Leesfragment: De knapste man van Nederland

27 november 2015 , door Alexander van der Meer
| |

Woensdag 25 augustus wordt de debuutroman van Alexander van der Meer, De knapste man van Nederland bij Athenaeum Boekhandel gepresenteerd. Vandaag kunt u al enkele pagina's lezen en uw exemplaar reserveren.

Tobias Fiedler werd ooit de knapste man van Nederland genoemd, een gedoodverfde Nobelprijswinnaar. Nu zit hij in een crisis, professioneel en emotioneel. Zijn loopbaan gefnuikt, zijn relaties vastgelopen, zijn psychiater als enig klankbord. Met de dood van zijn dominante, joodse moeder wordt hij gedwongen zijn leven te heroverwegen. Moet hij zich schuldig voelen of juist bevrijd? Behelst haar erfenis meer dan geld? Wat is het duistere geheim uit het verleden waarover zij altijd zweeg? Tobias is een jood met een hekel aan joden. Een man die niet zonder vrouwen kan, maar ook niet met. Een rusteloze zoeker naar de Theorie van Alles. Zal hij zich met zijn idee over het einde van de tijd wetenschappelijk kunnen revancheren? Ligt de sleutel tot zijn identiteit in het hart van donker Afrika?

 

‘Er rijdt een ambulance door de straten van Amsterdam met zwaailicht en sirene, op weg naar iemand in levensgevaar. Ik zit achter het stuur. In mijn droom is hij tien keer zo groot: een heel ziekenhuis op wielen. Ik ben alleen en weet precies hoe alles werkt. Moeiteloos scheur ik plankgas richting centrum. Er is geen bocht die ik niet ken. Voorbijgangers kijken me na. Wat een held, denken ze. Als ik ooit zelf een hartaanval of beroerte krijg, hoop ik dat hij komt.’
‘Ik ben zo benieuwd wie u gaat redden.’
‘Dat weet ik niet… Het probleem is dat ik nooit aankom.’
‘Wat gebeurt er dan?’
‘De rit eindigt altijd midden in de stad, in de straat die uitkomt op de achterkant van het Paleis op de Dam. Die straat is helemaal leeg en het plenst van de regen. Zonder dat ik het in de gaten had, is het ook nog gaan vriezen. De wielen beginnen te slippen en ik verlies de macht over het stuur. De remmen weigeren, ik glij recht op het Paleis af. Ik hou mijn adem in voor de klap, maar voor die komt word ik wakker.’
‘Toch blijf ik me afvragen naar wie u op weg bent. Uw moeder misschien?’
‘Waarom zou ik? Die ligt al in het ziekenhuis.’
‘Vanwege het Paleis, de Koningin…’
‘Soms heb ik het gevoel dat ik onderweg ben naar mezelf.’
‘Aha. Wat zou u mankeren?’
‘Geen idee.’


1

Vandaag kan moeder niet begraven worden, want het is Koninginnedag. De doodgravers hebben vrij. Ze stierf vijf dagen geleden. Eerder begraven ging niet, want vlak voor Koninginnedag is het spitsuur op het kerkhof volgens de begrafenisondernemer. Dat ik hem pas een dag na het overlijden belde, had de zaak geen goed gedaan. Het eerste gaatje had hij pas twee dagen na Koninginnedag, overmorgen. Dat klonk gevat, maar zo was het vast niet bedoeld.
Hoezo spitsuur voor Koninginnedag? Krijgen mensen zelfmoordneigingen als die dag in aantocht is? Mij zou het niet verbazen. Moeder heeft in het verleden meer dan eens een eind aan haar leven proberen te maken, zij het met weinig overtuiging. Ze probeerde het steeds weer met pillen. Dat had weinig zin in haar geval, omdat ze dagelijks zoveel tranquillizers, antidepressiva en slaapmiddelen op doktersrecept naar binnen werkte, dat een doorsnee volwassene daar al in zou blijven. Doel van die zelfmoordpogingen was dan ook niet zozeer om te sterven, als wel om de wereld aan haar lijden te herinneren en mij in één moeite door te laten weten hoe weinig het uitmaakte dat ik bestond. Meer kinderen had ze niet.
Anderhalf jaar geleden diende de dood zichzelf aan. Ze kreeg een hartaanval. In plaats van toe te geven, gooide ze de deur voor zijn neus dicht. Dat hield ze lang vol, maar godzijdank heeft haar hart het nu eindelijk begeven. De linkerklep was tot op de draad versleten. Het scheelde weinig of ze hadden mij ernaast kunnen leggen.
Wie tot mijn verbazing geen vrij had vandaag was de deurwaarder, die vanochtend met zoveel vasthoudendheid stond aan te bellen, dat ik mijn bed wel uit moest.
Mijn appartement bevindt zich driehoog in de enige sociale nieuwbouwflat aan een pleintje in het historische centrum van Amsterdam. Linkse stadsbestuurders hebben in de tijd dat het nog kon voor dit blok beton een paar zeventiende-eeuwse huisjes plat laten gooien. Die waren toch maar te duur voor gewone mensen en niet eens milieuvriendelijk. Als niemand ze tegen had gehouden, was de hele binnenstad gesloopt voor woonkazernes. Toch mag ik niet klagen, al is het klein hier. Anders had ik naar een goedkopere buurt moeten verhuizen. Van het balkon kan ik net de gracht zien waar ik hiervoor woonde, op een etage waar je kon voetballen.
‘Wie is daar?’ vroeg ik door de intercom.
Er klonk al herrie op straat, maar dat was niets vergeleken met wat nog komen ging. Koninginnedag raast ieder jaar als een orkaan door de binnenstad. Op het hoogtepunt kun je over de hoofden lopen. Ik neem me altijd voor Amsterdam te ontvluchten zoals de meeste bewoners van het centrum, maar dat komt er nooit van.
‘Fiedler, doe open! Als ik terug moet komen, gaan je spullen op straat!’ riep de deurwaarder zonder inleiding. Het was de eerste keer dat hij me tutoyeerde.
Fiedler is moeders achternaam. Mijn ouders zijn wel getrouwd geweest, maar niet met elkaar. Bovendien was mijn vader onvindbaar bij mijn geboorte, en nog even daarna.
Wie aan de deur had meegeluisterd, zou moeilijk kunnen geloven dat ik nog niet lang geleden als hoogleraar theoretische natuurkunde en kosmologie aan een hoofdstedelijke universiteit verbonden was. Laat staan dat een serieuze krant mij ooit de knapste man van Nederland heeft genoemd, en mijn naam in verband bracht met een Nobelprijs.
De aanleg voor exacte vakken en mijn voornaam komen ook van moeders kant. Haar vader heette Tobias. Hij was hoogleraar experimentele natuurkunde in Leiden. Ik heb hem nooit gekend omdat de Duitsers in de oorlog de kachel met hem stookten. Wij zijn joods. De familie Fiedler werd uitgeroeid, inclusief aangetrouwd spul. Moeder en haar tweelingbroer Max overleefden als enigen. Ze zaten ondergedoken bij een familie in Brabant met een bedrijf in groenten uit potjes, dat na de oorlog heel groot werd. Vroeger liet ik mijn dankbaarheid wel blijken door zo’n potje naar binnen te werken, al heb ik de pest aan geconserveerde groenten. Zodra ik ging twijfelen of het overleven van moeder reden tot vreugde was, ben ik daarmee opgehouden.
Oom Max verwekte voor zover bekend alleen nageslacht bij een niet-joodse vrouw. Moeders overlijden maakt mij naar halachische beginselen de laatste joodse Fiedler, al heb ik me aan die beginselen verder nooit iets gelegen laten liggen. Mocht ik sterven zonder kinderen, waar het naar uit begint te zien, dan is het gedaan met de joodse Fiedlers in Nederland, ondanks de inspanningen van grootvader.
‘Kom op nou! Denk je dat ik de hele dag heb?’ klonk het uit de intercom. Ik had nog niet gereageerd. De deurwaarder kwam voor belastingschulden. Door nalatigheid had ik die met rente en boetes zo hoog op laten lopen, dat ik ze niet meer kon voldoen. Financieel is er nogal wat in het honderd gelopen sinds ik bij de universiteit weg ben. Zo investeerde ik fors in aandelen van het bedrijf van een oudere Amerikaanse kennis en collega. Hij had ooit de Nobelprijs gekregen omdat hij aannemelijk wist te maken dat alle elementen in het heelal gevormd zijn uit helium en waterstof, door kernfusie in sterren. In zijn vrije tijd ontwierp hij een geniaal onbemand vliegtuigje, dat op één batterij zowat de hele wereld rond kon vliegen. Het was in trek bij strijdkrachten en meteorologische instituten. Ik dacht dat het niet fout kon gaan, aandelen in combinatie met een Nobelprijs, en daar leek het aanvankelijk ook op: ze bleven stijgen. Tot hij een hersenbloeding kreeg. Voor ik het wist was mijn geld verdampt. Moeders dood brengt ook hier verlichting, want ze laat een aardig bedrag na. De toon die de deurwaarder aansloeg stond me zo tegen, dat ik geen zin had om dat meteen te melden.
‘Wie is er in vredesnaam aan het werk op Koninginnedag?’ vroeg ik, in plaats daarvan.
‘Ik kom het liefst als mensen er niet op bedacht zijn. Doe even open, dat praat makkelijker.’
‘Ik ben niet aangekleed.’ Laat hem maar over de herrie heen schreeuwen.
‘Heb je misschien liever dat ik terugkom met de sterke arm?’
‘Mijn moeder is overleden, u zou wat consideratie kunnen hebben.’
Het bleef even stil.
‘Deze smoes heb ik al een tijd niet gehoord. En wanneer zou moeder precies overleden zijn?’
‘Vijf dagen geleden. Overmorgen wordt ze begraven.’
‘Dat kan niet. Na een week pas? Mij hou je niet voor de gek. Daar zijn regels voor.’
‘We hebben dispensatie. Wat u meer zal interesseren, is dat ik van de erfenis mijn schulden kan voldoen.’
‘En wanneer gaat dat wonder plaatsvinden?’
‘Dat weet ik niet. Mijn moeder vond dat ik niet met geld om kon gaan, daarom beheert mijn neef de nalatenschap.’ Wat ging dat die man aan?
‘Eén maand nog, dan leg ik beslag.’
Hij nam geen afscheid, maar ik voelde de dreiging afnemen aan de andere kant van de intercom. Gelukkig was ik rustig gebleven. Ik kan behoorlijk opvliegend zijn, maar sinds de begrafenisondernemer me verweet dat ik te laat had gebeld om moeder binnen de wettelijke termijn te laten begraven, knaagt er vanbinnen een verlammend gevoel van onbehagen, alsof zij het weet.
‘Een dag eerder of later, wat maakt het uit? Ik heb geen haast en zij al helemaal niet,’ had ik nog gezegd, tegen beter weten in. Moeder zou het afschuwelijk hebben gevonden. Ze was panisch om zich niet aan regels te houden. Dat moet de onderduik zijn geweest. Rekeningen en belastingaanslagen voldeed ze per omgaande, in plaats van op het laatste moment of te laat, zoals ik.
‘Zo simpel is het niet,’ had de aanspreker uitgelegd. ‘Er bestaat een wet op de lijkbezorging. Een overledene dient binnen vijf dagen begraven of gecremeerd te worden, de dag van het overlijden niet meegerekend. Tenzij er vermoeden bestaat van een misdrijf, dan is uitstel toegestaan om de lijkschouwer tijd te gunnen. Na Koninginnedag zijn we formeel in overtreding, want van een misdrijf is voor zover ik begrijp geen sprake.’
Ik zweeg, want zonder dat echt van een misdrijf gesproken kon worden, was het niet uit te sluiten dat ik de dood een handje had geholpen door te rommelen met moeders medicijnen. Het ging me te lang duren. Dat neemt niet weg dat ze zonder mijn niet-aflatende zorg en aandacht zeker al veel eerder dood zou zijn geweest.
Een dag later belde hij weer. De Koningin had dispensatie verleend via haar burgemeester in Amsterdam. Hij bracht het alsof het een dubbeltje op zijn kant was geweest. Wat hadden we anders moeten doen, vroeg ik me af, haar met het grof vuil meegeven?
Op dit moment ligt ze nog in de kelders van het grootste ziekenhuis van Amsterdam: het Academisch Medisch Centrum aan de rand van de stad. Daar blies ze de laatste adem uit, onwetend van het feit dat hoge instanties betrokken zouden raken bij de planning van haar begrafenis. Die heisa zou haar goedgedaan hebben. Ze klaagde eeuwig over haar miserabele bestaan en het algemene gebrek aan belangstelling daarvoor. Wat ze kreeg was nooit genoeg en altijd zonder werkelijk begrip. Hoe vaak ik haar ook opzocht thuis en hoelang ik ook bleef, bij het afscheid zei ze steevast: ‘Ga je nu alweer? Wat jammer.’
Dat kan als een blijk van liefde worden opgevat, maar mij greep het naar de strot. Ze sprak de woorden uit op de verongelijkte toon van een vrouw die vindt dat je te snel vertrekt na je orgasme.
Moeders meest in het oog springende eigenschap was dat ze zich fundamenteel tekortgedaan voelde. Als een rooksignaal steeg dat boven haar uit en op de valreep bereikte het een dieptepunt. Zoende ik haar na een bezoek in het ziekenhuis op de ingevallen wangen, wat ik al niet graag deed, dan sloeg ze haar armen om mijn nek en klemde me vast met opmerkelijke kracht.
‘Blijf nou, we kunnen toch nog even gezellig koffiedrinken?’ fluisterde ze in mijn oor, de stem schor en wanhopig. Ze keek me aan met wijd opengesperde ogen, die door haar dikke brillenglazen tweemaal zo groot leken. Om mezelf te bevrijden moest ik zoveel kracht gebruiken dat ik haar half overeind uit bed meetrok, waarna ze als een herfstblad omlaag dwarrelde. Ze woog bijna niets meer.
‘Heus, ik kom zo snel mogelijk terug. Nu moet ik aan het werk. Ik heb een dringende afspraak,’ zei ik.
Dan sloeg haar houding om. Ze werd kwaad omdat ze haar zin niet kreeg, bovendien rook ze bloed.
‘Welk werk? Wat voor afspraak?’ vroeg ze smalend.
Ze had goed geroken. Dat werk en die afspraak waren er niet. Ik vluchtte zonder om te kijken de kamer uit, en in de regel kwam ik de volgende dag weer, of nog dezelfde avond. Toch klaagde ze tegen wie het maar horen wilde dat ik geen tijd voor haar had, dat ze haar ellendige leven niet meer zag zitten en dat ze op ging houden medicijnen voor haar hart te nemen, want de dokter had gezegd dat ze dan snel dood zou zijn.
Zodra ik de gang opliep voelde ik opluchting, maar die hield nooit langer stand dan tot het eind van de afdeling cardiologie, om bij de liften al plaats te maken voor een verstikkend schuldgevoel. In de lift stond ik naar lucht te happen, waar in een ziekenhuis gelukkig niemand acht op slaat. Ik liep snel en in elkaar gedoken maar niet te opvallend door de monumentale hal naar de uitgang, als een moordenaar die de plaats delict ontvlucht. Soms speelde het verdonkeremanen van moeders medicijnen een rol. Dat deed ik als een verpleegster ze kwam aanreiken terwijl ik naast haar bed zat.
‘Zet u maar neer, ik geef ze wel,’ zei ik dan. Moeder verstond dat niet, die hoorde bijna niets meer en was tot haar dood te ijdel voor een apparaatje. Ik moest wel snel de aandacht afleiden, want dat slechte gehoor maakte haar nog achterdochtiger dan ze al was.
‘Het is fris buiten, ik moest mijn sjaal omdoen,’ riep ik. Met opzet raakte ik een gevoelige snaar. Zodra iemand iets over het weer zei, stak ze van wal over het grillige en onvoorspelbare karakter daarvan, alsof dat de kern van het bestaan raakte. Thuis keek ze ieder uur naar het weerbericht of er nieuwe informatie was. Ik kijk nooit. Toegesproken worden of ik achterlijk ben vind ik al niet prettig, en wat voor weer het gaat worden interesseert me weinig. Moeder wilde er juist niets van missen. Vroeger greep ze ieder zonnestraaltje aan om plat achterover op het balkon te gaan liggen, of in de tuin toen ze die nog had. Haar huid was met veertig al gelooid. Nu ze niet meer buiten kwam, kon ze eindeloos herinneringen ophalen aan weersomstandigheden uit het verleden.
‘Ik geloof dat het 1986 was, dat ik rond deze tijd van het jaar rustig in bikini in de tuin zat, zo warm was het. Maar in 1994…’
Dat wist ze nog, terwijl ze geen idee had wie er een uur geleden op bezoek was geweest, laat staan of ze haar medicijnen op die dag wel of niet had geslikt. Terwijl ze doorbabbelde liet ik de pillen uit het metalen bekertje in mijn jaszak glijden. Buiten gooide ik ze weg. Niet zomaar op straat of in een prullenbak, maar rijdend uit de auto, nadat ik ze eerst in kleine stukjes had gebroken.
Er is één lichtpuntje. Moeder hoeft niet meer mee te luisteren naar het concert van hysterische feestvreugde en winstbejag dat vandaag schaamteloos door de straten van de stad schalt en ongevraagd de huizen binnendringt. Ze had net als ik de pest aan Koninginnedag. Hoe konden mensen plezier maken terwijl zij leed?
Beneden op straat is de hel losgebroken. Half Nederland is vanochtend uit zijn plaggenhut gekropen om de boel eindelijk eens op stelten te kunnen zetten zonder dat de buren er schande van zullen spreken. Muziek schettert van verschillende podia tegen elkaar in, begeleid door gekrijs van hersendood volk. Handelaren proberen elkaar te overschreeuwen om op straat uitgestalde rommel aan te prijzen. Door alles heen klinkt als kosmische achtergrondruis het onophoudelijke gekraak van plastic bekertjes onder duizenden voeten.
Gisteren al schoten bierpompen en mobiele urinoirs als onkruid uit de grond. Waar ze al die pisbakken ieder jaar vandaan halen is me een raadsel. Koninginnedag lijkt wel een feest voor incontinenten. ’s Avonds hadden de straten zich al gevuld met provincialen en studenten. Ze lalden en schreeuwden of hun leven ervan afhing, terwijl Koninginnedag nog moest beginnen.
In de kleine uurtjes was ik wakker geworden omdat op straat een tekst gescandeerd werd. Met mijn slaperige hoofd dacht ik dat in de woorden een boodschap aan mij besloten lag. Van moeder. Ik kwam overeind om te luisteren:
‘Eén, twee, drie, vier, dikke lul drie bier.
Eén, twee, drie, vier, dan heb ik pas plezier.’
Ad infinitum. Ik schoof de balkondeur open om te kijken. Net op tijd dacht ik aan het spinnenweb dat daar al een paar dagen voor de deuropening hing. Om die reden was ik van het balkon gebleven. Alsof de spin over een bijzondere intelligentie beschikt, zit het web niet aan de deur vast. Die kan open en dicht zonder schade. Onverstoorbaar zit ze middenin, zacht deinend op de wind als die er is, zo groot als een luciferdoosje, een wit kruis op haar rug. Het moet een vrouwtje zijn, mannetjes zijn kleiner. April is trouwens niet de tijd van het jaar voor zo’n grote spin en zo’n groot web. Kruisspinnen overleven door de vorst de winter niet, behalve als eitje. Deze moet binnen hebben geschuild. De eerste nacht had ik een lamp laten branden achter het raam om vliegen in het web te lokken, maar bij nader inzien vond ik dat overdreven.
Uit het raam bij de keuken zag ik hoe een ongecontroleerd bewegende menigte het plein vulde, en de straten die erop uitkomen. Wat ik nodig had, was een slaappil. In een kast op de gang liggen de medicijnen die ik door de jaren heen van moeder heb meegekregen. Met wat zij in huis had kon je een dorpsapotheek beginnen. Zodra ik me niet goed voelde of slecht sliep, had zij er wel iets voor. Dat liep ooit bijna fout met een antidepressivum dat ze had meegegeven. Volgens de bijsluiter zou het pas na veertien dagen gaan werken. Ik dacht die termijn te kunnen bekorten door er meteen een paar te nemen. Voor ik het wist, viel ik op de bank in slaap, om pas twee dagen later wakker te worden.

De ramen van dubbel glas hou ik dicht ondanks het mooie weer, maar het tumult van Koninginnedag gaat er toch doorheen, om zich als ordinair behang op de muren van de huiskamer vast te zetten. Het rukt op door de gang en dringt gedempt maar hinderlijk de badkamer aan de achterkant van het huis binnen, waar ik al meer dan een uur onder de douche sta. Een uur douchen is voor mij eerder regel dan uitzondering. Soms sta ik er drie uur onder. De psychiater vroeg zich hardop af of er verband bestaat met hoe mijn familie van moederskant aan zijn eind is gekomen: onder een douche in Auschwitz. Het klinkt scherpzinnig maar lijkt me vergezocht. Treinen mijd ik inderdaad als het even kan, maar dat bewijst nog niet zijn gelijk. Ik vertik het om me de wet te laten voorschrijven door groene malloten, dat is alles. Die willen iedereen maar boven op elkaar in bussen en treinen proppen, waar je eindeloos in moet zitten zonder dat je precies komt waar je moet zijn. Dat gaat onder het mom van schone lucht, maar in werkelijkheid zijn ze gewoon te depressief om alleen in een auto te gaan zitten zonder zelfmoordneigingen te krijgen.
Mijn psychiater is joods en ver in de tachtig, maar staat nog hoog aangeschreven. Hij overleefde het concentratiekamp en behandelt alleen joodse patiënten. Ik heb iemand in de praktijk met net zo’n achtergrond als u, vertelde hij ooit, die brengt bijna de hele dag onder de douche door.
‘Net zo’n achtergrond als ik? Dat bestaat niet,’ zei ik nog. Mijn achtergrond is weinig benijdenswaardig, maar ieder mens wil uniek zijn.
Volgens de bedrijfsarts van de universiteit gaf mijn jeugd de doorslag bij het schipbreuk lijden van mijn wetenschappelijke carrière, die met zoveel vuurwerk was begonnen. Professor Fiedler wordt links en rechts ingehaald door een uiterst problematisch verleden, schreef ze in een rapport dat ik na enig aandringen te lezen kreeg. In mijn jeugd groeiden geen bloempjes en zongen zeker geen vogeltjes, maar ik had overdreven omdat ze er zo leuk uitzag. Uit ervaring wist ik dat vrouwen soms te verleiden zijn met verhalen over een ongelukkige jeugd.
Voordat de universiteit een oplossing bedacht voor de problemen rond mijn functioneren, nam ik zelf ontslag. Daarmee verspeelde ik ieder recht op een uitkering, maar ik ga liever dood dan mijn hand op te moeten houden. Na een goed artikel in een vakblad kan ik zo overal weer aan de slag. Ideeën had ik al, en met moeder dood trekken de nevels in mijn hoofd langzaam maar zeker op.

[...]

© Alexander van der Meer

Uitgeverij Augustus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum