werking uit van die brandmerken, niet alleen waren tatoeages anno 1995 tamelijk zeldzaam, ze waren ook nog gewoon doodordinair. Ondertussen rijmden ze volmaakt met Sigerius’ lichamelijkheid, de aapman die tijdens ondernemingsraadvergaderingen graag op de achterste poten van zijn stoel balanceerde tot hij zich moest vastgrijpen aan de tafelrand; die in koffiepauzes als een trapezewerker zijn schouders losdraaide, rondkijkend alsof hij nog voor de hervatting zijn gesprekspartners wilde aftuigen – duistere sleutelgaten waren het waardoor de campus glimpen opving van een afgeschafte Sigerius, een rabauw, een mannetjesputter die zijn jongensboekcarrière was begonnen met twee Europese judotitels, een vechtjas voor wie de Olympische Spelen van München het hoogtepunt in zijn leven hadden moeten worden.
    In interviews lazen ze dat hun rector in 1972 net als Ruska kanshebber was op eremetaal, maar dat krap een maand voor het toernooi het noodlot toesloeg. Om een puddingbroodje te kopen was Sigerius de Utrechtse Biltstraat overgestoken, en met de zachte custardsmaak al in zijn mond werd hij geschept door een scooter, die zijn ijzeren treeplank dwars over zijn onderbeen schoof: krak, einde topsportcarrière. Waar geen journalist, geen student, geen wetenschapper genoeg van kreeg, was de theorie dat zónder dat nooit gegeten puddingbroodje het werkelijke wonder van Sigerius’ loopbaan zich niet zou hebben voltrokken. Het Mirakel van de Antonius Matthaeuslaan, zo noemde hij het zelf, naar de Utrechtse straat waar hij acht maanden met gips tot aan zijn lies op een bed in een kleine bovenwoning had gelegen. In de donkere winter na de Spelen van 1972 trok Joni’s vader geknakt en gebroken uit een doos met Panorama’s en Libelle ’s een verdwaald opgavenboekje van de Nederlandse Wiskunde Olympiade tevoorschijn, een boekje vol ongewoon moeilijke problemen voor ongewoon getalenteerde gymnasiasten, en begon uit verveling met een potlood in de marge aan die sommen te rommelen. De volgende ochtend was hij klaar.
    Wat er dat etmaal precies gebeurd is, welke tuindeuren er in Sigerius’ getraumatiseerde sportershoofd opensloegen, er viel alleen naar te raden, de feiten vertelden dat hij binnen drie jaar summa cum laude afstudeerde aan de Utrechtse wiskundefaculteit, alarmerend briljant promoveerde en begin jaren tachtig met zijn gezin naar Berkeley, Californië vertrok. En daar alsnog naar Olympische hoogten steeg. In de knot theory, een tak van de wiskunde die probeert te begrijpen op hoeveel verschillende manieren een stuk touw in de knoop kan zitten – korter en simpeler viel zijn wiskundige werk niet samen te vatten – forceerde de Ramanujan van Tuinwijk een doorbraak waarvoor hij in 1986 op het vierjaarlijkse congres van de International Mathematical Union die Fieldsmedaille kreeg uitgereikt.

Dit alles schoot door Aarons hoofd toen hij de vrouw tegenover hem herkende. Ondanks haar metamorfose wist hij ogenblikkelijk wie ze was. Op de plaats schuin tegenover hem, naast een meisje in het steenrode pakje van een of andere winkelketen, zat Joni’s moeder. Een stroboscopisch wit licht van schrik verblindde hem, en dat licht moest een optische bundeling zijn van ongeveer deze herinneringen.

(...)

© 2010, Peter Buwalda en Uitgeverij De Bezige Bij
© Auteursfoto: Keke Keukelaar

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum