Leesfragment: De smaak van appelpitten

27 november 2015 , door Katharina Hagena

Deze zomer is Katharina Hagena's De smaak van appelpitten (Der Geschmack von Apfelkernen, in de vertaling van Nelleke van Maaren) het zomerboek van Athenaeum Boekhandel. Vanavond kunt u een interview lezen met de schrijfster, en de eerste pagina's van het boek. Én uw exemplaar reserveren of bestellen.

Na de dood van haar grootmoeder erft Iris het oude huis in de appelboomgaard. Na vele jaren staat ze weer op de magische plek van haar zomervakanties bij oma. Ze dwaalt door de kamers, de appelkelder en de tuin - door een wereld die niet van deze tijd is.

Maar wat moet ze met deze sprookjesachtige, evenzeer zoete als bittere herinneringen aan de ‘appelzomers’ van toen, waarin een stockoude appelboom maar liefst twee keer achtereen in bloei stond? En wat met al die verhalen over de tantes en hun vrijers, het nichtje Rosemarie op het dak van de veranda, grootvader en zijn dubieuze politieke avonturen en die knul die appels met pitten en al at? En wat moet ze überhaupt met dit oude huis in dit afgelegen dorpje? Om haar onrust te overmeesteren verzorgt ze haar grootmoeders graf, gaat zwemmen, kust de broer van een oude vriendin, scharrelt met potten en oude inmaaketiketten en werkt in de moestuin. Tot iets gebeurt, wat – ‘zo als alle bewegingen van het lot in onze familie’ -  weer met een appel te maken heeft…

Interview: ‘Vergeten verhoudt zich tot herinnering als zwijgen tot het woord’

Deze roman vertelt uiteenlopende levensverhalen van vrouwen en schetst bovendien hoe ze zich dat leven hebben voorgesteld.
‘Ik ben vooral geïnteresseerdin de situatie die het gevolg is van het samenvallen van allerlei gebeurtenissen en relaties, in de drie zussen, hun vriendinnen, diverse driehoeksverwikkelingen met spanningen en bondgenootschappen, met macht en machtspelletjes. De verhalen zijn grotendeels pas tijdens het schrijven ontstaan.’

Het landschap speelt in de roman een belangrijke rol.
‘Vooral het landschap achter de dijk met weilanden, koeien, meidoornhagen en een tomeloze, weidse lucht. Bijna Nederlands… Landschap en natuur zijn het projectievlak en de handelende personen en ook de personages die niet tot handelen in staat zijn reageren erop met hun emoties.
Vroeger had ik nooit belangstelling voor tuinen. De bessenoogst bij ons thuis vond ik saai. Toen ik op een gegeven ogenblik zelf een tuin had, merkte ik opeens dat ik een heleboel plantenkennis had opgenomen. Bij bijna elke bloem zat ergens in mijn brein wel een verhaal, flarden van liedjes of dichtregels. Of er schoten me zomaar familieverhalen te binnen: de lievelingsbloem van mijn oma [tuinkamperfoelie] of van mijn opa [Oost-Indische kers]; en dan heb je ook nog namen van bloemen die onmiddellijk allerlei verhalen in je oproepen: gebroken hartje, ridderspoor, bruidssluier.’

Waarom de titel De smaak van appelpitten?
‘In de roman zit een scène waarin appelpitten worden gegeten. Bovendien staat de appel al van oudsher symbool voor verleiding, liefde, schoonheid, macht, inzicht en schuld. Enerzijds is de appelpit de essentie van al die dingen, anderzijds is hij bitter, oneetbaar en heeft hij de vorm van een traan. De verhalen waarin appels een rol spelen lopen van Adam en Eva via het oordeel van Paris tot aan de vergiftigde appel bij Sneeuwwitje. Het aroma van bittere amandelen van de appelpit fascineert me, maar meer nog het feit dat de kern zelf geen blauwzuur bevat, maar dat dit pas na consumptie in het lichaam wordt gevormd. Per slot van rekening werkt het bij boeken precies hetzelfde: de werkzame stof zit niet in de tekst, maar ontwikkelt zich door het lezen in het hoofd en het gevoel van de lezer.’

In uw boek vallen mensen regelmatig flauw of uit bomen…
Vallen hoort net zo goed bij boomstammen als bij stambomen. In een roman over herinneren en vergeten is ontvallen een cruciaal begrip, net als opvallen en bevallen; ongeval en toeval evenzeer als verval. Veel dingen moeten eerst vallen voordat ze aan het rollen kunnen komen.’

Wanneer we vertellen, komen herinneringen in ons op. Maar ook herinneren en vergeten horen bij elkaar. Hoe verhouden vertellen en vergeten zich?
‘Vergeten verhoudt zich tot herinnering als zwijgen tot het woord, als de rust tot de klank. Het een kan niet zonder het ander. Vergeten — en de mogelijkheid daartoe — maakt van een ervaring die achter je ligt een herinnering. Voor mij is een vertelling een manier om me intensief met dat onderwerp bezig te houden, de enige acceptabele en draaglijke manier. Door te schrijven kan ik het vergeten — en vooral de angst om te vergeten — een tijdlang van het lijf houden.’

Hoofdstuk I

Tante Anna stierf op haar zestiende aan een longontsteking die vanwege haar gebroken hart en de nog niet ontdekte penicilline niet te genezen was. De dood trad in op een late julimiddag. Toen Anna’s jongere zus Bertha vervolgens huilend de tuin in holde, zag ze dat met Anna’s laatste reutelende ademtocht alle rode aalbessen wit waren geworden. Het was een grote tuin, de vele oude bessenstruiken bogen door onder de zware vruchtenlast. Ze hadden allang geplukt moeten worden, maar toen Anna ziek werd, dacht niemand meer aan de bessen. Mijn grootmoeder had me dat vaak verteld, want zij was destijds degene geweest die de treurende aalbessen had ontdekt. Sindsdien stonden er alleen nog zwarte en witte bessen in de tuin van mijn grootmoeder, en elke latere poging om een rode bessenstruik te planten mislukte, aan de takken groeiden alleen witte bessen. Maar dat stoorde niemand, de witte smaakten bijna even zoet als de rode, bij het sap maken ruïneerden ze niet je hele schort, en als de gelei klaar was, had hij een bleke, glanzende, geheimzinnige doorzichtigheid. ‘Ingemaakte tranen’ noemde mijn grootmoeder het. En op de planken in de kelder stonden nog steeds potten in alle maten en soorten met aalbessengelei uit 1981, een bijzonder tranenrijke zomer, Rosmaries laatste. Een keer vond mijn moeder, op zoek naar ingemaakte augurken, een potje uit 1945 met de eerste naoorlogse tranen. Dat gaf ze cadeau aan de Molenvereniging, en toen ik vroeg waarom ze in vredesnaam oma’s heerlijke gelei aan een oudheidskamer ten geschenke gaf, zei ze dat die tranen te bitter waren.

Mijn grootmoeder Bertha Lünschen, geboren Deelwater, stierf tientallen jaren na tante Anna, maar toen wist ze allang niet meer wie haar zuster was geweest, hoe ze zelf heette en of het winter of zomer was. Ze was vergeten wat je met een schoen, een draad wol of een lepel moest doen. In de loop van tien jaar stroopte ze haar herinneringen af met dezelfde voortvarende luchthartigheid waarmee ze haar korte, witte krullen uit haar hals streek of onzichtbare kruimels op tafel bij elkaar veegde. Het geluid van de harde, droge huid van haar hand over de houten keukentafel herinnerde ik me beter dan haar gelaatstrekken. Ook dat haar beringde vingers zich altijd stevig om de onzichtbare kruimels sloten, alsof ze probeerden de voorbijtrekkende schimmen in haar geest vast te houden, maar misschien wilde Bertha alleen maar de grond er niet mee vol kruimelen, of de mussen ermee voeren die in de vroege zomer zo graag in het zand in de tuin baadden en dan de radijsjes uitgroeven. Later was de tafel in het verzorgingshuis van kunststof, en haar hand verstomde. Voordat haar geheugen haar helemaal in de steek liet, bedacht Bertha ons in haar testament. Mijn moeder Christa erfde het land, tante Inga de effecten, tante Harriet het geld. Ik, de laatste nakomeling, erfde het huis. De sieraden en meubels, het linnengoed en het zilver moesten tussen mijn moeder en mijn tantes worden verdeeld. Helder als regenwater was Bertha’s testament — en even ontnuchterend. De effecten waren niet veel waard, op het grasland van de Noord-Duitse laagvlakte wilde behalve koeien niemand wonen, het geld was niet veel, en het huis was oud.

Bertha moet zich hebben herinnerd hoezeer ik het huis vroeger had liefgehad. Van haar laatste wilsbeschikking hoorden we echter pas na de begrafenis. Ik was alleen gekomen, het was een verre, ingewikkelde reis met verschillende treinen: ik kwam uit Freiburg en moest het hele land door voordat ik ten slotte in het noorden van het dorp Bootshaven bij de halte tegenover het huis van mijn grootmoeder uit een bijna lege lijnbus stapte die vanaf een spookachtig station in een klein stadje door allerlei gehuchten was geboemeld. Ik was kapot van de reis, het verdriet en de schuldgevoelens die je altijd hebt wanneer iemand gestorven is die je liefhebt, maar niet goed hebt gekend.

Ook tante Harriet was gekomen. Alleen heette ze intussen niet meer Harriet, maar Mohani. Toch droeg ze geen oranje gewaden en had ze geen kaal hoofd. Alleen een ketting van houten kralen met het portret van de goeroe wees op haar nieuwe, verlichte staat. Met haar korte, hennarode haar en haar Reebok-sportschoenen zag ze er niettemin anders uit dan de rest van het zwarte gezelschap dat zich in groepjes voor de kapel verzamelde. Ik was blij tante Harriet te zien, al bedacht ik beklemd en onrustig dat ik haar dertien jaar geleden voor het laatst had gezien. Dat was toen we Harriets dochter Rosmarie moesten begraven. Die onrust was me heel vertrouwd, tenslotte moest ik elke keer dat ik mijn gezicht in de spiegel bekeek aan Rosmarie denken. Haar begrafenis was onverdraaglijk geweest, waarschijnlijk is het altijd onverdraaglijk als een vijftienjarig meisje moet worden begraven. Dus verloor ik destijds, zoals ze me later vertelden, het bewustzijn. Ik herinnerde me alleen nog dat de witte lelies op de kist een warme, zoet-vochtige geur verspreidden die mijn neus dicht kleefde en blaasjes in mijn luchtpijp veroorzaakte. Ik kreeg geen lucht meer. Toen cirkelde ik weg in een wit gat.
Later werd ik in het ziekenhuis wakker. Tijdens mijn val had ik mijn voorhoofd opengescheurd aan de trottoirband, en dat gat moest worden gehecht. Boven mijn neuswortel bleef een litteken, een bleek merkteken. Het was de eerste keer dat ik flauwviel. Daarna ben ik nog vaak flauwgevallen. Vallen zit bij ons in de familie.

Zo was tante Harriet na de dood van haar dochter van haar geloof gevallen. Bij de Bhagwan was ze gegaan, het arme mens, zo werd in de kennissenkring gezegd. Bij de sekte. Waarbij het woord sekte met gedempte stem werd uitgesproken, alsof ze bang waren dat de sekte op de loer lag om iemand te grijpen, zijn hoofd kaal te scheren en hem vervolgens, als de uitgerangeerde gekken uit One flew over the Cuckoo’s Nest, door de voetgangerszones van deze wereld te laten dwalen en met kinderlijke vreugde cimbalen te laten klinken. Maar tante Harriet zag er niet uit alsof ze bij Bertha’s begrafenis haar cimbalen wilde uitpakken. Toen ze me zag, omhelsde ze me en kuste me op mijn voorhoofd. Ze kuste vooral het litteken op mijn voorhoofd, maar ze zei niets en duwde me verder, in de richting van mijn moeder die naast haar stond. Mijn moeder zag eruit alsof ze de afgelopen drie dagen had gehuild. Bij haar aanblik kromp mijn hart ineen tot een gerimpelde klomp. Wat verschrikkelijk om je moeder te moeten begraven, dacht ik toen ik haar losliet. Mijn vader stond naast haar en ondersteunde haar, hij was veel kleiner dan de laatste keer en had groeven in zijn gezicht die ik nog niet kende. Een beetje terzijde stond tante Inga, en ondanks haar rode ogen was ze adembenemend. Haar mooie mond was naar beneden getrokken, maar bij haar zag dat er niet huilerig, maar trots uit. En hoewel haar jurk eenvoudig en hooggesloten was, maakte die niet de indruk van rouwkleding, maar van een elegant zwart jurkje. Ze was alleen gekomen en pakte mijn beide handen. Ik kromp even ineen, omdat ik werd getroffen door een kleine elektrische schok uit haar linkerhand. Aan haar rechterarm droeg ze haar barnstenen armband. De handen van tante Inga voelden hard, warm en droog aan. Het was een zonnige middag in juni. Ik keek naar de andere mensen: veel vrouwen met wit haar, dikke brillen en zwarte handtassen. Dat waren de vriendinnen van Bertha’s koffiekransje. De vroegere burgemeester, en natuurlijk Carsten Lexow, de vroegere leraar van mijn moeder, een paar schoolvriendinnen en verre nichten en neven van mijn tantes en mijn moeder, en drie lange mannen die ernstig en onbeholpen naast elkaar stonden en onmiddellijk te herkennen waren als vroegere vereerders van tante Inga, omdat ze mijn tante nauwelijks durfden aankijken, maar haar toch nooit uit het oog verloren. De Koops, de buren, waren gekomen, en een paar mensen die ik niet thuis kon brengen, misschien uit het verzorgingshuis, misschien van de begrafenisonderneming, misschien van grootvaders vroegere notariskantoor.
Later ging iedereen naar het café naast het kerkhof om koffie te drinken en boterkoek te eten. Zoals het gaat na begrafenissen, begonnen alle rouwende aanwezigen onmiddellijk te praten, eerst zacht murmelend, toen steeds luider. Zelfs mijn moeder en tante Harriet spraken opgewonden met elkaar. De drie vereerders stonden nu rond tante Inga, benen gespreid en rug kaarsrecht. Tante Inga leek hun eerbetoon te verwachten, maar nam het tegelijkertijd met milde ironie in ontvangst.
Het vriendinnengroepje zat bij elkaar en hield een koffiekransje. Aan hun lippen kleefden suikerkruimels en amandelschaafsel. Ze aten zoals ze spraken: langzaam, luid en ononderbroken. Samen met de serveersters droegen mijn vader en meneer Lexow de zilveren serveerschalen met bergen vierkantjes boterkoek de keuken uit en zetten de ene kan koffie na de andere op de tafels. De kransjesvriendinnen maakten wat grapjes met die twee attente jongemannen en probeerden hen voor hun kransje te werven. Terwijl mijn vader beleefd een grapje maakte, glimlachte meneer Lexow angstig en verdween naar naburige tafeltjes. Hij zou hier tenslotte blijven wonen.

Toen we het café verlieten, was het nog steeds warm. Meneer Lexow klemde metalen clips om zijn broekspijpen en besteeg zijn zwarte rijwiel dat onafgesloten tegen de muur stond. Hij hief zijn hand even ten afscheid en reed weg in de richting van het kerkhof. Mijn ouders en tantes bleven voor de deur van het café staan en knipperden tegen de avondzon. Mijn vader kuchte en zei: ‘Die mensen van het notariskantoor, die hebben jullie wel gezien. Bertha heeft een testament gemaakt.’
Het waren dus toch juristen geweest. Maar vader was nog niet uitgesproken, hij opende zijn mond en sloot hem weer, de drie vrouwen bleven naar de rode zon kijken en zeiden verder niets.
‘Ze wachten bij het huis.’

Toen Rosmarie stierf, was het zomer geweest, maar ’s nachts kroop uit de weiden al de geur van de herfst. Mensen koelden dan snel af als ze op de grond lagen. Ik dacht aan mijn oma die onder de aarde lag, aan het vochtige, zwarte gat waarin ze zich nu bevond. Veengrond, zwart en vet, maar daaronder zand. De opgeworpen hoop aarde naast haar graf lag te drogen in de zon, en steeds weer gleed er zand af, het liep in kleine stroompjes naar beneden als bij een zandloper.
‘Dat ben ik,’ had Bertha eens gekreund, ‘dat is mijn hoofd.’
Ze knikte in de richting van de zandloper op de keukentafel en kwam abrupt overeind uit haar stoel. Daarbij veegde ze met haar heup de zandloper van tafel. Het smalle houten ophanggestel brak, het glas versplinterde en het zand vloog alle kanten op. Ik was een kind, en haar ziekte was nog niet zo ver gevorderd dat je er veel van merkte. Ik knielde en verspreidde met mijn wijsvinger het witte zand over de zwart-witte tegelvloer. Het zand was heel fijn en glinsterde in het licht van de keukenlamp. Mijn grootmoeder stond ernaast, zuchtte en vroeg hoe ik die mooie zandloper had kunnen breken. Toen ik zei dat ze dat zelf had gedaan, schudde ze haar hoofd, schudde het steeds opnieuw, opnieuw en opnieuw. Toen veegde ze de scherven bij elkaar en gooide ze in de vuilnisbak.

Tante Harriet nam mijn arm; ik kromp ineen.
‘Zullen we?’ vroeg ze.
‘Ja, natuurlijk.’
Ik probeerde me uit haar zachte greep te bevrijden, ze liet direct los, ik merkte dat ze van opzij naar me keek.

We gingen te voet naar het huis, Bootshaven is een heel klein dorp. De mensen knikten ernstig toen we voorbijkwamen. Een paar keer kwamen oude vrouwen ons tegemoet en gaven ons een hand, maar mijn vader niet. Ik kende ze geen van allen, maar ze schenen mij te kennen en zeiden, weliswaar zachtjes — uit respect voor onze rouw —, maar toch met een nauwelijks te onderdrukken triomf dat het een ander had getroffen, dat ik eruitzag als Lüttje Christel. Het duurde een tijdje voordat ik begreep dat die Lüttje mijn moeder was.

Het huis was al van verre zichtbaar. De wilde wingerd overwoekerde de gevel en de ramen boven waren niet meer dan rechthoekige verdiepingen in de donkergroene rimboe. De twee oude linden bij de oprit reikten tot aan het dak. Toen ik de muur aan de zijkant van het huis aanraakte, voelden de ruwe, rode bakstenen onder mijn hand warm aan. Een windvlaag sloeg door de wingerd, de linden bogen door, het huis ademde oppervlakkig.

Aan de voet van de trap naar de voordeur stonden de mensen van het notariskantoor. De een gooide zijn sigaret weg toen hij ons zag aankomen. Toen bukte hij zich vlug en raapte de peuk op. Terwijl we de brede treden opliepen, boog hij zijn hoofd, hij had gezien dat wij hem hadden gezien, zijn hals was rood aangelopen en hij woelde geconcentreerd in zijn aktetas. De twee andere mannen keken naar tante Inga. Ze waren beiden jonger dan zij, maar begonnen haar onmiddellijk het hof te maken. Een van hen haalde een sleutel uit zijn aktetas en keek ons vragend aan. Mijn moeder pakte de sleutel aan en stak hem in het slot. Toen het volle geklingel van de koperen bel aan de bovenste scharnier klonk, was op het gezicht van alle drie de zussen dezelfde halve glimlach te zien.
‘We gaan naar de werkkamer,’ zei tante Inga en liep alvast door.

De geur van de hal bedwelmde me, het rook er nog steeds naar appels en oude stenen. De met houtsnijwerk versierde houten uitzetkist van mijn overgrootmoeder Käthe stond tegen de muur. Links en rechts daarnaast de eikenhouten stoelen met het familiewapen: een hart dat door een zaag wordt gedeeld. De hakken van mijn moeder en mijn tante Inga tikten, zand knerste onder leren zolen, alleen tante Harriet volgde langzaam en geluidloos op haar Reeboks.

[...]

Copyright © Uitgeverij Kiepenheur & Witsch, Keulen
Copyright Nederlandse vertaling © Nelleke van Maaren en Uitgeverij Cossee BV, Amsterdam

Utgeverij   Cossee

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum