Leesfragment: De grote Joseph

27 november 2015 , door Anneloes Timmerije
| |

Deze week is de nieuwe roman van Anneloes Timmerije, De grote Joseph, verschenen. Vanavond kunt u enkele pagina's lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Op de dag dat Lila Becks vijfentwintig wordt, blijkt haar moeder verdwenen. Als ze gaat zoeken, vindt ze iemand die ze niet kent. Haar moeder heet Carine, maar op de geboorteakte staat een heel andere naam: Mette. En ze ontdekt dat haar moeder, een gewaardeerde veearts in een Veluws dorp, vreemde sekspartners op vreemde plekken zoekt.

Carine wordt gevonden, ze is verdronken. Lila wil weten wie zij was, wie Mette was, en wie er schuilging achter haar zelfverzekerde, vrijgevochten moeder. Ze vertrekt naar Frankrijk, naar de streek waar haar moeder vandaan kwam, maar die ze uit haar hart schrapte, de plek waar oom Joseph nog woont. Daar vindt ze een potdicht verleden. Oom Joseph spreekt louter in verzonnen woorden, de dorpsgemeenschap praat niet met buitenstaanders. ‘Hier gebeurt nooit iets,’ hoort Lila steeds. En dan ontmoet ze soeur Élodie.

Anneloes Timmerije is 20 april te gast bij Kunststof radio van 19.00 - 20.00 uur.

De eerste pagina's van De grote Joseph zijn bij Uitgeverij Atlas op de site te vinden.

 

Mijn naam is Lila Becks. Ik heb twee vaders en één oom. Mijn moeder verdween in de winter, op mijn verjaardag. De avond daarvoor had ze me om vijf voor twaalf wakker gebeld, zoals ze altijd deed. Lange tijd dacht ik dat ze die gewoonte had meegenomen uit het Franse dorp waar zij en oom Joseph opgroeiden. Het gaf iets speciaals aan mijn verjaardagen – een cachet zogezegd. Alsof ik de gouden plak had gewonnen met ouder worden. Later begreep ik dat ze simpelweg de eerste wilde zijn, tenslotte had zíj het baren gedaan. In haar eentje. Ik werd nog net niet geboren op de koude tegelvloer voor het open keukenkastje waaruit zij een emmer had willen pakken. Met weeën en al, kinderkopje voelbaar tussen haar dijen, had ze kans gezien een stapel schone handdoeken uit een la te trekken en op de bank in de warme kamer het natuurgeweld zijn gang te laten gaan.
Karel was in het buitenland, een ander woord voor een weekendje weg met een toenmalige vriendin. In zijn voordeel spreekt dat ik drie weken te vroeg kwam, en dat Carine waarschijnlijk al op hem was uitgekeken. Uit de overlevering weet ik dat zij een jaar na mijn geboorte door Van Gend & Loos een grote kist voor het huis liet zetten, Karels spullen erin mikte, en in koeienletters buitenland op de zijkant schreef.
Ik ben vernoemd naar de kleur die ik had toen Carine de navelstreng afbond en doorknipte. Bovendien vond ze dat er iets zachts moest staan voor die harde achternaam van Karel. Zonder tussenkomst van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand had ik Lilas geheten, op z’n Frans. Zodra Carine hoorde hoe dat in het Nederlands zou klinken, haalde ze de s eraf.
In haar geboortedorp kregen kinderen de namen die al generaties lang in de familie circuleerden. Met die traditie, en vele andere, had ze gebroken. Karel verkeerde in een soortgelijke situatie toen ze hem leerde kennen. Hij had zijn familie dan wel niet afgezworen, maar bedankte wel voor een mooie baan in het bedrijf en dus ook voor de bak met geld, verdiend door zijn Maastrichtse voorvaderen die wijd en zijd bekendstonden als ‘de Heren van de Tegels’. Tot vandaag de dag moet je moeite doen een keuken of badkamer te vinden zonder Beckstegels. Ik heb te vaak moeten uitleggen waarom ik daar alles en niets mee te maken heb, en volsta daarom tegenwoordig voor het gemak met: ‘Geen familie.’

‘Als ik straks ophang, ben je een jaar ouder,’ zei ze die nacht. Ik zag haar voor me: alle kussens in haar rug, telefoon op haar buik, één been onder de dekens vandaan, blik op de secondewijzer van het klokje in haar hand. Om één tik voor twaalf: ‘Tot morgen, ma mie.’
De volgende ochtend zweefde ik half in niemandsland, vaag bewust van een nieuwe dag, Mette nog niet in mijn leven, toen de man van het anp vertelde dat John Lennon was vermoord. Ik schoot overeind en draaide de knop van de wekkerradio van station naar station om ergens te horen dat het een vergissing was, desnoods een stunt van Yoko, maar het nieuws klonk overal hetzelfde. Zo begon dinsdag de negende december: de zon was nog niet op of de dag lag al aan diggelen.
Om kwart over acht belde Tom, dwars door Imagine heen. ‘Je bent jarig,’ zei hij, alsof ik daaraan herinnerd moest worden. Tom is mijn aardige vader. Op feestdagen pakt hij uit bij Marco, de Italiaan bij hem om de hoek. Eenvoudig eten, bakken sfeer. In een notendop is dat voor hem waar het leven om draait. ‘Heb je het al gehoord?’ vroeg ik. Tom had het gehoord. ‘Tot later, luf,’ zei hij. Meer woorden over de moord wisselden we niet, Tom heeft meer met Chubby Checker. ‘Eendagsvliegen’ voorspelde hij ooit, terwijl ik oefende op de blokfluitvariant van Eleanor Rigby.

Rond elf uur belde Karel. ‘Proficiat’, zei hij, want hij is van beneden de rivieren. ‘Ik heb een mooi cadeau voor je uitgezocht, vind ik zelf. Ik heb het net pas op de bus gedaan, ik was eh… je verjaardag is helemaal door mijn hoofd geschoten. Ik zit tot over mijn oren in het werk.’
Karel is vertaler, zijn eigen zinnen beginnen meestal met ik.
‘Heb je morgen nog een cadeautje,’ zei hij. Karel is mijn echte vader, we zien elkaar zelden.
Ik deed mijn best het gesprek luchtig en vrolijk te houden. Ik gunde Karel mijn teleurstelling niet, terwijl ik wist, of dacht te weten, dat het hem zou raken als hij er lucht van kreeg. Dat was het probleem met die man, onder andere. Ik deed geen poging het nieuws van de dag met hem te bespreken, frivoliteiten zouden hem maar uit zijn concentratie halen. Zijn Concentratie Is Heilig. Karel laat het nieuws pas toe als hij de tijd daarvoor rijp acht, en dat kan even aanlopen.
Ik zocht naar een ander station en luisterde voor de tweede keer die ochtend naar Imagine toen Denny belde.
‘Heb je het al gehoord?’ Hij kwam er bijna aan mijn kant van de hoorn uit, zo graag wilde Denny de boodschapper van het onheil zijn. Veel kans om antwoord te geven kreeg ik niet want hij stak meteen van wal, tot hem te binnen schoot waarom hij belde en heel hard ‘vijfentwintig!’ riep. Alsof hij na lang worteltrekken het magische getal had gevonden voor de poort naar de ideale wereld.
‘Gefeliciteerd met mij,’ zei ik, want zijn gelukwensen bleven uit.
‘Ik heb twee minuten,’ zei hij.
Denny doet aan tijdgebrek, hij werkt bij de krant. Ik had hem nauwelijks gezien of gesproken sinds de Singelmoorden. Heel Amsterdam sprak erover, hij schreef het op. Denny heeft, behalve haast, enorme voeten. Daarom geeft hij die niet bloot, nooit. De logica daarvan was mij altijd ontgaan, maar omdat hij zich daar prettiger bij voelde vond ik het best. Iedereen heeft recht op een of twee aberraties. Toch ging met sokken aan op den duur tegenstaan, en daarom was hij sinds een week of wat mijn ex. Daar moesten we allebei nog aan wennen.
‘Koffie? Over een uurtje?’ vroeg hij.
‘Ik ben er.’
‘Klik,’ hoorde ik. Het geluid van Denny’s deadline.

Pas aan het eind van de middag drong het tot me door dat mijn moeder niet meer had gebeld. Carine was geen kloek, maar mijn verjaardagen buitte ze doorgaans tot op de bodem uit. Ik stond er nauwelijks bij stil, waarschijnlijk omdat het al zo’n vreemde dag was. Werkelijk iedereen had het over de moord, van de schoenmaker die mijn Spaanse laarzen had opgelapt, tot en met de mannen in de hal van de Hilversumse drafbaan, die zich, áls ze al iets zeggen, normaal gesproken beperken tot: ‘Weet je nog wat?’ We keken naar de tv-schermen tegenover de kassa’s en zagen hoe dravers en pikeurs zich onder de felle lampen presenteerden aan het publiek voor de koers van zes uur. Het was zo koud dat zelfs verstokte tribunekijkers naar binnen waren gevlucht. ‘Doe mij tien voorop, voor twee geeltjes,’ zei ik een halve minuut voor de start. Laat inleggen houdt de côte lekker hoog. Nummer 10, die toepasselijk Tuesday bleek te heten, won tegen ieders verwachting, behalve de mijne. Toen ik even later mijn geld kwam innen, zei de kassamevrouw: ‘Nooit wat aan gevonden, die hele Beatle niet. Maar hij had voor mij niet dood gehoeven.’

 

Tom was er al toen ik de deur van Marco’s eethuis opentrok. Hij is er altijd al, zelfs als ik op tijd ben. Er lag een doosje op mijn bord, van het fluwelen soort waarmee Amerikaanse filmmannen hun filmliefdes ten huwelijk vragen, maar dan langwerpig. In het doosje zat een ketting, bescheiden glimmend als een nat waslijntje. Toms handen trilden in mijn nek toen hij het vastklikte. Mijn handen waren de rest van de avond aan het voelen of het er nog zat.
Tom vroeg naar mijn dag.
‘Ik had Hilversum vanmiddag, daarom was ik zo laat.’
‘Nog wat gewonnen?’ vroeg Tom.
‘Veul.’
Om te voorkomen dat we alles nog een keer moesten vertellen als Carine er was, hielden we de echte verhalen voor ons. We nipten onze wijn, beweerden onzinnigheden over het belang van lekker eten, waren tevreden met elkaars gezelschap. Maar bij het tweede glas van Marco’s huiswijn kon Tom zich niet langer inhouden. Hij boog zich voorover en duwde zijn wijsvinger op tafel. ‘Je moeder kan toch op z’n minst op tijd zijn.’ Als Tom boos is, verandert Carine in ‘je moeder’.
Hij stak zijn vinger op, dat betekent: echtelijk zeer in aantocht. Ik nam een slok en dacht aan chromatopseudopsie, het ‘gebrek aan het gezigtsvermogen van vele menschen, eenige kleuren (vooral rood en groen) niet te kunnen onderscheiden’. Tegenwoordig noemen we dat daltonisme of kleurenblindheid. ‘Ze zal wel een spoedgeval hebben,’ zei ik.
Tom vond dat ze had moeten bellen. Ik wees hem erop dat bij een spoedgeval andere dingen doorgaans belangrijker zijn.
De stemming naderde het vriespunt toen Marco de stereo op vol draaide. Woman is the nigger of the world, zong John Lennon, alsof hij nog leefde.
Na de hommage beende Tom boos naar de bar om Carine te bellen. Ze nam niet op.
‘Ze heeft toch zo’n antwoordapparaat?’
‘Dat vergeet ze altijd aan te zetten, maar dan komt het wel door op haar bieper,’ zei ik, en schonk onze glazen bij. ‘Als ze kan, belt ze terug.’
‘Op jou,’ zei Tom. ‘Heb je nog een verloren woord?’
‘Zuipbast. Jij en ik zijn zuipbasten.’
Hij pakte mijn hand en kneep erin. ‘Samen is ook goed.’
Tom had mij graag als zijn eigen kind opgevoed als Carine niet tussenbeide was gekomen. Zijn ogen worden vochtig als hij dat zegt. Zo is Tom. Na vijf jaar huwelijk kondigde Carine aan dat ze het hele idee ‘man’ bij nader inzien onzin vond. En dat was dat. Zijn vertrek was niet zo spectaculair als dat van Karel. Hij kwam naar mijn kamer en ging op bed zitten. ‘Niet op het ijs,’ zei hij, ‘want het dooit.’ Dat is Toms standaardwaarschuwing voor de gevaren des levens. Hij ging weg, zei hij, maar niet om mij. Ik trok de dekens over mijn hoofd, het hielp geen steek tegen zijn bonkende voeten op de trap. Zelfs oordoppen hadden de ontiegelijke knal waarmee Tom de voordeur dichtsloeg niet kunnen dempen. Carine en ik vonden een week later nóg fijne schilfertjes glas tussen de plavuizen in de gang.
Marco bracht ons hoofdgerecht. Tom snoof en kreunde. Hij vroeg wanneer de Etna weer zou gaan rommelen. Dat vraagt hij met enige regelmaat. Marco stopte zijn wijsvinger in zijn mond, hield hem omhoog, trok een denkrimpel, en zei: ‘In maart.’

Ze kwam niet, en daardoor bleef de sfeer raar. We deden allebei ons best om voluit vrolijk te zijn. Bij de tweede fles huiswijn lukte mij dat beter dan Tom. Hij belde nog tweemaal, vergeefs. De rest van de avond jojode hij van zoete herinneringen naar gramschap, die hij kennelijk na al die jaren nog met zich meedroeg.
‘Ze had me niet moeten wegsturen, dat was een domme zet.’ Dat zegt Tom wel vaker als hij te veel wijn opheeft.
‘Een naiserie,’ zei ik.
‘Wat is dat?’
‘Domme zet.’
‘Wat schuift dat nou?’ vroeg Tom.
Je zou het niet zeggen als je hem ziet, maar Tom is directeur. Vandaar dat hij stikt van de contacten. Hij kende iemand die weer iemand kende, en zo kwam ik aan mijn baantje.
‘Vierhonderd gulden per maand,’ zei ik. Geen broekscheurend bedrag, vond ook Jane Dusoswa bij de afronding van het sollicitatiegesprek, maar daar stond tegenover dat ik alle vrijheid had mijn eigen tijd in te delen én dat zij mij, bij gebleken geschiktheid, in elk geval drie jaar zou geven om de klus te klaren.
De klus was het doen van onderzoek naar woorden die uit de Nederlandse taal zijn gevallen – woorden die ooit op ieders lippen lagen, maar in de tijd verloren zijn geraakt. Jane Dusoswa is oprichtster en voorzitster van de Maatschappij Tot Behoud van het Woord te Leiden, en ik ben het voltallige personeel. Op gezette tijden stop ik mijn uitgetikte vondsten in een envelop, vergezeld van een gezellig briefje, waarop zij mij, als het even kan per kerende post, een kaartje terugstuurt met: ‘Tevreden, Jane.’ Als het ooit tot een boek komt, zal mijn naam op de cover prijken. Daar kan ik me echt op verheugen. Ook die avond, terwijl ik Tom toevertrouwde hoezeer zo’n onderzoek mij op het lijf geschreven is, voelde ik het gloeien van dat vooruitzicht. Het waren dan wel niet mijn eigen woorden, maar een boek is een boek. Carine was dolenthousiast over het project, en opgelucht omdat ik in haar ogen eindelijk iets deed.
‘Leuke vrouw?’ vroeg Tom.
Ik vertelde hem over Jane, haar reuma en haar rolstoel. Het is niet helemaal duidelijk hoe het zit met haar, want binnenshuis heeft ze nauwelijks problemen met lopen. Ik verdenk haar ervan dat ze liever niet buiten komt, dat de rolstoel fungeert als een dekmantel. Maar dat is speculatie, want Jane spreekt niet over zichzelf en ik vraag niet. We zijn alle twee tevreden met de stille regel dat alleen woorden onderwerp zijn van gesprek.
‘Talige types zijn vaak latente agorafobisten,’ wist Tom.

We speelden vader en dochter, daar zijn we goed in. We trokken onze polkapas uit de mottenballen en huppelden hand in hand over de donkere, nog blote Albert Cuypstraat naar mijn huis. Twee passen naar rechts, sprongetje, twee passen naar links, sprongetje. Wiebelig van de wijn, slappe lach.
Ik maakte me nog steeds geen zorgen over Carine. Het ging wat ver, zelfs voor haar doen, om mij juist die dag te laten zitten, maar gek genoeg stak Karels afwezigheid harder. Dat gebeurt wel vaker als ik het leuk heb met Tom. Carine had het mij ingelepeld: hij zou nooit een vader voor mij zijn. Daar had ik me bij neer te leggen. Meestal lukt dat.
Tom heeft een sleutel van mijn huis. Hij staat erop mij veilig af te leveren als we uit zijn geweest. Enorm ouderwets, maar van hem kan ik dat wel hebben. Op de avond van mijn verjaardag deed hij de voordeur voor me open, knipte het licht aan, verklaarde de trap vrij van Singelmoordenaars en gaf me een klapzoen op mijn voorhoofd. ‘Slaap lekker luf, niet op het ijs,’ zei hij.
Ik had de keuze niet. Ik stond er al toen de dooi me overviel. Het wak groeide sneller dan ik kon schaatsen, achtervolgde me, kwam dichterbij met elke klap van mijn ijzers, haalde me in.

[...]

© Anneloes Timmerije

Uitgeverij Augustus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum