Leesfragment: De huishoudster en de professor

27 november 2015 , door Yoko Ogawa
|

Eind augustus verschijnt Yoko Ogawa, De huishoudster en de professor, vertaald door Elbrich Fennema. Vanavond kunt u er al enkele pagina's van lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Kun je een relatie hebben met iemand die zich niet herinnert je ooit eerder ontmoet te hebben, terwijl je hem elke dag ziet?

Hij is een briljante wiskunde professor met een merkwaardig probleem. Sinds een traumatisch ongeluk leeft hij met een korte termijngeheugen van slechts tachtig minuten. Zij is een gevoelige maar scherpzinnige jonge huishoudster met een tienjarige zoon, ingehuurd om voor hem te zorgen.

Elke ochtend, als de professor en de huishoudster opnieuw kennismaken, bloeit er een vreemde, prachtige relatie tussen hen op. De professor mag dan niet meer weten wat hij als ontbijt at, zijn geest is nog steeds vol van elegante vergelijkingen uit het verleden. Hij ontwikkelt slimmewiskundige raadsels – gebaseerd op haar schoenmaat of haar verjaardag – en de getallen, in al hun sprekende orde, onthullen een poëtische wereld aan zowel de huishoudster als de tienjarige jongen die hem adoreert. Met elke nieuwe vergelijking groeit tussen de drie verloren zielen een affectie die mysterieuzer is dan imaginaire getallen en een band die dieper gaat dan herinneringen.

De huishoudster en de professor is een betoverend verhaal over wat het betekent om in het heden te leven, en over de merkwaardige vergelijkingen die een gezin kunnen vormen.

 

1

Mijn zoon en ik noemden hem de professor. En de professor noemde mijn zoon Wortel, omdat hij vond dat zijn hoofd zo plat was als het wortelteken.
‘Nou, volgens mij zit daar een pienter stel hersens in,’ zei de professor terwijl hij door mijn zoons haar woelde zonder er acht op te slaan dat het helemaal door de war raakte. Mijn zoon, die altijd een pet op had omdat hij er een hekel aan had met zijn platte hoofd geplaagd te worden door zijn vrienden, trok behoedzaam zijn schouders op.
‘Hiermee kun je zelfs oneindige getallen weergeven, en getallen die met het oog niet waarneembaar zijn.’ Met zijn wijsvinger tekende hij het symbool in de dikke laag stof op zijn bureau.

Van de ontelbare dingen die mijn zoon en ik van de professor leerden, was de betekenis van de vierkantswortel een van de belangrijkste. De professor, die ervan overtuigd was dat het ontstaan van het universum kon worden uitgedrukt in de taal van de getallen, zou mijn gebruik van het woord ‘ontelbaar’ waarschijnlijk afkeuren. Maar hoe moet ik het anders zeggen? Hij heeft ons geleerd over reusachtige priemgetallen van meer dan honderdduizend cijfers, over het allergrootste getal dat gebruikt wordt voor wiskundige bewijzen en dat in het Guinness Book of Records staat, en over wiskundige concepten die het oneindige overstijgen. Maar hoe fascinerend dit ook was, het kwam niet in de buurt van het simpele genoegen met de professor samen te zijn.
Ik herinner me goed hoe we met zijn drieën probeerden te doorgronden welke betovering het wortelteken heeft over de getallen die eronder worden geplaatst. Het was op een regenachtige namiddag in het begin van april. In zijn schemerige werkkamer brandde een peertje, de rugzak van mijn zoon lag op het vloerkleed, buiten stonden de bloesems van de abrikoos te verpieteren in de regen.
De professor verlangde niet van ons dat we altijd met de goede antwoorden kwamen. Hij had veel liever dat we wanhopige slagen in de lucht maakten dan dat we zonder iets te antwoorden in zwijgen wegzonken. Als zich dan een nieuw probleem aandiende dat het oorspronkelijke probleem overtrof, was hij helemaal in zijn nopjes. Hij had een speciaal zwak voor de ‘goede fout’ en juist op momenten dat we met geen mogelijkheid een oplossing konden vinden, moedigde hij ons het meest aan.
‘Laten we eens proberen de wortel van –1 te vinden,’ zei de professor.
‘We moeten dus op zoek naar een getal dat op –1 uitkomt als je het met zichzelf vermenigvuldigt,’ zei Wortel.
Mijn zoon had op school net breuken geleerd. Na een uitleg van een halfuur van de professor begon hij te accepteren dat er getallen zijn die lager zijn dan nul. We braken ons het hoofd over √–1. De wortel van 100 is 10, de wortel van 16 is 4, de wortel van 1 is 1, dus de wortel van –1 is...
De professor joeg ons nooit op. Hij hield er juist van ons te zien nadenken.
‘Misschien bestaat dat niet,’ opperde ik voorzichtig.
‘Nee hoor, hier is het.’ Hij wees op zijn eigen borst.
‘Het is een heel nederig getal dat zich niet laat zien op plekken waar het met het oog waarneembaar is. Maar binnen in ons bestaat het en met zijn kleine handjes ondersteunt het de wereld.’
We vielen weer stil en lieten onze gedachten dwalen over het bestaan van de wortel van –1 die blijkbaar op een verre, onbekende plek uit alle macht zijn handjes uitstrekte. Alleen het geluid van de regen was te horen. Mijn zoon legde zijn hand op zijn hoofd, alsof hij zich nog een keer wilde vergewissen van het wortelteken.
Maar de professor was niet uitsluitend de onderwijzer. Hij was heel bescheiden ten aanzien van zaken waar hij geen verstand van had. Ongeveer net zo nederig als de wortel van –1. Wanneer de professor mij nodig had, begon hij altijd met: ‘Neem me niet kwalijk, maar...’
Zelfs wanneer hij me alleen maar vroeg de broodrooster op drieënhalve minuut in te stellen, begon hij steevast met: ‘Neem me niet kwalijk, maar...’ Als ik de broodrooster had aangezet, rekte hij zich uit om erin te kijken totdat de toast klaar was. Hij keek gefascineerd naar de toast, alsof ik een bewijs had geponeerd waarin hij een stap naar een waarheid herkende dat even belangwekkend was als de stelling van Pythagoras.

In maart van 1992 stuurde uitzendbureau Akebono, voor huishoudelijke dienstverlening, me voor het eerst naar de professor. Ik was op dat moment de jongste van alle huishoudsters die stonden ingeschreven bij dit bureau in een stadje aan de Zee van Seto, al werkte ik er al meer dan tien jaar. Ik kon inmiddels met elk type opdrachtgever overweg en ik was trots op mijn professionele kwaliteiten als huishoudster. Ook als ik lastige klanten kreeg toegewezen waar mijn collega’s voor bedankten, protesteerde ik nooit. Eén blik op de klantenkaart van de professor was voldoende om te vermoeden dat het om een lastige cliënt ging. Wanneer er op grond van een klacht van de opdrachtgever van huishoudster werd gewisseld, werd op de achterkant van de klantenkaart een blauwe ster gestempeld. Op de kaart van de professor stonden negen stempels. Een record, voor zover ik had meegemaakt.
Toen ik ter kennismaking naar hem toe ging, werd ik ontvangen door een keurige, slanke dame op leeftijd. Haar bruingeverfde haar zat in een knotje, ze droeg een tricot jurk en in haar linkerhand had ze een zwarte stok.
Ik wist in eerste instantie niet wat de relatie was tussen de dame op leeftijd en de professor.
‘Je zult voor mijn zwager gaan zorgen,’ zei ze. ‘Het is heel problematisch voor mij en mijn zwager dat niemand het lang volhoudt. Elke keer als er een nieuwe komt, moeten we van vooraf aan beginnen, met alle gedoe van dien.’
De zwager bleek de jongere broer van haar man te zijn.
‘Zo moeilijk is het nu ook weer niet wat we vragen. We willen dat u van maandag tot en met vrijdag komt. U begint om elf uur, zorgt dat hij zijn lunch krijgt, u houdt zijn huis aan kant, doet de boodschappen, maakt het avondeten voor hem klaar en om zeven uur zit uw werkdag erop. Dat is alles.’
In de manier waarop zij het woord ‘zwager’ had uitgesproken, klonk iets weifelends door. De toon was beleefd genoeg, maar ze kneep ongemakkelijk in haar stok. Ze vermeed zorgvuldig mijn blik, maar keek af en toe behoedzaam mijn kant op.
‘De details staan in het contract met het uitzendbureau. Als mijn zwager maar de hulp krijgt zodat hij een zo normaal mogelijk leven kan leiden, ben ik al tevreden.’
‘Waar is uw zwager nu?’ vroeg ik. De oude dame wees met haar stok naar een bijgebouw achter in de tuin. Achter een keurig gesnoeide haag van glansmispel was een roodbruin dak te zien.
‘Het is niet de bedoeling dat u tussen het bijgebouw en het huis op en neer loopt. Uw werkterrein is de woning van mijn zwager. Het bijgebouw heeft een eigen ingang aan de noordkant en ik verwacht dat u uitsluitend van die ingang gebruik zult maken. Als zich een probleem met mijn zwager voordoet, zult u het ter plekke moeten oplossen. Ik verwacht dat u daarmee akkoord gaat en deze wens respecteert.’ Ze tikte een keer met haar stok op de vloer.
In vergelijking met allerlei wonderlijke verzoeken van eerdere opdrachtgevers — dat ik elke dag een andere strik in mijn haar moest dragen, dat het theewater precies 75 °C moest zijn, dat ik met gevouwen handen moest bidden als Venus opkwam aan de hemel — vond ik het geen overdreven ingewikkelde afspraak.
‘Kan ik kennismaken met uw zwager?’
‘Dat is niet nodig.’
Haar ontkenning was zo bruusk, dat ik het gevoel kreeg dat ik iets ongepasts had gezegd.
‘U kunt vandaag wel kennismaken, maar dat is hij morgen toch weer vergeten. Daarom is het niet nodig.’
‘Bedoelt u dat...’
‘Hij heeft kort samengevat een probleem met zijn geheugen. Hij is niet dement. Zijn hersens werken prima. Maar ongeveer zeventien jaar geleden heeft hij een auto-ongeluk gehad waardoor zijn geheugen is aangetast. Hij heeft toen hoofdletsel opgelopen. Mijn zwager is al zeventien jaar het vermogen kwijt om nieuwe herinneringen op te slaan. Hij herinnert zich niets van na het ongeluk. Hij herinnert zich een stelling die hij dertig jaar geleden heeft ontdekt, maar hij weet niet meer wat hij gisteren heeft gegeten. Je zou kunnen zeggen dat in zijn hoofd een videoband zit die niet meer dan tachtig minuten op kan slaan. Als er meer bij komt, verdwijnt het voorafgaande. Mijn zwager kan zich niet meer dan tachtig minuten herinneren.’
Misschien kwam het doordat ze deze uitleg al zo vaak had herhaald. Ze vertelde het zakelijk en efficiënt, zonder enige emotie. Het lukte me niet me een concreet beeld te vormen bij een geheugen van tachtig minuten. Natuurlijk had ik eerder voor zieke mensen gezorgd, maar ik was er niet zeker van dat deze ervaringen hier van pas kwamen. Op dit moment schoot me alleen de kaart met de hele trits stempels van blauwe sterren te binnen.
Voor zover ik vanuit het huis kon beoordelen, zag het bijgebouw er verlaten uit. In de haag zat een ouderwetse poort ernaartoe. Toen ik goed keek, zag ik dat de deur was afgesloten met een stevig slot. Het was roestig en zat onder de vogelpoep. Het oogde alsof het met geen enkele sleutel meer open te krijgen zou zijn.
‘Goed, ik verwacht dat u maandag begint.’
Zonder me de gelegenheid te geven nog iets te zeggen beëindigde ze ons gesprek. Zo werd ik de huishoudster van de professor.

Vergeleken met het prachtige hoofdhuis was het bijgebouw sleets en armoedig. Het was een krap bemeten bungalow die haastig in elkaar leek te zijn geflanst. Het groen rond het huis, dat niet was bijgehouden, tierde daarentegen welig als om te compenseren voor de indruk van het gebouw. De ingang was overschaduwd en de deurbel deed het niet.
‘Wat is uw schoenmaat?’
Het eerste waar hij mij, zijn nieuwe huishoudster, naar vroeg was niet mijn naam, maar mijn schoenmaat. Geen begroeting, geen woord van welkom. Ik hield me aan de ijzeren regel van mijn professie om onder geen beding een vraag van een cliënt met een vraag te beantwoorden en gaf antwoord op de vraag die me was gesteld.
‘Vierentwintig.’
‘Zo, dat is een stoer getal. Het is de faculteit van vier.’ De professor vouwde zijn armen over elkaar en deed zijn ogen dicht.
‘Wat is dat, een faculteit?’ vroeg ik. Als mijn schoenmaat om een of andere reden zo belangwekkend was voor mijn cliënt, leek het me goed wat verder op het onderwerp in te gaan.
‘Als je de natuurlijke getallen van 1 tot en met 4 met elkaar vermenigvuldigt, krijg je 24,’ antwoordde de professor met zijn ogen dicht. ‘Wat is uw telefoonnummer?’
‘Dat is 576 1455.’
‘5761455? Schitterend. Dat is het totaal van alle priemgetallen tussen 1 en 100 miljoen.’ De professor knikte, diep onder de indruk.
Ook al had ik geen idee wat er zo schitterend was aan mijn telefoonnummer, de warmte waarmee hij sprak kwam wel over. Hij leek er niet opuit zijn kennis tentoon te spreiden. Hij klonk eerder terughoudend en oprecht. Het was een warmte die suggereerde dat als mijn telefoonnummer zo uitzonderlijk was, ik dat zelf misschien ook wel was.
Toen ik een tijdje voor hem werkte, kwam ik erachter dat het de gewoonte was van de professor om zijn toevlucht te nemen tot getallen in plaats van woorden wanneer hij in verwarring was. Het was zijn manier om zich met anderen te verstaan. Getallen waren de hand die hij uitstak ter begroeting, en tegelijkertijd waren ze een schild waarmee hij zichzelf beschermde. Een schild dat zo dik en zwaar was dat zijn lichaam niet meegaf als eraan geschud werd en dat niemand hem kon afnemen. Zolang hij zich daar maar achter kon verschansen, zag hij kans zijn territorium te bewaken.
Zolang ik voor hem werkte herhaalde dit gesprek over getallen zich elke ochtend. Voor de professor, die na tachtig minuten zijn herinneringen kwijt was, was ik elke dag opnieuw de nieuwe huishoudster die aan zijn deur verscheen. Daarom vertoonde hij elke dag de reserves en verlegenheid van een eerste ontmoeting. Er waren variaties. Behalve naar mijn schoenmaat en mijn telefoonnummer vroeg hij ook wel naar mijn postcode, naar het registratienummer van mijn fiets of naar het aantal lijnen in de karakters van mijn naam. Steevast ontdekte hij er een betekenis in. Niet dat hij daar moeite voor hoefde te doen. Het leek als vanzelfsprekend bij hem op te borrelen of een of ander getal een faculteit of een priemgetal was.
Ook nadat de professor mij de aard van een faculteit of een priemgetal had uitgelegd, genoot ik elke keer opnieuw van deze uitwisseling in de hal. Het was geruststellend dat mijn telefoonnummer nog een andere betekenis had behalve dat je het kon bellen. Door de pure klanken van die betekenis begon ik met een opgeruimd gevoel aan mijn werk.
De professor was vierenzestig en had ooit aan een universiteit wiskunde gedoceerd. Hij zag er iets ouder uit dan hij was. Niet alleen zag hij er ouder uit, hij wekte ook de indruk dat zijn voeding niet alle hoeken van zijn lichaam bereikte. Hij liep wat krom, waardoor hij nog kleiner leek dan de een meter zestig die hij was. In de plooien van zijn stakige nek zat vuil. Zijn grijze haar dat alle kanten op viel verborg half zijn boeddha-achtige oren. Zijn stem was zacht, zijn gebaren waren traag en alles wat hij deed duurde twee keer zo lang als je zou verwachten.
Maar als je door de sjofelheid heen keek, was zijn gezicht best aantrekkelijk. Hij had de trekken van iemand die ooit knap was geweest. Zijn kaaklijn was scherp en zijn gegroefde gezicht had iets innemends.
Of hij nu thuis was of — wat zelden voorkwam — uitging, hij droeg altijd een pak met een stropdas. Zijn garderobe omvatte drie pakken — een zomerpak, een winterpak, een pak voor de lente en de herfst — drie dassen, zes overhemden en één wollen overjas. Hij had niet eens een trui, of een vrijetijdsbroek. Een ideale garderobe vanuit het perspectief van een huishoudster.
Misschien wist hij niet dat er ook nog andere kleding bestond dan een pak. Het leek hem niet te interesseren hoe andere mensen gekleed waren en het al helemaal tijdverspilling te vinden zich om zijn eigen uiterlijk te bekommeren. Als hij ’s ochtends opstond en zijn kast opendeed, deed hij het pak aan waar geen plastic van de stomerij omheen zat en dat was dat. Alle drie de pakken waren donker van kleur en versleten. Ze pasten qua uitstraling naadloos bij de professor en leken haast een tweede huid van hem te zijn geworden.
Maar wat mij het meest opviel aan zijn kleding was dat er overal notities op gespeld zaten. Op zijn revers, op de manchetten, de zakken, de zoom van zijn jas, zijn broekriem, de knoopsgaten — ze zaten op elke denkbare plek. Door de spelden was de stof van zijn pak hier en daar vervormd. Sommige papiertjes waren afgescheurd, sommige krulden op, maar overal stond iets op. Dat was alleen leesbaar als je van dichtbij heel goed keek. Om het te kunnen lezen, moest je er met je neus bovenop zitten. Om te compenseren voor zijn geheugen van tachtig minuten maakte de professor aantekeningen van dingen die hij niet wilde vergeten. Om zijn notities niet te vergeten bevestigde hij ze op zijn pak. Een gepaste reactie op zijn voorkomen was vele malen moeilijker dan het beantwoorden van de vraag naar mijn schoenmaat.
‘Komt u binnen. Omdat ik aan het werk ben, kan ik u niet van dienst zijn, maar gaat u vooral uw gang.’
Met deze woorden liet de professor mij binnen en toen verdween hij in zijn studeerkamer. Als de professor bewoog, ruisten de notities.

[...]

Copyright © 2003 Yoko Ogawa
Oorspronkelijke titel Hakase no Aishita Sushiki
Oorspronkelijk uitgegeven bij Shinchoska Co., Japan
Copyright Nederlandse vertaling © 2010 Elbrich Fennema en uitgeverij De Vliegende Hollander, Amsterdam

Uitgeverij De Vliegende Hollander

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum