Leesfragment: De walrus

27 november 2015 , door Lars Saabye Christensen

1 november verschijnt de nieuwe roman van Lars Saabye Christensen, De walrus, vertaald uit het Noors door Paula Stevens. En 23 november verschijnt hijzelf, bij Spui25, in gesprek met Jeroen van Kan. Vanavond de eerste pagina's. U kunt uw exemplaar al reserveren.

Op 4 januari 2001 wordt Kim Karlsen wakker met totaal geheugenverlies. Hij weet niet wie hij is en waar hij is. Als hij een agenda vindt, belt hij zijn eigen nummer en krijgt op het antwoordapparaat van zichzelf te horen dat hij op avontuur is. Een hotelsleutel leert hem dat hij zich bevindt in het Sortland Hotell, kamer 313. Hij ligt naakt op bed en wordt verrast door het kamermeisje, dat gillend de kamer weer verlaat. Kim kleedt zich aan en gaat op onderzoek uit. Dit is het begin van wat een surrealistische tocht zal worden.

In zijn vijftigste jaar raakte Kim Karlsen zijn geheugen kwijt. Jullie weten misschien niet wie hij is. Jullie weten misschien ook niet wie ik ben. Dat maakt niet uit. Ik weet het. Ik weet ook wie jullie zijn. Ik constateer het gewoon. Kim Karlsen werd dus op een ochtend wakker en was een schone lei, een onbeschreven blad. Hij bevond zich in de laatste groeven. Hij naderde het gaatje. En hij is, zoals de meesten al wel zullen begrijpen, daarom niet in staat zelf de pen te voeren en dit op te schrijven, en aangezien ik degene ben die hem altijd het meest na heeft gestaan en die hem nauwelijks uit het oog heeft verloren, heb ik die taak op me genomen, namelijk zijn belangen te behartigen, zijn metgezel te zijn, en ik zal naar beste kunnen proberen dit zo precies en rechtschapen te doen als maar mogelijk is:
Kim Karlsen werd dus ’s ochtends wakker, op 4 januari 2001, en was zijn geheugen kwijt. Ik ben me er volkomen van bewust dat dit niet de eerste keer is dat zoiets gebeurt, niet in de literatuur, de film of dat wat jullie het werkelijke leven noemen trouwens, maar het was de eerste keer dat Kim Karlsen zijn geheugen kwijtraakte en dat volstaat voor mij. Het gebeurde stilletjes en zonder veel dramatiek. Hij deed gewoon zijn ogen open en merkte op dat moment eigenlijk geen verschil. Waar hij lag was het donker. Hij had in feite net zo goed zijn ogen dicht kunnen houden. Hij keek en zag niets. Hij luisterde en hoorde ook geen geluid. Hij kon niet eens zijn eigen lichaam horen, dat merkwaardige geluid – soms mooi, soms afstotelijk, meestal allebei – dat bevestigt dat een mens bestaat, zoals uiteraard het kloppen van het hart, de onafgebroken omloop van het bloed, het vreselijke gerochel als het slijm blijft steken in je keel, het knisperen van huid en haar en zenuwen, het langzame, rustige suizen, alsof zich binnen in jullie een groot bos bevindt waar de wind doorheen waait, de niet altijd welkome beweging van de darmgassen of het felle, harde zoemen in je oor, als je bijvoorbeeld naar te harde muziek hebt geluisterd, tinnitus, een hondenfluitje dat tot slot het hele universum vult en dat alleen hoorbaar is voor de degene die het heeft – en voor de bloedhonden. Kim Karlsen hoorde zoals gezegd niets. Hij voelde alleen zijn lichaam, als een juk. Dit kon tot nu toe elke willekeurige ochtend op Kim Karlsens kalender zijn geweest. Dat was het echter niet. Hij bleef een poosje liggen, zonder zich te bewegen, in het stille stikdonker, en probeerde zich te concentreren. Daar slaagde hij niet in. Hij probeerde zich voor te stellen wat deze dag, waarin hij onlangs was ontwaakt, zou kunnen brengen aan kleine en grote gebeurtenissen, aan vreugde of teleurstellingen. Ook daar slaagde hij niet in. En hoe kon hij überhaupt weten of het dag of nacht was, of nog steeds gewoon avond? Hij wist het niet. Zijn gedachten kregen geen houvast. Ze lieten zich niet tot het einde denken. Ze doken op uit het niets en glipten weer weg voordat ze gedacht waren. Niet alleen de duisternis belemmerde zijn uitzicht. Hij kon ook niet verder kijken dan het ogenblik waarin hij zich bevond. Hij was opgesloten in een ogenblik. Hij herinnerde zich niet wie hij was. Hij herinnerde zich niet waar hij was. Hij herinnerde zich niet wanneer het was. Hij kon zich zelfs niets herinneren uit zijn laatste slaap. Hij kwam na de aftiteling. Misschien dacht hij dat het over zou gaan. Misschien dacht hij dat het van voorbijgaande aard was, als hij al zo ver kon denken, want de gedachte over de voorbijgaande aard was ook van voorbijgaande aard en verdween in de rijen van andere tevergeefse gedachten. Hoe dan ook, hij vergiste zich. Dit was blijvend. Vanaf hier was er geen plan, geen orde, geen afspraak, vanaf hier waren er alleen maar kansen. Hij was een blijvend ogenblik geworden. En het was geen angst, verdriet of paniek wat Kim Karlsen voelde, hij voelde zich alleen maar intens verlegen.
Dit is het moment waarop mijn taak serieus begint.
En ik zal ook voorzichtig beginnen.
‘Hallo’, zei Kim Karlsen.
Zacht, aarzelend zei hij dat, alsof hij Noors aan het leren was en zich tot de rest van de wereld richtte: ‘Hallo?’
Kim Karlsen luisterde naar zijn eigen stem in de duisternis, als het al zijn eigen stem was. Hij herkende hem niet. De stem paste niet bij hem. Zijn mond leek te groot voor zijn gezicht, week, bijna moeilijk dicht te krijgen, terwijl het gezicht rond die mond veel te strak aanvoelde, als een maatje te klein. Hij verstond nauwelijks wat hij zei. Het klonk als gewauwel.
‘Hallo?’
Er was duidelijk niemand in de buurt, want Kim Karlsen kreeg geen antwoord, niet bij de eerste, noch bij de tweede en derde poging. Ik kan overigens vaststellen, voor eens en altijd, dat hij alleen was, zodat daar geen twijfel meer over kan bestaan, want dat is wel het laatste wat ik wil, twijfel zaaien. Twijfel is absoluut het laatste wat ik wil zaaien. Zo’n tuinman ben ik niet. In mijn kas moet sowieso alles verwelken. Twijfel is niet mijn terrein. Ik streef ernaar, zoals gezegd, om rechtschapen en precies te zijn. Kim Karlsen was zo alleen als alleen een mens kan zijn. Hij was daar waar zelfs de eenzaamheid niet bestaat.
Kim Karlsen tilde zijn arm op, raakte een muur en vond een lichtknopje. Dat knipte hij aan. Er ging meteen een lamp aan het plafond branden. Het plafond was wit. De muren waren wit. Het licht verblindde hem net zo sterk als de duisternis daarnet had gedaan. De duisternis en het licht zijn zoals bekend slechts twee kanten van dezelfde zaak. Ten slotte kon hij iets zien. Hij lag naakt in een tweepersoonsbed. Hij keek naar zijn lichaam. Dit was hij dus. Dit was dus het lichaam waarin hij was ontwaakt. Hoe oud was dit lichaam? Denk aan een getal, dacht Kim Karlsen, en hij kwam op vijftig, hij bedacht, of raadde, zijn eigen leeftijd, maar dat getal, vijftig, maakte geen indruk op hem, misschien was het lichaam nog ouder, in elk geval niet jonger, het leek afgeleefd, in zekere zin, niet een wrak, alleen maar uitgeput, mager, hol, de huid rond zijn heupen en zijn liezen was gevlekt, alsof hij daar door de zon verbrand was. Ben ik een nudist, dacht Kim Karlsen, verbijsterd, en toen ontglipte deze gedachte hem ook weer en moest hij opnieuw beginnen met denken. Hij had het niet koud. Hij verplaatste zijn blik. Een zwart pak hing keurig over een stoel. Op de vloer, die bedekt was met een rood tapijt, stond een paar schoenen, ook zwart, het leek bijna alsof ze in rood water dreven. De gordijnen, groen en zwaar, waren voor het enige raam in de kamer getrokken. Er hing een schoudertas aan een haakje naast de badkamerdeur, die openstond. In een spiegel boven de wastafel zag hij een geel douchegordijn. Een tweede deur was dicht en daar was een soort poster op geplakt, zag hij ook, met instructies over evacuaties en nooduitgangen in het geval van brand. In de hoek naast die deur hing een televisie.
Woorden die Kim Karlsen invielen: schip, gevangenis, ziekenhuis.
In de andere hoek stond een laag, vierkant kastje: minibar.
Toen fluisterde hij, met de vreemde stem: ‘Ik ben vast in een hotel.’
Hotel.
Maar in welke stad, in welk werelddeel en met welke reden?
Op het nachtkastje lag een afstandsbediening. Die wist hij te pakken. Tegelijkertijd viel hem zijn hand op, zijn rechterhand. Dat was niet te vermijden, want het was een lelijke hand, een buitengewoon lelijke hand, die je niet zomaar kon negeren, hij zat vol littekens, die schots en scheef van knokkel naar knokkel liepen, en vooral de wijsvinger, de wijsvinger was het ergst van die hele hand, die was scheef en krom en wees in alle richtingen, alsof hij in het midden was losgeraakt. En als de ogen de spiegel van de ziel zijn, zoals sommigen van jullie zo graag zeggen, dan is de hand het gereedschap van de ziel. De hand zegent en slaat. De hand liefkoost en dreigt. De hand geeft en neemt.
En dit was zonder twijfel zijn hand.
Die hoorde ook bij hem.
Kim Karlsen dacht: ik ben gewond.
En die gedachte wist hij vast te houden, hij wist er een gevolg aan te geven, want hij dacht ook: dit zijn littekens en geen wonden.
En tussen wonden en littekens ligt tijd.
De tijd had dus enkele wonden geheeld.
Kim Karlsen was op zich tevreden over deze gedachtegang; dat hij er een goed humeur van kreeg is misschien iets te veel gezegd. Maar met de hand zelf was hij absoluut niet tevreden.
Die was niet alleen afschuwelijk om naar te kijken. Hij had ook het idee dat er iets aan ontbrak.
Een grauwe rand om de smalle pols liet zien wat: zijn horloge was weg.
Hij zette de televisie aan. Het beeld dat verscheen was erg onduidelijk. Het zou net zo goed in zwart-wit hebben kunnen zijn in plaats van in kleur. Hij probeerde het geluid harder te zetten, maar het scherm bleef stil en grijs. Nu lukte het hem eindelijk om te zien wat het beeld voorstelde. Het was 18 een skischans. Een voorovergebogen gedaante schoot de steile schans af en verdween in de korrelige mist. Boven in de hoek van het scherm stond iets geschreven. Hij slaagde erin het te ontcijferen. Hij kon met andere woorden nog steeds lezen. Er stond herhaling.
Op dat moment ging de deur die tot nu toe gesloten was geweest – welke deur had het ook anders moeten zijn – open.
Een vrouw, met een misschien Aziatisch uiterlijk, kwam de kamer binnen. Ze hield een stofzuigerslang in haar hand en trok de machine achter zich aan, hij bleef steken op de drempel. Toen bleef ze abrupt staan, sperde haar ogen open, op een tamelijk wilde manier, de gedisciplineerde Aziatische mimiek in aanmerking genomen, en sloeg haar andere hand voor haar mond, alsof ze een hartverscheurende schreeuw wilde smoren, of misschien denken sommigen liever een krankzinnige lach. Toen draaide ze zich om, het leek op een houterig danspasje, een panische pirouette, struikelde de kamer weer uit, nog steeds met de stofzuiger op sleeptouw, en deed de deur even snel weer dicht als ze hem daarnet had opengedaan.
Kim Karlsen lag nog steeds onbeweeglijk en naakt in het tweepersoonsbed en probeerde zich, alweer, te concentreren, dat wil zeggen, samen te vatten: dit waren de woorden die hem te binnen schoten, dit was de taal in zijn ogenblik: nudist, hotel, litteken, herhaling.
Kim Karlsens beknopte en complete lexicon, op 4 januari 2001: nudist, hotel, litteken, herhaling.
Hij dacht: wat nu?
Dat was een heel concrete gedachte. Hij was, zoals ik al heb aangestipt, omgeven door het ogenblik, want het ogenblik is de enige geschiedenis voor de geheugenloze, ja, de geheugenloze is altijd op dit ogenblik, zoals dat heet. De volgende stap is de eerste en tegelijkertijd de laatste.
Met andere woorden: geen plan, geen afspraken, geen orde.
En zo stond Kim Karlsen op deze ochtend, 4 januari 2001, langzaam en aarzelend stond hij op uit het tweepersoonsbed, hij zette zijn voeten op de zachte, rode vloer, hield het dekbed om zich heen, op een bedeesde, bleue manier, die charmant was en tegelijkertijd komisch, de situatie in aanmerking genomen, en hij liep, nog langzamer, stap voor stap, naar het raam en trok de gordijnen open.
Het sneeuwde hier. De sneeuw was niet wit. De sneeuw was grijs en hing schuin in de lucht, als een vies traliewerk. Achter de sneeuw stonden een paar huizen. De muren waren blauw. Dat kon hij nog net zien. Het sneeuwde in een blauwe stad. Achter de blauwe muren ging de sneeuw over in vage schaduwen die niet op de nacht, noch op de dag leken. Hij werd er niets wijzer van en deed de gordijnen weer dicht.
Hij liep, nog steeds langzaam en met het dekbed om zich heen geslagen, verlegen als hij nu geworden was, naar de badkamer. Boven de wastafel hing de spiegel in het donker. Hij deed het licht aan en zag een gezicht.
En dit is wat Kim Karlsen te zien kreeg: een scherpe, spitse neus, magere, bijna holle wangen, een waaier van rimpels rond de ogen, alsof hij ooit te veel had gehuild of gelachen, en ze leken zowel vermoeid als klaarwakker, zijn ogen, als hij het zelf had moeten beoordelen, wat dus niet het geval was, zoals gezegd ben ik degene die deze zware taak op zich heeft genomen. Met zijn haar was echter niets mis, zijn haar was nog altijd een lust voor het oog: een volle bos, lang, het hing over zijn oren, de pony bedekte zijn voorhoofd bijna helemaal en afgezien van wat grijze, bijna witte strepen bij zijn slapen was dit kapsel bijna een contradictie, een paradoxale triomf als bekroning van dit, vergeef me de uitdrukking, hippocratische gezicht.
Maar er was iets met de mond. De onderkaak, dat hoefijzervormige bot, onmisbaar bij spreken en kauwen, bij alfabet en eten, leek los te hangen. Hij moest hem voortdurend optillen. En nu zag hij ook iets anders. Op het smalle plankje onder de spiegel lag een gebit te grijnzen. Ja, waarachtig, daar lag een gebit naar hem te grijnzen en te grimlachen. Was dat van hem, dat gebit, deze prothese van het lachen en het huilen, de castagnetten van de kaken? Ik ben geen grappenmaker, nee, dat moet niemand ooit denken, dat ik een grappenmaker ben, ik ben zakelijk en streng, ik wil zo rechtschapen en precies zijn als maar kan, maar bepaalde vrijheden moet ook ik me mogen veroorloven, om het überhaupt uit te kunnen houden. De castagnetten van de kaken! Hij haalde zijn tong langs zijn verhemelte, heen en weer, keek op en vouwde zijn lippen opzij. Het roze, tandeloze tandvlees werd zichtbaar en het was me nogal een aanblik, deze weke muil, dit zuigelingenmondje tussen de harde, magere rimpels. Hij aarzelde. Toen wurmde hij met veel moeite het gebit in zijn mond, het paste, hij klemde de kunsttanden op elkaar en zijn kaak, met zijn veertien paar spieren, viel op zijn plek.
Kim Karlsen glimlachte voor wat hij waard was naar de spiegel.
Hij was niet veel, zo niet minder, wijzer geworden.

Oorspronkelijke titel Bisettelsen, verschenen bij Cappelen Damm
Oorspronkelijke tekst © Cappelen Damm AS, 2008
Nederlandse vertaling © Paula Stevens en De Geus bv, Breda 2010
Foto © Siv-Elin Nærø

Uitgeverij De Geus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum