Leesfragment: De maagd Marino

27 november 2015 , door Yves Petry

2 september verschijnt de nieuwe roman van Yves Petry, De maagd Marino. Esther Wils interviewde hem er al over, vanavond kunt u al enkele pagina's lezen. En de trailer bekijken. Én uw exemplaar reserveren.

Een man ketent een andere man vast aan de muur van zijn huiskamer, amputeert zijn penis, snijdt hem vervolgens de keel door en bewaart delen van het lijk in de diepvriezer om er in de weken die volgen van te eten. Wat dit waar gebeurde voorval pas echt intrigerend maakt, is dat het slachtoffer zijn behandeling geheel vrijwillig heeft ondergaan. De maagd Marino is geen reconstructie van de feiten, maar een reactie erop. In zijn nieuwe roman maakt Yves Petry het bizarre aannemelijk en het gruwelijke verteerbaar. Met alle literaire verbeelding en middelen waarover hij beschikt, laat hij het slachtoffer postuum aan het woord en zet hij deze duistere folie à deux in een verrassend romantisch licht.

 

 

Even later stopten we zelfs, in een bocht van de weg, voor een huis, aanzienlijk kleiner dan zijn buurhuizen, dat langs alle zijden werd bestormd door woest golvende klimop. Het voegwerk, voor zover zichtbaar, was diep uitgesleten; de pistachegroene verf die ooit de muren had bedekt, was grotendeels afgebladderd. Een verticale barst leek de schoorsteen bijna in tweeën te splijten. Rond dit charmante bouwsel lag een al jarenlang aan zichzelf overgelaten wildgroei van bomen en struiken.
‘Hier is het,’ zei de man.
‘Mooi,’ zei ik.
We stapten uit, liepen door de poort van een roestig hek en volgden een paadje, hij voorop, dat ons door de warrige begroeiing om het huis heen via een gazonnetje naar een smal terras aan de achterzijde leidde. Vele van de kleine keramische tegels zaten los of waren gebroken.
Hij bood me een houten, krakkemikkig stoeltje aan dat daar stond en daar al jarenlang in weer en wind leek te hebben gestaan, en ging naar binnen om de doos te zoeken waarvoor ik gekomen was. Ik hoorde deze grote, hoekige man een trap op stampen, en het leek een eeuwigheid te duren voor hij weer verscheen.
Waarom, zo zou de later nog vaak gestelde vraag luiden, waarom had ik uitgerekend Marino uitgekozen als de uitvoerder van mijn laatste wil? En waarom, trouwens, had ik er gewoon niet zelf een eind aan kunnen maken? Waarom moest ik daar zo nodig een ander bij betrekken?
Wat daarover ook allemaal gezegd is en wat niet, ik wil hier uitdrukkelijk stellen dat het aanvankelijk nog eerder Marino’s huis dan Marino zelf was dat me deed geloven mijn bestemming te hebben bereikt. Als hij me naar een locatie had gebracht van dezelfde kleurloosheid als zijn wagen of zijn kleren, was er niet veel gebeurd. Dan zou ik na die stupide doos in ontvangst te hebben genomen, meteen vertrokken zijn, vanbinnen onaangenaam leeg als een kind dat eigenlijk helemaal niet blij was met het speeltuig waar het zo lang om had gezeurd. Maar nu was er die grote rode beuk achteraan in de tuin, waarvan de blaadjes in de alsmaar verzadigder tinten van de avond stuk voor stuk opflakkerden als lekkende vlammetjes. Er was het machinale geraas van de ringweg in de verte, dat door de klimop werd beantwoord of tegengesproken met zacht geruis. Het zal ook wel gelegen hebben aan de funeraire stemming waarin de autorit me had gebracht, dat het leek of het rood van een bed papavers op het punt stond me in te wijden in de ultieme betekenis van zijn zinderende felheid, maar alleen op voorwaarde dat ik bereid was onmiddellijk daarna te sterven - en anders niet. De bakstenen achtermuur van het huis, waarlangs een oranje gloed omhoogkroop, oefende een zuigkracht op me uit, en wel in die mate dat ik me al met gespreide armen naar dit warme, ruwe, poreuze vlak zag  toestappen terwijl ik erin slaagde elk verzet te laten varen, elk greintje weerstand dat het bezit van een lichaam me ingaf, om ten slotte als een spook, nee, niet door de muur heen te lopen, maar erin op te lossen, niets achterlatend dan een schaduw, een vochtvlek, een donkere afdruk met gestrekte vleugels...
De man trof me aan waar hij me gelaten had, gezeten op dat stoeltje, de ellebogen leunend op mijn dijen, het gezicht begraven in mijn handen. Ik had hem niet horen aankomen.
‘Is alles in orde?’ vroeg hij lichtjes bezorgd.
‘Ja hoor,’ antwoordde ik, met een uitdrukking op mijn gelaat die dat wellicht niet helemaal kon bevestigen.
Hij aarzelde even. Daarna begon hij op een gespannen toon zijn excuses aan te bieden voor het feit dat hij zich blijkbaar had vergist, dat hij dat bepaalde programma niet meer in voorraad had, dat ik dus helemaal voor niets was meegekomen, dat hij het mogelijk nog wel kon nabestellen maar dat deze handel hem eigenlijk totaal niet meer interesseerde. Na die laatste mededeling viel hij stil. Het was of hij de moed moest verzamelen om me vervolgens te vertellen dat het hem allemaal ijskoud liet, de verkoop, de producten die hij verkocht of de klanten die ze kochten, al was dat, voegde hij er schuldbewust aan toe, mijn zaak niet en nog minder mijn fout, en hij drukte nog eens zijn spijt uit dat ik ten gevolge van zijn desinteresse en nonchalance zoveel tijd had verspild. Hij zou me meteen terugrijden naar de stad, en mogelijk was er nog ergens een winkel open waar ik me het benodigde alsnog kon aanschaffen.
‘Het is niets,’ zei ik zachtjes.
‘Hoe stom van me,’ sprak hij geërgerd.
‘Ik vind het echt niet zo erg,’ fluisterde ik bijna.
Hij keek me, dacht ik, dankbaar aan.
‘Dat is vriendelijk van u... Goed dan... Ik heb er trouwens dorst van gekregen. We zullen dadelijk gaan... Kan ik u anders misschien eerst iets te drinken aanbieden?’ vroeg hij.
Een glas water, ja, dat zou welkom zijn, antwoordde ik.
Hij verdween weer in het huis. Ik hoorde gerinkel van glazen en een kastdeur die werd dichtgesmeten. Ik hoorde de niesstoot van een fles spuitwater die openging. Ik kon zelfs de belletjes in het glas horen springen, zo scherp was mijn gehoor. Het viel me te binnen dat ik al in eeuwigheden geen huiselijk geluid meer bewust had waargenomen. De geluiden die ik in mijn eigen woning maakte, merkte ik natuurlijk niet op, en hoe lang was het niet geleden dat ik nog in de huiselijke omgeving van een ander had vertoefd.
Daar verscheen hij weer op het terras, overhandigde me een glas, dat ik leegdronk en op de grond zette.
Ik stond op. We moesten gaan. Maar ik wilde helemaal niet gaan.
‘Het is hier prachtig,’ zei ik.
‘Ja... Onder zo’n boom,’ en hij wees naar de beuk, ‘voel je je net een klein kind.’
Ik keek hem verwonderd aan en meteen sloop er een zekere gêne in zijn blik.
‘Ik bedoel maar...’ zei hij.
‘Ja, ik begrijp het,’ zei ik. ‘Het is hier werkelijk prachtig.’
Dat scheen hem weer wat gerust te stellen.
‘Soms lig ik daar in het gras,’ sprak hij na een korte stilte en wees naar het gazonnetje, ‘en dan...’
Toen aarzelde hij weer en leek een beetje geïntimideerd door iets al te gretigs in mijn houding.
‘En dan lig ik daar...’ besloot hij zwakjes.
‘Ik zou hier wel voor altijd kunnen blijven,’ zei ik.
Hij glimlachte breeduit.
‘Ik meen het,’ zei ik. ‘Ik meen het echt.’ Ik meende het ook echt. En al mag de uitdrukking op mijn gezicht er dan misschien wat scheef en smartelijk en ongemakkelijk hebben uitgezien, en lang niet zo koket of zelfingenomen hebben aangevoeld als ik ooit had gedroomd, toch moet het die geluidloze lach zijn geweest die nu eindelijk een fysieke uitweg vond. Een warme föhn golfde door mijn leden, door mijn buik, en deed de ijzige weerspannigheid van bepaalde vezels smelten. Met een schokje, een tikje, schoot er iets los, waarop een somber verlangen in beweging kwam om voor de allerlaatste keer aan te raken en aangeraakt te worden.
Als Marino een paard was geweest, was ik hem toen misschien evengoed om de hals gevallen. En als hij in velerlei opzichten niet zo onervaren was, zou hij zich misschien meer verbaasd hebben getoond over het verbazingwekkende van mijn gedrag. Nu vond hij het niet eens zo geweldig abnormaal dat ik op hem afliep en mijn armen om hem heen sloeg en mijn wang snikkend tegen zijn sleutelbeen drukte, dat er zelfs een traan uit mijn ogen rolde terwijl ik kermend met mijn lippen de zijne zocht. In Marino’s kuise universum was het niet onlogisch dat je al behoorlijk van streek moest zijn om je aan een ander vast te klampen. Het zou pas echt onbegrijpelijk voor hem zijn als je zoiets deed in het bezit van je volle helderheid. Wat het precies was wat me zo van streek bracht, kon hij natuurlijk niet weten. Maar het lag niet in zijn aard om te geloven dat hij dat ooit werkelijk zou kunnen begrijpen, en hij verwachtte ook niet dat ik het hem ging uitleggen. Daarom juist, volgens zijn vage inschatting van de situatie, probeerde ik hem te kussen, daarom wurmde ik mijn hand onder zijn hemd en achter zijn broekband: omdat ik gewoon niets beters wist te verzinnen, omdat ik niets meer te vertellen had maar daar blijkbaar geen genoegen mee kon nemen.

[...]

© Yves Petry
Foto © Michiel Hendryckx

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum