Leesfragment: Charisma. Odysseus, van held tot schurk

27 november 2015 , door Imme Dros

De Week van de Klassieken vindt plaats van 14 tot 25 april, en tijdens die week is bij een aantal actietitels het geschenk te krijgen: Imme Dros' Charisma. Odysseus, van held tot schurk. Vanavond kunt u al de eerste pagina's lezen.

Er is geen grotere held dan Odysseus, de hoofdpersoon en naamgever van het belangrijkste heldenepos uit de wereldliteratuur. Hij had charisma, net als Bill Clinton en Barack Obama, maar dan in verhevigde mate.
De Odysseus van Homeros komt uit een tijd dat de mensen groter, heldhaftiger en sterker waren dan ooit daarna. Hij is een gecompliceerde man, met meer goede dan slechte eigenschappen, maar dat beeld verandert in latere eeuwen. In de handen van schrijvers als Sofokles en Vergilius verandert hij in een voorspelbare, tweedimensionale figuur, een opportunist, leugenaar en bedrieger.
Imme Dros volgt dat veranderend imago, tot aan Dante, Shakespeare en Vondel. Langzaamaan verloedert hij, en verworden zijn avonturen tot die van een b-acteur in een soapserie. Want, zo schrijft ze, ‘mensen hebben behoefte aan goden, schrijvers aan schurken’.

Volg het spoor van held tot schurk met Imme Dros, die de grote verhalen van de oudheid op magistrale wijze voor een publiek van kinderen en volwassenen ontsloten heeft.

Charisma

Na twintig eeuwen is binnen nog geen twintig jaar het verheven ‘charisma’ gedevalueerd tot een modewoord. Het was lang de aanduiding voor de genade Gods die de zondige mensheid behoedde voor het eeuwig branden in de hel, en het had in de middeleeuwen nog te maken met door God gegeven bovennatuurlijke krachten van koningen en andere machthebbers. De Italiaanse dichter Dante Alighieri noteerde over keizer Hendrik vii: ‘Daar is de koning der aarde, de afgezant van God. Mijn hart bonst in mijn borst en ik mompel: “Aanschouw het Lam Gods dat alle zonden weg zal nemen.”’
Kijk, dat is niet mis.
Tegenwoordig kan zowel een president van de Verenigde Staten (niet aangewezen door een god maar gekozen door de meerderheid van het volk) als een skileraar charismatisch worden genoemd. Met van God gegeven genade of bovennatuurlijke krachten heeft charisma weinig meer van doen, het slaat nog uitsluitend op persoonlijke aantrekkingskracht. In een necrologie over Ramses Shaffy kwam het woord charismatisch drie keer voor.
Charisma is een afleiding van het Oudgriekse charis: ‘alles wat iemands vreugde of begeerte opwekt’.
Het is de mens eigen zichzelf op te tuigen en te omringen met al het mogelijke en onmogelijke wat vreugde of begeerte opwekt, maar charisma blijft in zekere zin een geschenk van de goden en ligt niet voor het oprapen. Goden zelf staan boven charisma. Goden zijn te groot.
Er is nog nooit een wetenschappelijk bewijs geleverd dat goden bestaan, het is ook nog nooit bewezen dat ze niet bestaan. Wat wel vaststaat is dat mensen niet goed zonder kunnen.
‘Alle mensen hebben immers behoefte aan goden,’ zegt de oude Nestor in de Odysseia van Homeros. Nestor, koning van het zanderige Pylos, had geregeerd over drie generaties en gevochten in minstens twee oorlogen. Hij leefde in een ongewisse tijd vol natuurrampen en ziekten waarvoor geen verklaring te vinden was. Wat het verstand te boven ging moest wel afkomstig zijn van hogere machten, van een menigte goden, die het leven van de sterveling konden maken en breken. D
e Grieken hadden zes hoofdgoden, kinderen van Tijd en Stroming, kleinkinderen van Hemel en Aarde:
Zeus de bliksemslingeraar en wolkenverzamelaar, god van hemel en aarde.
Poseidon, de aardschokker, god van de zee.
Hades, god van de onderwereld.
Hera, godin van huwelijk en gezin, vrouw van Zeus.
Demeter, godin van de vruchtbare akkers.
Hestia, godin van huis en haard.
Een treetje lager op de hiërarchische godenladder stonden Apollo, god van de schone kunsten, Hermes, god van de handel, Afrodite, godin van de liefde, Ares, god van de oorlog, Artemis, godin van de jacht en Athene, godin van de wijsheid. Verder krioelde het van de mindere goden, en voor alle zekerheid had elke berg, boom of bron een aparte nimf, elk ongemak een demon.
Het doet achterhaald aan, maar al zijn in de eenentwintigste eeuw oorzaak en gevolg van de meeste rampen en plagen bekend, mensen hebben nog altijd behoefte aan goden. Wie niet wenst te geloven in een algemeen erkend opperwezen kiest een eigen kleine godheid om zich aan vast te klampen: Literatuur, Muziek, Wetenschap, Kunst, Politiek, Liefdadigheid, Status, Macht, Bezit, Succes, Genot, Jeugd, Schoonheid, Roem en Sport, om er een paar te noemen. Het wemelt als in de tijd van Homeros van de goden, rituelen, amuletten, zwarte katten, ongeluksdagen, spinnen in de morgen, horoscopen.
Goden zijn machtig en ze eisen offers, dat hebben ze gemeen met heersers en herders, maar ze onderscheiden zich door hun onsterfelijkheid. Goden hebben het eeuwige leven. In elk geval dachten de oude Grieken er zo over.
Nu zijn het sterke benen die het eeuwige leven kunnen dragen. In de komedie Back to Methuselah van G.B. Shaw, klaagt Adam tegen Eva: ‘Thistles! Nettles! I am tired of pulling these things up to keep the garden pleasant for ever.’ Het paradijs mooi houden voor eeuwig, dat brengt geen mens op. De verveling slaat toe en leidt tot walging, depressie, zelfvernietiging. In de pubertijd, als het leven een eeuwigheid lijkt te duren, is het voor onzekere tieners al moeilijk staande te blijven. De mens is ongeschikt voor het paradijs, de kennis van goed en kwaad jaagt hem een vijandige wereld in, maar die is tenminste wél vol spanning en verhalen.
Er is nog een ander onderscheid tussen goden en stervelingen: goden overleven hun macht niet, mensen wel. Politici verliezen aanzien, miljonairs kapitaal, sporthelden worden betrapt op doping, topclubs degraderen, toptrainers worden ontslagen, een populaire bankeigenaar die het volk brood en spelen geeft, maar van wie de linkerhand niet weet wat de rechter weg klauwt bij goedgelovige klanten, gaat failliet, maffiabazen krijgen honderd jaar cel, koningen worden verbannen, en aan het eind van veel schitterende carrières wacht het verpleeghuis.
Mensen hebben nog altijd behoefte aan goden, afgoden, heersers, helden en vooral idolen. Elk straatvoetballertje probeert te lijken op de Cruijff van de dag, elk schoolmeisje lijdt honger voor een figuur als het nieuwste topmodel. Zo onweerstaanbaar, zo schitterend, zo succesvol willen zij ook zijn.
De idolen voldoen in eigen ogen niet altijd aan het ideaalbeeld van hun adorerende fans. Over de filmster Cary Grant, tientallen jaren de meest geadoreerde en benijde man van de wereld, zei een interviewer: ‘Iedereen wilde Cary Grant zijn. Cary Grant zelf ook.’
Literaire helden hebben natuurlijk charisma in overvloed: papier is geduldig. Het is geen kunst Sneeuwwitje mooi te maken, Herakles te laten winnen, Superman te laten vliegen en Merlijn te laten toveren. Het is de kunst menselijke wezens te creëren die na dertig eeuwen nog altijd ontroeren en intrigeren.
Homeros verstond die kunst als geen ander. Hij kon en kan zijn publiek mee laten voelen met Telemachos, de zoon van Odysseus, die in de schaduw van zijn afwezige vader moet opgroeien; met Penelopeia, de vrouw van Odysseus, die haar geliefde niet kan vergeten; met Laërtes, de oude vader van Odysseus die zichzelf verwaarloost van verdriet; met Odysseus zelf, die na een schipbreuk als een klein kind zit te klappertanden en te jammeren; met de arme Elpenor, ‘niet te best in de oorlog en niet te goed bij zijn hoofd’, die in de onderwereld aan Odysseus vraagt of de riem waarmee hij altijd heeft geroeid op zijn graf mag staan; met de ziekelijke slavin die meel moet malen en in de vroege ochtend haar taak nog altijd niet af heeft; met de bij zijn leven zo ‘snelvoetige’ Achilleus, die in de onderwereld met trage, onzekere stappen weghobbelt over de grafleliewei, trots omdat zijn zoon een held wordt genoemd; met de overmoedige vrijers die in de bloei van hun leven ellendig sterven; met de valse slavinnen die wanneer ze zijn opgehangen nog een beetje trappelen met hun voeten, ‘maar niet lang’. Zelfs voor een menseneter als de cycloop Polyfemos, die met zijn uitgebrande oog tegen een ram zit te mijmeren over de bloemenwei en de heldere rivier die hij zelf nooit meer zal zien, kan Homeros nog medelijden opwekken. Soms vertelt hij een kleine tragedie in een enkel fragment.

En de Heros Aigyptios was de eerste spreker,
krom van ouderdom maar op de hoogte van duizenden dingen!
Want ook van hem was een zoon met de godgelijke Odysseus
meegevaren naar Ilios – stad van de mooie paarden –
in de holle schepen: zijn dierbare zoon Antifos,
die beroemd was als speerwerper en die in de gewelfde
grot was doodgeslagen door de barbaarse kykloop en
opgegeten op de allerlaatste avond.
Al had de oude man nog drie zonen, één bij de vrijers –
dat was Eurynomos – en nog twee zoons op zijn eigen landgoed,
hij bleef voortdurend treuren en huilen om die ene.

Soms geeft hij een bijfiguur reliëf in een paar zinnen: het overal aanwezige gedienstige oudje Eurykleia wordt terloops met naam en toenaam aangeduid als ‘de dochter van Ops, de zoon van Peisenor’.

Zij was toen ze jong was gekocht door Laërtes voor twintig
ossen aan kostbaarheden, want hij had haar lief, zo
lief als zijn eigen vrouw. Toch zou hij niet met haar slapen,
om zijn wettige vrouw vooral niet razend te maken.

En soms schetst Homeros verspreid over verschillende boeken een veelbewogen mensenleven zoals dat van de oude Dolios.
Zijn naam valt voor het eerst in boek 4 van de Odysseia, als Penelopeia opdracht geeft de slaaf te roepen die ze van haar vader meekreeg toen ze als bruid naar Ithaka kwam.
In boek 17 wordt Dolios opnieuw vermeld. De als bedelaar vermomde koning Odysseus en de varkenshoeder Eumaios zijn op weg naar het paleis van Ithaka:

En daar kwam de geitenhoeder Melanthios, zoon van
Dolios, hij bracht met twee herders de vetste geiten
van de kuddes naar de stad voor het maal van de vrijers.
Toen hij de twee oude mannen zag lopen, begon hij te schelden,
zo gemeen en grof, dat Odysseus zijn hart voelde bonken [...].

Melanthios heeft evenals een van de zoons van Aigyptios de kant gekozen van de vrijers. Een boek verder blijkt de trouwe slaaf ook nog een ontspoorde dochter te hebben, Melantho. De vermomde Odysseus krijgt met haar te maken in de eetzaal van zijn paleis. De slavinnen in het paleis zijn niet onvriendelijk tegen de bedelaar, ze laten hem zijn gang gaan.

[...] maar Melantho met de mooie wangen begon hem
op een onbeschofte manier de huid vol te schelden.
Zij was een dochter van de slaaf Dolios. Penelopeia
had haar in huis genomen of het haar eigen kind was,
opgevoed en vertroeteld met het prachtigste speelgoed.
Toch had Melantho geen greintje gevoel voor Penelopeia,
zij hield het met Eurymachos, op wie ze verliefd was.
En nu schold ze Odysseus uit met bijtende woorden [...].

Waarschijnlijk is het deze dochter van Dolios die Penelopeia verraadt aan de vrijers. De koningin wist een gedwongen huwelijk jarenlang uit te stellen met een list die Odysseus waardig was. Ze beweerde dat ze voor ze opnieuw ging trouwen eerst een lijkwade voor Laërtes moest afmaken, anders zouden de vrouwen van het eiland er kwaad van spreken dat een zo rijk en machtig man naakt moest worden begraven.

En overdag bleef ze werken aan dat reusachtige kleed, maar
’s nachts trok ze alles weer uit bij het rossige licht van de fakkels.
Drie jaar lang hield zij de Achaiers met list voor het lapje,
maar toen het vierde jaar aanbrak – de winter werd weer lente,
maanden en maanden gingen voorbij, de dagen lengden –
toen gaf een van de vrouwen het door die het heel goed kon weten [...].

Wie anders dan Melantho, die vanaf haar kindertijd bij Penelopeia in en uit mocht lopen, kon weten wat er omging in de vertrekken van de koningin. Melantho en Melanthios heulen met de vijand, ze zullen hun gerechte straf niet ontgaan.
In het laatste boek van de Odysseia komt Dolios voor het eerst uitgebreid voor. Odysseus zit met Telemachos en een paar vrienden in afwachting van de woedende familieleden van de gedode vrijers aan tafel op het landgoed van zijn vader Laërtes:

[...] en ze wilden al gaan beginnen, toen juist de oude
Dolios uitgeput van het werk met zijn zoons van het land kwam [...].
Toen ze Odysseus zagen en stomverbaasd bleven staan kijken,
noodde Odysseus hen hartelijk uit met de volgende woorden:
‘Toe oude vriend, kom zitten en eet, blijf niet zo staan staren,
wij zitten hier te wachten en hebben ontzettende honger.’
Dolios liep op hem af met uitgestrekte armen,
pakte Odysseus bij zijn hand en kuste de handpalm.
Toen verhief hij zijn stem en gaf vleugels aan zijn woorden:
‘Dierbare meester, u bent terug, u bent weer bij ons!
Dat had niemand meer durven hopen. De Goden hebben
u vast persoonlijk gebracht. O welkom, hartelijk welkom,
en ik hoop dat de Goden u louter geluk zullen geven’ [...].
En nu kwamen zijn zoons ook om de beroemde Odysseus
heen staan en ze begroetten hem en schudden zijn handen,
daarna gingen zij op een rij naast Dolios zitten [...].
Na het eten dat hun zo zoet gesmaakt had als honing,
zei de held Odysseus, die veel heeft moeten verduren:
‘Laat er eens iemand buiten gaan kijken of ze al komen.’
Dus een zoon van Dolios ging naar buiten, maar op de
drempel zag hij het al: de horde was vlak bij het landgoed
en hij gaf vleugels aan zijn woorden tegen Odysseus:
‘Vlug, ze zijn al vlakbij, geen tijd te verliezen, te wapen!’
riep hij. Zij sprongen op en rustten zich uit, Odysseus
met zijn mannen, zes zoons van Dolios en de twee oudjes,
want Laërtes en Dolios hulden zich ook in hun rusting,
grijs of niet, ze moesten wel meedoen aan de oorlog.

Homeros maakt van zijn bijfiguren levende mensen. Hij pleegt zelfs een keer stijlbreuk door zich rechtstreeks in de tweede persoon tot een van de slaven van Odysseus te richten: ‘En toen zei jij, varkenshoeder Eumaios’, alsof de varkenshoeder zich tussen het publiek bevond.
Odysseus is in de Ilias en de Odysseia een gecompliceerd mens en moet regelmatig kiezen tussen wat zijn hart hem ingeeft en wat zijn verstand hem opdraagt, een man met meer goede dan slechte eigenschappen. Vooral door toedoen van schrijvers als Sofokles en Vergilius werd hij een voorspelbare, tweedimensionale figuur: een opportunist, een leugenaar, een bedrieger.
Mensen hebben behoefte aan goden, schrijvers aan schurken.

Copyright © 2010 Imme Dros
Copyright foto © Harrie Geelen

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum