Leesfragment: De kunst van verliezen

27 november 2015 , door David Trueba
| |

Deze week verschijnt David Trueba, De kunst van verliezen, vertaald uit het Spaans door Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam. Vanavond kunt u al de eerste pagina's lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

De kunst van verliezen is een krachtige, meeslepende en ontroerende vertelling over pijnlijke gebeurtenissen die het leven voor altijd veranderen en hoe daarmee om te gaan. De roman is rijk aan nuances en geschreven met een intelligente blik waarin humor en emotie samenkomen. De kunst van verliezen laat zien dat het leven een enorm avontuur is.

David Trueba (1969) werd geboren in Madrid en is behalve romancier ook scenarioschrijver. Met De kunst van verliezen won hij in Spanje de Premio de la Crítica, een van de belangrijkste literaire prijzen van Spanje. Eerdere winnaars waren onder anderen Javier Marías, Mario Vargas Llosa en Camilo José Cela.

Eerste deel
'Is dit verlangen?'

1

Het verlangen is als de wind. Het komt schijnbaar uit het niets. Bij uitstaande zeilen worden we met een duizelingwekkende vaart meegesleurd. Als deuren en ramen gesloten zijn, zal hij er net zo lang aan rammelen tot hij een spleetje of kiertje gevonden heeft om erdoorheen te glippen. Als ons verlangen ergens naar uitgaat, is er geen ontkomen meer aan. Maar er is ook een ander soort verlangen, abstract, verwarrend, dat ons omhult als een geestestoestand. Het geeft aan dat we er klaar voor zijn en alleen maar hoeven te wachten, met gehesen zeilen, tot de wind erin blaast. Dat is het verlangen om te verlangen.
Sylvia zit achter in de klas, in de rij bij het raam, op de voorlaatste plaats. Alleen Regenboog zit achter haar, een Colombiaan in het trainingspak van de Spaanse selectie die de godganselijke dag zit te slapen in de klas. Sylvia wordt zondag zestien. Ze lijkt ouder, haar enigszins afstandelijke houding tilt haar boven haar klasgenoten uit. Die klasgenoten die ze nu bestudeert.
Er is er geen een bij. Geen een van die monden wil ik op de mijne voelen. Geen een van die tongen wil ik verstrengeld hebben met de mijne. Niemand heeft tanden die in mijn onderlip mogen bijten, in mijn oorlelletje, in een hoekje van mijn hals, of in de plooi van mijn buik. Er is er geen een bij.
Geen een.
Sylvia zit in de klas met allemaal half volgroeide lijven, onregelmatige gezichten en armen en benen in verkeerde verhoudingen, alsof ze met horten en stoten zijn gegroeid. Carlos Valencia heeft aantrekkelijke gebruinde onderarmen, die krachtig uit zijn T-shirt steken, maar hij is een opschepper zonder een greintje charme. De Slome Sepúlveda heeft de gevoelige handen van een tekenaar, maar het is een sul waar geen pit in zit. Raúl Zapata is een papzak en heeft beslist niet het lijf dat Sylvia boven op zich zou willen krijgen als de vloedgolf van vlees waar ze naar verlangt. Nando Solares heeft een puistenkop die soms veel op grof stucwerk lijkt. Manu Recio, Óscar Panero en Nico Verón zijn best aardig, maar het zijn nog kinderen; de eerste heeft een pluizig snorretje, de tweede hakkelt voortdurend en de derde steekt net op dit moment twee potloden in zijn neus en draait zich om om te zien of iedereen hem wel leuk vindt.
De Tank Palazón gaat met Sonia, hij slaat zijn arm om haar middel en geeft haar met zijn worstvingers tikjes op haar achterste met een bezitterig gebaar waar Sylvia van gruwt. De Knokige Ocaña is ondervoed, hij is totaal uit zijn krachten gegroeid en slist; Samuel Torán denkt alleen aan voetbal en je zou jezelf al in een bal moeten veranderen om zijn onnozele bruine blik te vangen. Curro Santiso is nu al, op zijn vijftiende, een geboren hypotheekbewaarder, een kleurloze boekhouder of belastingconsulent in de dop zonder enige andere interesse. De Gekke Sanz telt niet mee vanwege zijn meer dan subtiele homoseksuele uitstraling. Hij heeft er zijn handen aan vol om zich staande te houden tegenover de wrede spot van de macho’s die zijn nichterigheid overdrijven en hem pesten of een optater geven telkens als ze hem tegenkomen. Quelo Zuazo woont op een nog niet onderzochte planeet en de Nitwit Ochoa gaat met dezelfde passie naar school als een kernfysicus naar de basisschool. Pedro Suanzes en Edu Velázquez zijn twee gothics, eenlingen, lang haar, in het zwart gekleed en als zelfverkozen buitenstaanders gerespecteerd, verdacht van het beramen van de pijnlijke moord op de rest van de klas. De Schichtige Sousa is een Ecuadoraan met stekeltjeshaar en een hagedissenlach. En dan is er Regenboog, die zijn naam dankt aan zijn kleurrijke kleding, bijna een regenboog.
De weerkaatsing van het zonlicht dat door het raam naar binnen schijnt en op de tafeltjes valt, is soms interessanter dan de les. Sylvia zou het liefst met een polsstok over haar leeftijd heen willen springen. Tien jaar ouder zijn. Nu meteen. Ongevraagd opstaan, tussen de rijen tafeltjes naar voren lopen, op de deur af gaan en haar huidige leven achter zich laten. Maar ondanks alles is Sylvia nog niet zover van de wereld als Regenboog, die soms met het dopje van zijn balpen met de dikke bos krullen van Sylvia zit te spelen, alsof hij ervan droomt een toekan of een andere exotische vogel in haar zwarte haardos te vinden. Sylvia is niet blij met haar haar. Ze had liever de lange blonde lokken gehad van Nadia, de geadopteerde Wit-Russin, of het steile haar van Alba, twee van haar beste vriendinnen in de klas. Het prettige van haar is wel dat je er niet alsmaar naar hoeft te kijken. Het is niet zoals met borsten. Twee jaar geleden smeekte Sylvia nog in stilte dat ze groter zouden worden. Nu heeft ze het idee dat haar wensen zijn vervuld, meer dan vervuld. Alsof de gebeden om regen overstromingen hebben gebracht. Ze durft geen stap te verzetten zonder haar beha maat honderd. Dat kledingstuk dat ze altijd als een orthopedisch hulpstuk heeft beschouwd. Op straat moet ze de geile blikken verdragen die erop geworpen worden, bij gymnastiek hoort ze Santiso en Ochoa grappen maken over het oncontroleerbare wiebelen, tijdens willekeurig welk gesprek is er een moment waarop haar tieten de aandacht opeisen, in ruimte en tijd. Als ze een T-shirt of een trui uitkiest, houdt ze altijd rekening met haar borsten, want als er te veel nadruk op valt, doet de rest er niet meer toe. Soms drijft ze er zelf de spot mee, want het is niet leuk om overal net na je tieten aan te komen. Haar vriendin Mai schampert wel eens dat ze nachthemden in plaats van T-shirts koopt. Wil je soms net zo plat zijn als ik, zodat het niet uitmaakt of je me van voren of van achteren ziet? Maar Sylvia denkt dat ze alleen maar doet alsof ze jaloers is om haar van haar complex af te helpen.
Aan datzelfde tafeltje hebben voor haar anderen gezeten, omgeven door diezelfde zuurzoete lucht, door dat verlangen om te verlangen. Het Instituto Félix Paravicino is in 1932 opgericht, in 1967 uitgebreid met een onpersoonlijk betonnen bouwsel dat een belediging is voor de schoonheid van het oorspronkelijke bakstenen gebouw, en in 1985 werd het van meisjesschool een gemengde school. In het oude gebouw zijn brede trappen met mooi uitgewerkte gevlochten patronen op de treden en een houten balustrade met een leuning om je aan vast te houden waar duizenden jonge handen dagelijks strelend overheen glijden. In het nieuwe gebouw zijn de trappen smal en van wc-plavuizen, met leuningen van goedkoop, glimmend gebeitst vurenhout. Het oude gebouw heeft grote, in tweeën gedeelde ramen met houten raamlijsten en een ijzeren sluiting die aangenaam knarst bij het opendraaien. In het nieuwe gebouw zitten aluminium ramen met handvatten die piepen in het gebruik. De gangen in het oude gebouw zijn breed en licht met modernistische tegels. Het nieuwe gebouw heeft smalle, donkere gangen met kleine deuren van kromgetrokken hout. Als je van het ene gebouw naar het andere gaat, krijg je een esthetische klap in je gezicht en als je er een definitief oordeel over zou moeten vellen, zou dat vernietigend uitpakken voor de vooruitgang.
Op vrijdag vindt ze al die lessen achter elkaar het ergst om door te komen. Het eerste uur doña Pilar, van geschiedenis, bijgenaamd ‘Ik was erbij’, want hoe lang de gebeurtenis waar ze het over heeft ook geleden is, ze lijkt oud genoeg om het zelf te hebben meegemaakt. Er wordt gezegd dat het haar is gelukt haar overlijdensakte te vervalsen om te kunnen doen alsof ze nog leeft. Van het familiegraf heeft ze nu een ultimatum gekregen: ze houden haar plaats nog uiterlijk een paar maanden vast. Dionisio, van Engels, ziet er nog blijer uit dan zijn leerlingen als de les afgelopen is, ook al lijkt er niets spannenders op hem te wachten dan de sportkrant of misschien een date op internet van het soort waar meiden op afkomen die het doen met een paard. Carmen, van taal, heeft een zenuwtrek in haar kaak en ze heeft zich als limiet gesteld om niet langer dan tien minuten te praten. De rest van de les besteedt ze aan oefeningen in syntaxis. Tijdens de les gaat haar hand voortdurend naar haar kaak, alsof die er elk moment af kan vallen, en hoewel ze een voortdurend lijden uitstraalt, beweren de leerlingen dat het allemaal komt door de wilde orale seks waaraan ze zich overgeeft. Don Emilio, van natuurkunde, loopt onvermoeibaar door het gangetje tussen de tafeltjes, alsof hij een olympisch record wil breken. Zijn leerlingen stellen zich voor hoe hij trots thuiskomt, schat, vandaag zeven kilometer in vier lessen. Octavio, van wiskunde, heeft een dikke snor en een verlamming van zijn nekspieren, stijfjes en wankel maakt hij slagzij naar rechts, alsof er een straffe wind van de andere kant komt. Hij is de enige die hen soms het plezier doet om tijdens de les over de echte wereld te praten, over een tv-programma of een of ander opmerkelijk bericht, of die hen helpt uit te rekenen wat een prijsverhoging betekent voor iets wat jongeren interesseert. Ieder kansje om even aan de les te ontsnappen wordt met beide handen aangegrepen. Het vorig jaar hadden ze bij de Gloeilamp een krant op zijn lessenaar gelegd om daarmee commentaar uit te lokken en zo het uur door te komen. Voor Sylvia zien de leraren er allemaal uit alsof ze even hun echte bestaan hebben onderbroken om leraar te zijn. Als ze hen op straat tegenkomt, zijn ze onherkenbaar, net als artsen buiten de spreekkamer. Zoiets als wat haar moeder eens vertelde toen ze in de schouwburg werd gegroet door iemand die een rij voor haar zat. Pas bij de derde akte realiseerde ze zich dat het de tandarts was.
Voor Sylvia zijn haar klasgenoten overigens van hetzelfde laken een pak. Haar klas is een slaapverwekkend zootje. In de pauzes klitten ze haastig bij elkaar alsof ze bang zijn een seconde alleen te zijn. In de kantine of op het schoolplein verdringen ze zich rond een tijdschrift of het scherm van een mobieltje en sturen elkaar onder veel gegiechel sms’jes. En dan zijn er de sportievelingen, voor wie de lessen een ondraaglijke tijd van stilzitten betekenen voor ze weer door kunnen gaan met hun eeuwige spelletje. Op het schoolplein worden zes voetbalwedstrijden tegelijk gespeeld, een ervan in miniversie met een tennisballetje, dus ongeschikt voor bijzienden. Sylvia en haar vriendinnen moeten constant op hun hoede zijn, want er is altijd wel iemand die doelschoppen neemt tegen hun achterste of hun buik en dan moeten ze net doen of ze niks voelen, terwijl de anderen er grapjes over maken. Wie daar niet rondlopen, zijn degenen die geen aansluiting bij een groter groepje hebben gevonden en die als kameleons door de gebouwen ronddwalen om hun eenzaamheid te verhullen. En dan heb je nog de leerlingen die hun studie serieus nemen en materiaal uitwisselen in de bibliotheek en die in de pauzes vaak niet eens naar buiten gaan.
Soms, als een leraar klaar is met zijn uitleg en vraagt of iemand iets niet heeft begrepen, heeft Sylvia de neiging om haar vinger op te steken en te zeggen ja, zou u het nog eens vanaf het begin willen uitleggen, maar dan vanaf het allereerste begin, vanaf het moment dat we geboren zijn, want ik heb er nog steeds niets van begrepen in al die bijna zestien jaar dat ik leef.
De zomer is voorbij. Een paar weken geleden, de eerste zaterdag van het nieuwe schooljaar, is Sylvia uit geweest met haar vriendin Mai. Ze heeft een jongen leren kennen en ze zijn dronken geworden van het bier. Ze was pas drie maanden daarvoor met alcohol begonnen. Zwetend hebben ze samen gedanst in de stampvolle ruimte en Sylvia is geëindigd met haar rug tegen de muur van een toilet, haar blik strak gericht op een gebroken kaneelkleurige tegel, zijn speeksel vlakbij, zijn adem, zijn zenuwachtige hand die eerst strandde bij de sluiting van haar beha en zich daarna een weg naar beneden baande naar haar slipje. Het toilet was smerig, de jongen heette Pablo en door de oorverdovende muziek was het onmogelijk om het vochtige gefluister in haar oor te verstaan. Ze kon zich met moeite losmaken en tussen de pisplassen van het toilet door naar buiten rennen, de frisse lucht in. Toen ze opkeek, zag ze hem vanaf de stoep aan de overkant onbeweeglijk naar haar staan kijken.
Hij was het ook niet. Hij evenmin.
Gelukkig kon ze met Mai mee naar huis en lukte het haar om de sporen van rook, bier en verwarrend verlangen uit te wissen. Raak er niet door geobsedeerd. Maagdelijkheid verlies je met je verstand, zei Mai. Met je verstand en met aftrekken, schat. Jij bent geen maagd, Syl, je hebt het alleen nog nooit met een man gedaan.
Mai woonde zes straten bij Sylvia vandaan, maar ze hadden elkaar pas op de middelbare school leren kennen. Ze was een jaar ouder, maar ze zaten in dezelfde hoek van de kantine, een soort bolwerk waar Mai met haar vlijmscherpe tong bepaalde wie erbij mocht zitten of niet. Er waren er maar weinig die de wereld waar zij van hield met haar mochten delen. Sylvia’s smaak was gevormd door de strakke normen van Mai. Dankzij haar had ze voor het eerst een kort rokje aangetrokken, zwarte kousen, laarzen met dikke zolen en had ze strapless T-shirts, hoewel ze die nog niet had durven aantrekken uit gêne voor haar aanstootgevende boezem. En ze hadden op een rommelmarkt samen een zilveren ring gekocht die Mai bij Sylvia om haar duim had gedaan. Op haar aanraden ging ze haar naam met een ‘y’ schrijven en naar fatsoenlijke muziek luisteren. Voor Mai bestond er fatsoenlijke muziek en de rest. Mai had een verzilverde oorbel door haar neus, ze plaste staand en rookte vanaf haar dertiende.
De afgelopen zomer was Mai een verhouding begonnen met een jongen die ze had leren kennen in Ierland, waar ze een cursus Engels had gedaan. De hele maand juli had ze er, volgens haar laconieke brieven aan Sylvia, op los geneukt. ‘Syl, ik ben een ander mens. Ja, ik ben een ander mens!’, schreef ze op een dag. Toen de vriendinnen elkaar op het vliegveld weer zagen, voelde Sylvia dat Mai was veranderd. De puistjes op haar kin waren verdwenen, ze had rode lokken in haar zwarte haar en het was zo geknipt dat er een lok over een oog viel, mijn lelijke oog. Om haar linkerenkel had ze een slingerplant met blaadjes in de vorm van scheermesjes laten tatoeëren en ze douchte nu bijna iedere dag. De mond van Mai leek Sylvia vleziger geworden, haar lippen sensueler. Maar de absolute verandering had zich voltrokken in haar lach. Ze lachte nu niet meer met de wat gemaakte minachting waarmee ze dat vroeger altijd deed. Nee. Ze schaterlachte diep van binnenuit, een echte vrije lach, die voor Sylvia rook naar seks en bevrediging.
Het is alsof mijn kut nu pas helemaal bij mijn lichaam is gaan horen en niet meer zoals vroeger lijkt op iets in onderhuur rechts beneden. Toen vertelde ze haar over Mateo. Hij komt uit León, dus veel Engels heb ik niet gesproken.
Sylvia hoorde Mai over haar relatie praten en voelde iets vreemds. Maar ze herkende het nog niet als het verlangen dat in haar oor fluistert.
In haar zwijnenstal, zoals Mai haar kamer thuis noemde, barstensvol cd’s en kleren van de rommelmarkt, was geen plaats voor romantiek. Dus nu stapte ze elke vrijdag in de bus om het weekend bij haar vriend door te brengen in een groot oud huis in Bierzo. Je wordt nog eens een dorpsvrouwtje met appelwangetjes, zei Sylvia, en het grapje verbloemde de angst om haar maatje te verliezen.
In de kantine kwam Dani aan hun tafeltje zitten. Hij zat bij Mai in de klas en ze waren spontaan bevriend geraakt. Toen Mai een keer eindeloos een Engels liedje zat te neuriën, had Dani haar op de schouder getikt en een gebruikt blaadje papier gegeven. In de kantlijn had hij de tekst van het liedje geschreven. Tot dan toe had ze nooit meer dan een paar éénlettergrepige woordjes gewisseld met die jongen met zijn bril met fijne zilveren randjes en zijn schichtige blik. Het liedje was van een groep uit Denver onder leiding van een obscuur type dat omringd door zijn bandleden concerten gaf, maar vanuit een oorstoel. Het heette ‘Let’s Pretend the World Is Made for Us Only’ en juist bij die voor anderen verboden wereld waarin Mai zei te leven, sloot Dani zich aan.
Die vrijdag spijbelt Mai de laatste twee uur om de Alsa-bus te halen die om halfvier naar León vertrekt. Sylvia ziet haar de school uit gaan met haar koptelefoon onder het haar, haar mannelijke manier van lopen en de zwarte laarzen die passen bij de overdreven oogschaduw.
Na schooltijd loopt ze toevallig Dani tegen het lijf. Eerlijk gezegd heeft ze hem opgewacht om hem toevallig tegen te komen, na rusteloos rondjes voor het prikbord bij de ingang te hebben gelopen. Satúr, de conciërge, leest een voetbalkrant en knikt naar iedere leraar die de deur uit gaat. Leerlingen krijgen alleen maar een minachtende grom. Achter in de hal hangt een enorm portret van de monnik naar wie de school is genoemd. Het is een reproductie van een schilderij van El Greco waarop in gestileerde letters een spreuk staat gegraveerd: ‘Wees nooit zo hoogmoedig om te denken dat je het iedereen naar de zin kunt maken, noch zo nederig om te wijken voor het ongenoegen van een enkeling’. Honderdduizend keer laten de leerlingen hun ogen over die zin glijden zonder de betekenis ervan tot zich door te laten dringen of er zelfs maar aandacht aan te schenken.
Sylvia doet alsof ze Dani toevallig tegenkomt en hij kijkt op uit het gratis blad dat hij leest, een van die bijbels die zo populair zijn bij de jeugd.
Hé Dani, ik vier zondag thuis mijn verjaardag. O ja? Gefeliciteerd. Ik geef een feestje. Mai komt. En nog een paar mensen. Kom je ook? Dani aarzelt even voor hij antwoordt. Zondag? Ja, ’s middags, niet al te laat, zo tegen halfvijf, vijf uur. O, nou, ik weet niet zeker of ik dan kan.’
Ze lopen op straat. Een dubbele rij auto’s en een hoop getoeter van claxons. Vrijdags staat er altijd een file bij de afslag naar het noorden. Het kruispunt van de twee avenida’s wordt gedomineerd door een Corte Inglés, triomfantelijk als een moderne kathedraal. Een blonde Amerikaanse filmster met een neus die te mooi is om waar te zijn nodigt uit om te genieten van het najaar. Dani’s spijkerbroek zit laag om zijn middel, de rafelranden hangen op zijn hielen. Sylvia is ervan overtuigd dat haar lippen te dun zijn en likt erlangs om ze voller te laten lijken op een manier die ze wel tweeduizend keer voor de spiegel heeft geoefend, haar mond ietsje open.
Heb je chips, cola, chocoladecroissantjes? vraagt hij. Ja, natuurlijk, en een clown die ballonnetjes opblaast in de vorm van een pik. Sylvia verschuift haar rugzak een beetje over haar schouder. Kan ik op je rekenen? Dani knikt van ja. Zestien jaar, hè? zegt hij dan. Ja, oud hè?
Sylvia’s haar danst over haar schouders bij het lopen. Ze heeft het los hangen en als ze van de stoeprand stapt, wipt het een beetje op en valt weer naar beneden. Dani gaat naar de metro. Als ze uit elkaar gaan, staat ze op het punt om het hem te zeggen. Er is helemaal geen feest. Het is gewoon een stom trucje om een afspraak met hem alleen te forceren. Maar ze laat het bij een ciao, net als hij.
Sylvia gaat naar huis. Er waait een licht briesje in haar rug dat een krul naar haar wang blaast. Zoals altijd als ze zenuwachtig is, stopt Sylvia de haarlok in haar mond en loopt daarop kauwend langzaam verder.

[...]

© 2008 David Trueba
© 2010 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam, Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam
Oorspronkelijke titel Saber perder
Oorspronkelijke uitgever Anagrama
Foto © Carles Mercader

Uitgeverij Ambo|Anthos

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum