Leesfragment: Buiten de orde: De Jordaan in de literatuur in het Theo Thijssen Museum

27 november 2015 , door Diverse auteurs
| | | | | | |

Tot en met zondag 30 augustus is in het Theo Thijssen Museum een tentoonstelling te zien over het beeld van de Amsterdamse Jordaan in de Nederlandse literatuur: vier eeuwen buurtgeschiedenis in foto's en prenten, en in teksten van onder meer Multatuli, Israel Querido, Theo Thijssen, Bordewijk, Theun de Vries, Simon Vinkenoog, Jan Kal, Nicolaas Matsier, Charlotte Mutsaers en Suzanna Jansen. Deze Nacht enkele foto's van de tentoonstelling, en citaten uit de literatuur over de Jordaan. De teksten zijn afkomstig uit het programmaboekje bij de tentoonstelling.

De eerste tien jaar van zijn leven woonde Theo Thijssen (1879-1943) in de Eerste Leliedwarsstraat aan de voet van de Westertoren. In zijn roman Kees de jongen speelt de toren een opvallende (of beter: omvallende) rol. Kees’ zorgen waren overigens niet totaal misplaatst: de toren staat werkelijk één meter uit het lood en bij zware storm zwiept de top (hout, met lood bekleed) écht een klein beetje…

‘Daar stond de Westertoren. Ze zeiden dat die altijd heen en weer zwiepte als het waaide; als je daar in de hoogte zat, voelde je het, zeiden ze. Kees bleef even stilstaan. Ja, hij zag het duidelijk, de toren ging een beetje heen en weer. En hij stond al niet precies meer recht óók. Misschien was hij, Kees, de enige die het zag, want niemand lette d'r op...
    Straks werd het erger - werd de beweging nóg duidelijker - hij hield het niet, hoor, hij hield het niet, daar had je duidelijk een knak, vlak onder de wijzerplaat. Hij ging, hij ging. Je hoorde nog niets, maar dadelijk kwam de slag, als de stukken op de straten en de huizen en op de turfschepen in de gracht vielen... en een gegil steeg uit de stad op.
    Als-ie straks de verschrikkelijke slag hoorde, dan zou hij d'r op af hollen om mee te helpen... was hij zowat de eerste die erbij kwam. Kwamen onderweg de mensen verschrikt de huizen uit en riepen: "Zeg, wat zou dát zijn?" En hij, onder het voorthollen, riep terug: "Begrijpen jullie dát niet, d'r is een stuk van de Westertoren naar beneden gevallen! Afgeknapt!"’

Uit: Theo Thijssen, Kees de jongen (1923)

© Theo Thijssen Museum
Deze ets van Cornelis Brandenburg (1884-1943) hing bij Theo Thijssen thuis aan de muur. © Theo Thijssen Museum

Nicolaas Matsier (1945) woont sinds 1974 op de Palmgracht. In 1976 werd hij redacteur van het literaire tijdschrift De Revisor, twee jaar eerder opgericht ten huize van Dirk Ayelt Kooiman op de Brouwersgracht. Matsier 'brak door' met zijn roman Gesloten huis (1994), geïnspireerd door zijn jeugd in Krommenie en Den Haag. Vooral in zijn korte verhalen in NRC Handelsblad en Vrij Nederland verwerkte hij veel eigen Jordaan-ervaringen.

‘Vroeger voltrok zich hier jaarlijks een transformatie. Je zou het nu misschien niet voor mogelijk houden, maar op deze korte gedempte gracht botsten autootjes, geurden poffertjes, draaide het reuzenrad, klonken schoten van buksen, en probeerde men tastend de uitgang te vinden uit een glazen doolhof. Het was elk jaar weer een wonder van geroutineerd passen en meten. Onwaarschijnlijk grote vrachtwagens wisten tot op de centimeter nauwkeurig hoeken te ronden en boomtakken te ontwijken om achteruit rijdend precies daar tot stilstand te komen waar hun metamorfose plaats diende te gaan vinden. Hun gedaanteverwisseling tot zogenoemde attractie: gebakskraam, cakewalk, wat dan ook. Die kermis heeft hier een kleine halve eeuw de ruimte gekregen. Van kort na de Tweede Wereldoorlog tot niet zo lang voor het eind van de twintigste eeuw. In ongeveer diezelfde periode voltrokken zich de opkomst, de bloei en de ondergang van de zangers die deze van oorsprong zeventiende-eeuwse volksbuurt in nationaal beroemd geworden liederen bezongen. Zij waren de hekkensluiters.
    De gracht is nu een dikke eeuw gedempt. Al vijfentwintig jaar weet ik niet beter of hier woon ik: aan een gedempte gracht. Waar het rustig en ruim is; waar hoge iepen staan; waar geen doorgaand verkeer is. ‘t Is een uithoek van het centrum. Rechtstreeks herinneren slechts een handvol huizen plus een hofje aan de zeventiende eeuw. Het beeld is nogal samengesteld, zacht gezegd. Het wordt even sterk bepaald in de echoënde architectuur uit het eind van de negentiende eeuw ('t zijn nog tuit-, klok-, en trapgevels) als door de paar gruwelijke schaalvergissingen uit de jaren dertig van de twintigste.
    Maar dit is wel degelijk een gracht geweest, tweeënhalve eeuw lang. Dat weten wij hier allemaal elke dag. Verenigt dat ons? Dat is nog maar de vraag. Een mij op zichzelf niet onsympathieke recente politieke opvatting wil waar mogelijk gedempte grachten in ere herstellen. De bijval van de kant van degenen die nog altijd als import worden aangeduid is het grootst. Terwijl in de oorspronkelijke bewoners de stem van de voorouders zich opnieuw laat horen. Die hebben 't erover dat de ratten terugkomen.
    En nu schemert er in het uitzicht dus steeds een ander uitzicht door. Maar ik weet niet wat ik zou kiezen als ik het voor het zeggen had. Een gracht met eronder een parkeergarage? Oké. Maar wat voor bruggen komen daar dan overheen te liggen? Want het heeft geen zin, lijkt mij, om het verleden zomaar lukraak terug te restaureren (gesteld al dat het benodigde geld daarvoor probleemloos voorhanden zou zijn). En hoe lang zou die hergraverij gaan duren? En zouden alle iepen die er nu staan het veld moeten ruimen? Toenemend ongerust kijk ik naar buiten. Als ze er nou eens over een jaar of vijfentwintig mee zouden beginnen. Dan hoef ik het niet meer mee te maken. En kan ik vierkant voor zijn.’

Nicolaas Matsier, ‘Mijn gedempte gracht’, in: Kester Freriks, Esther Jansma en Xandra Schutte (red.), 100 uitzichten op Amsterdam

Kermis op de Palmgracht, 1963
Kermis op de Palmgracht, tijdens het Jordaanfestival van 1963.

Publieke Werken (1999), de succesroman van Thomas Rosenboom, speelt tussen 1888 en 1890, tijdens de bouw van het Victoria-Hotel tegenover het gloednieuwe Centraal Station. Vioolbouwer en brochureschrijver Vedder verzet zich tegen de sloop van zijn huis, maar is zeker niet tegen de vooruitgang. Eigenlijk, onthult ons Rosenboom, was de demping van de Rozengracht Vedders idee.

‘De volgende dag stond in de krant dat de Rozengracht bij raadsbesluit van 16 oktober j.l. zou worden gedempt omwille van een nieuwe verkeersbaan vanuit het centrum naar de nieuwe stadsuitleg. Het zou precies die westradiaal worden waar Veritas als eerste voor gepleit had, mits men nu ook maar wilde overgaan tot demping van de Warmoesgracht in het verlengde van de Rozengracht alsmede, tenslotte, de onteigening en afbraak van die huizen die nog een laatste hindernis vormden, met welke doorbraak de aansluiting op de Dam en de optimale verkeerscirculatie eerst een feit zou zijn.
     Onverwijld begaf Vedder zich naar de Rozengracht. De zon scheen; overal had men de vlag uitgestoken; de vreugde der bewoners over het nieuwe belang van hun kade was groot — en niemand die wist dat hij Veritas was! Zich in stilte vermeiend dwaalde hij verder door de stad (...)’

Dichter Jan Kal (1946) woonde ruim 20 jaar op diverse zolderkamers in de Jordaan, en dichtte onder meer over de Laurierstraat.

Laurierstraat 48IV

Een straat die is genoemd naar dé laurier,
daar wil een dichter wel zijn tent opslaan
als hij dan ook nog komt in de Jordaan,
op de Laurierstraat 48IV.

In die twee weken heb ik veel gedaan,
al kreeg ik slechts drie regels op papier.
Maar wel dronk ik bij Rooie Nelis bier,
om niet op alle fronten droog te staan.

Ik deed histologie en anders niet.
Twaalf dagen ging ik 's avonds naar Margriet,
en we bekeken ieder preparaat.

Weg met de afbraakplannen van Han Lammers!
Onze Jordaan is voor de Amsterdammers
zolang de lepel in de brijpot staat.

Amsterdam, 16 januari 1972

© Spaarnestad Photo
Na de politie werd in juli 1934 het leger naar de Jordaan gestuurd, om de rebellie tegen de steunverlaging keihard neer te slaan. © Spaarnestad Photo

Journaliste/schrijfster Suzanna Jansen (1964) reconstrueerde de bewogen geschiedenis van haar voorouders. Haar betovergrootmoeder Cato, weduwe met zes kinderen, verhuisde in 1861 van het armengesticht Veenhuizen naar de Amsterdamse Jordaan – een heel andere buurt dan de Jordaan waarin de schrijfster nu woont.

‘Het is artistiek gezellig in de Amsterdamse Jordaan, zo tegen de kerst. De Negen Straatjes, vermeld in elke funshopping-gids, gaan gehuld in sfeerverlichting, rood en groen. Bij de winkeltjes met kunstkaarten, vintage design en zelf-maak-mozaïek stroomt het decembergevoel de etalages uit. Ouders haastend op moderne gezinsfietsen (met bak, krat of bloemversiering) laveren over de stoep in een poging hun kinderen voor sluitingstijd van de opvang te halen, terwijl de toeristen hen nietsvermoedend voor de wielen lopen. Bij de supermarkt worden tassen met voorgesneden groente en magnetronmaaltijden aan fietssturen gehesen – de verkoopster van de daklozenkrant slaat het onverschillig gade.
    De Oude Looiersstraat is maar een paar minuten bij mijn huis vandaan. Terwijl ik door de buurt loop, zie ik achter de ramen thuiswerkers in krappe kamertjes over hun toetsenborden gebogen. Copywriters, publicisten, consulenten. Ze hebben de souterrains vochtvrij gemaakt en de muren bedekt met meters boeken. Aan de krapte van de kantoortjes kun je hun maatschappelijke succes aflezen. De hedendaagse binnenstadbewoner toont zich graag een individu. Schouderophalend heeft hij te veel betaald voor zijn kleine Jordaanwoning: hij hecht nu eenmaal aan authenticiteit.
    Deze buurt, gepland in 1612 voor het dienstvolk van de tegelijk gebouwde grachtengordel, kende de afgelopen eeuwen een heel andere levensstijl. Nu ik de geschiedenis van mijn familie onderzoek, raak ik daar steeds meer van doordrongen. De halve Jordaan blijkt sporen te dragen van mijn eigen achtergrond.
    Cato was aanvankelijk met haar kinderen in een van de gangen van de Willemsstraat gaan wonen – kort voor haar komst nog een jeukende, ziekteverspreidende gracht, die uit hygiënische noodzaak was gedempt. Via kruip-door-sluip-doorsteegjes kwam je bij de halve woningen en sloppen achter de gewone huizen, waar altijd nog meer mensen in pasten dan je dacht.
    Na een tijdje verhuisden ze naar de Passeerdersgracht, toen naar de Laurierdwarsstraat, vervolgens naar de Rozenstraat, en zo verder. Dat was het leven in de Jordaan: soms bleef je drie jaar op hetzelfde adres, soms drie weken. Het was een kwestie van geld en geluk. Als de huisbaas kwam beuren op een moment dat je niks had, pakte je je schamele boeltje en trok je verder. (…)’

Uit: Suzanne Jansen, Het pauperparadijs. Een familiegeschiedenis (2008)

© Hans van den Bogaard
Schrijver Theun de Vries (1907-2005) woonde tot zijn dood op de Egelantiergracht 68, met uitzicht op de Westertoren. © Hans van den Bogaard

Charlotte Mutsaers laat haar eenzame hoofdpersoon van haar roman Koetsier Herfst, de boomlange Maurice Maillot met kat en hond, wonen in de Jordaan – tot een gevonden mobieltje hem in contact brengt met een mysterieuze vrouw in Oostende.

‘Tegenover de man die de Sarphatistraat de mooiste straat van de wereld noemde, zou ik mezelf willen stellen. Weliswaar bevindt de mooiste straat van de wereld zich in Amsterdam (omdat Amsterdam nu eenmaal de mooiste stad van de wereld is) maar het is niet de Sarphatistraat, het is de Nieuwe Leliestraat. Op het eerste gezicht doet het daar als een grauwe bedoening aan, als een vermoeide aaneenschakeling van antieke poppenhuisjes, her en der gestut door sociale woningbouw. Maar dat is slechts schijn. Het is een straat met charme en sex-appeal. Loop er anders eens doorheen, bij voorkeur op een zomerse namiddag tegen halfzes als alles in een roodgouden gloed wordt gezet. Dan lijkt het te gaan kronkelen, dat stuk asfalt. Dan begint alles te tintelen en op te bloeien en ontstaat er een stimulerende bedrijvigheid. Dan zie je kletsende mensen in kleine groepjes (heel vaak zonder jas, heel vaak rokend en heel vaak op pantoffels), kleurrijke kinderen, bellende fietsers, luie katten, scharrelende honden, en lachen de huizen je toe met roze baksteenwangen. Tref je het dat dan ook nog het carillon van de Westertoren klingelt, dan waan je je in het paradijs, en dat paradijs is helemaal gratis (zoals elk paradijs helemaal gratis is omdat elk paradijs berust op fantasie). Lach er maar om, zeg maar dat ik mijn straat te veel ophemel, noem me maar een sentimentele oude kwast. Het laat me siberisch, het laat me volkomen siberisch, want ik heb recht van spreken. En ik heb recht van spreken omdat ik vergelijken kan. Na alles wat ik in Europa heb aanschouwd aan overrompelende landschappen, vurige zonsondergangen, voorname lanen, woon-avenues, faubourgs, boulevards, alleeën, residentiële wijken of hoe het ook allemaal heten mag, schreeuw ik nog altijd uit volle borst: hoed af voor de Nieuwe Leliestraat!’

Uit: Charlotte Mutsaers, Koetsier Herfst (2009)

Het Theo Thijssen Museum is wekelijks geopend van donderdag tot en met zondag, 12.00-17.00 uur (behalve op feestdagen). Entree slechts € 2,– (donateurs gratis).

 

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum