Leesfragment: De omweg

25 september 2009 , door Gerbrand Bakker
| |

Volgende week verschijnt de nieuwe roman van Gerbrand Bakker, De omweg. Deze Nacht kunt u alvast de eerste pagina's lezen en uw exemplaar vooruitbestellen.

Amsterdam. Een vrouw verdwijnt. Haar echtgenoot wordt verhoord door een begripvolle politieagent en gaat te rade bij zijn schoonouders.

 

De vrouw heeft een oud huis gehuurd, ver weg, in Wales. Om een nieuwe start te maken. Ze wil dingen vergeten, is gevlucht voor lastige situaties en pijnlijk nieuws.

 

I

Op een vroege ochtend zag ze de dassen. Ze liepen rond bij de kring van stenen die ze een paar dagen eerder ontdekt had, en die ze eens in de ochtendschemering wilde zien. Ze had altijd gedacht dat het vreedzame, wat trage en schuchtere dieren zijn, maar er werd gevochten en gesist. Ze verdwenen zonder haast tussen de bloeiende gaspeldoorn toen ze haar zagen. Het rook er naar kokos. Ze liep terug over het pad dat alleen te vinden was door ver vooruit te kijken; dat ze vermoedde door roestige kissing gates, vermolmde stiles en een enkele paal met een teken waarvan ze dacht dat het een lopend mannetje moest voorstellen. Het gras was niet platgetreden.
    November. Windstil, vochtig. Ze was blij met de dassen, tevreden dat ze de dieren bij de kring van stenen wist, ook als ze daar niet was. Langs het grassige pad stonden oeroude bomen, begroeid met lichtgrijs, ruw mos, de takken broos. Broos en toch taai nog steeds in blad, de bomen waren opvallend groen voor de tijd van het jaar. Het was er vaak grauw, de zee was niet ver weg, als ze overdag uit een van de ramen van de bovenverdieping keek, kon ze hem soms zien. Op andere dagen was de zee nergens te bekennen. Alleen bomen, voornamelijk eiken, soms lichtbruine koeien, die nieuwsgierig en onverschillig tegelijk naar haar keken.
    ’s Nachts hoorde ze water, er stroomde een beekje langs het huis. Een enkele keer schrok ze wakker, dan was de wind gedraaid of opgestoken en het geruis van water weggevallen. Ze was er toen een week of drie. Lang genoeg om wakker te worden van een geluid dat ze miste.

2

Van de tien dikke, witte ganzen die op het stuk land langs de oprijlaan liepen, waren er na een kleine maand nog zeven over. De andere drie vond ze terug als losse veren en één oranje poot. De overgebleven beesten stonden onaangedaan gras te vreten. Ze kon geen andere rover bedenken dan een vos, maar het zou haar helemaal niet verbaasd hebben als er wolven of grijze beren rondliepen. Ze had het gevoel dat het haar schuld was dat de ganzen opgevreten werden, dat zij verantwoordelijk was voor hun overleven.
    ‘Oprijlaan’ was een groot woord voor het kronkelende, onverharde pad van een kilometer of anderhalf, zo her en der halfverhard met een lading baksteengruis of kapotte dakpannen. Het land langs het oprijpad hoorde bij het huis – weide, moeras, bosjes – en nog steeds doorzag ze niet precies hoe de ligging was, vooral omdat het heuvelde. Het ganzenveld was keurig omheind met prikkeldraad, dat wel. Het redde de beesten niet. Ooit had iemand een drietal vijvertjes voor ze gegraven, elk iets lager gelegen dan het vorige, die gevoed werden door een onzichtbare bron. Ooit ook had er bij die vijvertjes een houten huisje gestaan, inmiddels niet veel meer dan een gekapseisd dak met een doorgezakt bankje ervoor.
    Het huis stond met de achterkant naar het oprijpad, met de voorkant naar de kring van stenen (onzichtbaar) en, een flink stuk verderop, de zee. Heel langzaam daalde het land en alle ramen gaven uitzicht naar omlaag. In de achterkant van het huis waren niet meer dan twee kleine ramen, één in de grote slaapkamer en één in de badkamer. Het beekje lag naast het huis, aan de keukenkant, en daalde vanzelfsprekend mee. In de woonkamer, waar vrijwel de hele dag licht brandde, stond een grote houtkachel. De trap was niet weggebouwd, stond open tegen een zijwand, recht tegenover de voordeur, waarvan de bovenste helft uit een dikke ruit bestond. Boven twee slaapkamers en een enorme badkamer, met daarin een oud bad op leeuwenpoten. In de oude varkensstal – waar nooit meer dan drie grote varkens hadden kunnen staan – een flinke voorraad hout en allerlei achtergelaten rommel. Onder die stal een ruime kelder, waarvan ze het nut niet inzag. Keurig netjes was het er, de wanden gladgestreken met een soort leem, een langwerpig, smal raam naast de betonnen trap gaf wat licht. De kelder kon afgesloten worden met een luik, dat zo te zien al lang niet neergelaten was. Beetje bij beetje vergrootte ze haar ruimte, de kring van stenen was niet veel verder weg dan een kilometer of twee.

3

De ruimte rondom het huis. Eén keer was ze naar Bangor gereden om er inkopen te doen, daarna koos ze voor Caernarfon, dat dichterbij was. Bangor was een kleine stad, en toch vond ze het er veel te druk. Er was daar een universiteit, er waren dus studenten. Ze kon geen student meer zien, zeker geen eerstejaars. Ze wilde niet meer naar Bangor. In het kleinere Caernarfon waren veel winkels gesloten, met witte verf was FOR SALE op de ruiten gekalkt. Ze zag dat winkeliers bij elkaar op bezoek gingen en gezamenlijk koffiedrinkend en rokend de moed erin hielden. Het kasteel stond erbij zoals een natuurbad er in januari bij kan liggen. De Tesco was groot en ruim en tot negen uur ’s avonds open. Ze kon nog niet erg wennen aan de smalle, holle wegen, remde voor elke bocht af, raakte in paniek van links of rechts.
    Ze sliep in de kleine slaapkamer, de matras lag op de grond. Er was een open haard, net als in de grote slaapkamer, tot dan toe had ze er nog niet één keer in gestookt. Ze had dat eigenlijk eens moeten doen, al was het alleen maar om te zien of de schoorsteen trok. Het was veel minder vochtig dan ze verwacht had. De mooiste ruimte boven was de overloop; een L-vormig houten hek langs het trapgat, uitgesleten houten planken op de vloer en een brede vensterbank bij het raam. In die vensterbank zat ze zo nu en dan, ’s avonds, en keek tussen de ranken van een oude klimstruik door de duisternis in. Dan zag ze dat ze niet helemaal alleen was, er brandde licht, ergens in de verte. Die kant uit was Anglesey en vanaf Anglesey ging een boot naar Ierland. Op vaste tijden voer de boot af en op andere vaste tijden meerde de boot aan. Eén keer had ze de zee zien glanzen bij het licht van de maan, het water glad en bleek. Soms hoorde ze gesnater vanaf het ganzenveld, gesmoord door de halve meter dikke muren. Ze kon daar niets aan doen, ze kon niet een vos tegenhouden in de nacht.

4

Haar oom was op een dag de vijver in gelopen. De vijver in de ruime voortuin van het hotel waar hij werkte. Het water wilde niet hoger komen dan zijn heupen. Collega’s haalden hem eruit, gaven hem een droge broek, zetten hem op een stoel in de warme keuken (het was half november). Schone sokken waren niet voorhanden, zijn schoenen werden op een oven gezet. Dat was het wel zo’n beetje, wat ze ervan wist. Later hoorde ze er weinig meer over. Alleen dat hij die vijver in gelopen was, en daar een tijdje was blijven staan, nat tot vlak onder de door het hotel verstrekte riem. Verbaasd misschien wel. Hij zal het water toch zeker dieper ingeschat hebben.

Dat ze daar was, had iets te maken met de oom. Tenminste, zoiets begon ze te vermoeden. Er gingen weinig dagen voorbij dat ze niet aan hem dacht, hem zag staan in dat rimpelloze water van de hotelvijver. Zo ver heen dat hij nauwelijks besefte dat heuphoog water niet voldoende was om zich in te verdrinken. Niet in staat zich te laten vallen, alle zakken van de kleren die hij droeg volgestopt met de zwaarste voorwerpen die er in een hotelkeuken te vinden waren.
    Ze had heel lang niet aan hem gedacht, mogelijk hier in dit vreemde land wel omdat het net als toen november was, of omdat ze voelde hoe het een mens kan vergaan als hij simpelweg niet meer weet hoe verder, hoe vooruit of achteruit. Dat een ondiepe hotelvijver kan aanvoelen als een pas op de plaats, een stilstand, de oever – zonder begin en zonder eind, een cirkel – als heden, verleden en toekomst zonder grenzen. En ze meende daardoor ook te begrijpen dat hij er zomaar bleef staan, zonder te proberen zijn hoofd onder water te krijgen. Stilstand. Zonder enige vorm van lichamelijkheid, geen seks, geen erotiek, geen enkel gevoel van verwachting. In de kleine maand dat ze in het huis was, had ze, behalve als ze in het leeuwenpotenbad lag, niet één keer een hand tussen haar benen willen steken. Ze bewoonde dit huis zoals hij in die vijver gestaan had.

(...)

© 2010 Gerbrand Bakker en Uitgeverij Cossee

Utgeverij Cossee

MINDBOOKSATH : athenaeum