Leesfragment: De werkplaats van de duivel

02 maart 2010 , door Jáchym Topol
| |

4 maart verschijnt de nieuwe roman van Jáchym Topol, De werkplaats van de duivel, in de vertaling van Edgar de Bruin. Topol zal in april en mei writer in residence zijn aan het Spui en 13 april spreken in Spui25. Vandaag kunt u al het eerste hoofdstuk lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

 

De verteller in deze roman is geboren en getogen in het Tsjechische Theresienstadt, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog het beruchte concentratiekamp werd ingericht. Het is een stad vol onderaardse gangen, catacomben, barakken en geheime plekken. Om de in verval geraakte stad van de ondergang te redden wordt de herinnering aan de oorlog commercieel uitgebuit.
De verteller wordt uitgenodigd om toeristen te helpen lokken naar Wit-Rusland, waar de duivel zijn werkplaats had, en waar zich, vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog slachtingen hebben voorgedaan die de bevolking hebben gehalveerd.

De werkplaats van de duivel is geschreven in een daverend tempo en met een enorme verbeeldingskracht. Topol is een meester in het oproepen van een hypnotiserende, hallucinante sfeer met sinistere beelden en hij stelt de beklemmende vraag: kan wat toen is gebeurd, ons weer overkomen?

 

1

Rennen, man, naar Praag, naar het vliegveld. Nou ja, rennen, ik loop gewoon door een greppel, een beetje beneveld in een zweverige wolk, want ik drink.
We hebben de laatste tijd met de studenten van het Comenium van Theresienstadt flink gedronken.
Nu loop ik dus langs de weg, vaak sluipend door de greppel, want ik wil niet dat de politie in de patrouillewagen me ziet.
Ik wil niet gepakt worden, ik wil niet dat ze me naar de brand in Theresienstadt vragen.
Soms laat ik me in de greppel ploffen, ik nestel me erin, woel met mijn rug in de aarde, dan lig ik gewoon te liggen.
Zo zoetjesaan ga ik op weg naar Praag, naar het vliegveld.
Er zit nog wat in de fles, Sára’s wijn. Het vlees dat ze me hebben meegegeven is al op.
Ik heb me er lang tegen verzet om het op te eten, maar toen ging het wel, ik moest krachten opdoen.
De maan is al bijna vol.
De rood bakstenen vestingwallen van Theresienstadt heb ik al lang achter me gelaten, al die muren van mijn geboortestad.
De stad die, zo vertelde mijn vader altijd, was gesticht door Maria Theresia en sindsdien honderdduizenden soldaten van vele legers had zien passeren, keizerin Maria Theresia was namelijk dol op militaire parades, vertelde mijn vader, majoor van de militaire kapel, die hield van parades met fanfaremuziek in Theresienstadt.
Nu loop ik al lang met de rug naar de stad gekeerd voort, al die enorme barakken van Maria Theresia en Jozef ii liggen achter me, net als de opslagplaatsen voor miljoenen patronen, stallen voor honderden paarden, kazernes voor tienduizenden kerels, ik vertrek, zoals alle verdedigers van die stad die voor het leger was gesticht... de toevloed van soldaten naar de stad gebouwd voor soldaten was tot stilstand gekomen.
En de stad zonder leger vervalt.
Mijn geiten, die gras graasden op de vestingwallen, zijn verkocht.
De meeste dan.
Mijn vader heeft dat niet meer meegemaakt.
Ik behoor tot degenen die Theresienstadt probeerden te redden.

Mijn moeder vertelde dat ik ter wereld ben gekomen toen zij en vader me niet meer verwachtten, en ze zei ook vaak dat het voor haar het allermooist zou zijn geweest als ik zo klein was gebleven dat ik in geval van nood in een vingerhoedje kon schuilen. Ik zou op erwtjes leven, om een paar druppels melk met de kat vechten, met een klein doekje om mijn middel rondlopen, ik zou mama’s Klein Duimpje zijn.
In het begin was ik ermee verguld, logisch.
Maar er was geen ontkomen aan, ik groeide net als iedereen.
Ik vond het niet leuk meer als papa met zijn baton in een rood met gele hamertjes en sikkels versierd foedraal naar zijn werk ging en mama de ramen en deuren met kussens en dekens dichtstopte.
Ik schijn vroeger in mijn handen te hebben geklapt als mama de meubels naar het midden van de kamer schoof.
Tussen al die kasten en kastjes, buffetkasten, omgekieperde stoelen, fauteuils en de deftige divan bouwde ze een veilige schuilplek, een nest voor ons tweeën alleen.
Ik verkneukelde me als mama en ik in dat warme nestje dicht tegen elkaar kropen en elkaar vasthielden, tot papa weer thuiskwam en ons uit de geborgenheid haalde.
De wereld buiten was reusachtig en mama weigerde daar een stap in te zetten.
Zodra het kon begon ik aan haar te ontsnappen.
Weet ik veel hoe dat precies is gegaan, op een keer rukte ik me van haar los, ontworstelde me aan haar geurige omhelzing, duwde haar uitgestoken armen weg, kroop onder de divan door, klom over een fauteuil, gaf een klap op de deurkruk, deed de deur open en stormde naar buiten.
Ik sloot me bij de andere kinderen aan, we vlogen heen en weer over de vestingmuren, als gekken lieten we ons in het gras vallen en we stonden weer op om verder te gaan.
En Kops! Die kenden we allemaal, dat kon niet anders in Theresienstadt.
Er was ook nog dat akkefietje met mijn moeder.
Enkel Kops ging met haar om. Nou, niet echt, maar hij nam wel bloemetjes voor haar mee.
En de tantes probeerden een beetje voor mijn moeder te zorgen.
Ze weigerde een stap buiten de deur te zetten.
Maar ze kon er altijd op rekenen dat op Vrouwendag, of bij de viering van de bevrijding door het Sovjetleger, Kops haar een reusachtig boeket veldbloemen gaf die hij onder de vestingmuren had geplukt, ver buiten bereik van mijn gulzige geiten, of dat hij haar op Moederdag, want die werd onder het communisme niet gevierd, een beetje stiekem een bosje bloemen onder een laagje rood stof overhandigde, ome Kops nam altijd bloemen voor mama mee en de tantes glimlachten.
Vroeger schijnt Kops zelfs weleens een praatje met mama te hebben gemaakt, dat was voor mijn tijd.
Wel herinner ik me dat mama op het laatst niet veel meer zei.
Ze wilde enkel de hele tijd in elkaar kruipen, zo weinig mogelijk plek innemen, ze zocht een plekje om enkel en alleen nog maar adem te halen, daar had ze genoeg aan.
Alle kinderen in Theresienstadt kenden ome Kops.
Vroeger dachten we dat Kops zo genoemd werd vanwege zijn langgerekte schedel, waar geen enkele haar uit stak, we dachten dat onze oom Koppe heette, maar zo zat het niet, tante Fridrich had het me uitgelegd, ze had als jong meisje de kleine Kops, de pasgeboren baby, verborgen gehouden in een schoenendoos onder haar brits, want haar brits stond in de hoek van de britsenbarak voor de veroordeelde vrouwen en meisjes, en met die naam Kops zat het zo: de oudste in de britsenbarak was een Slowaakse, toevallig ook nog een vroedvrouw, en die zei toen ze in het vrouwenvertrek bij de geheime bevalling hielp hardop, ook al fluisterde ze, wat iedereen toen dacht: We verstikken hem als-ie z’n kop es niet houdt, had de vroedvrouw gezegd en zo was Kops aan zijn naam gekomen.
Bevallen en baby’s verstoppen in een britsenbarak was niet toegestaan, maar de vrouwen hoopten dat het Rode Leger met zevenmijlslaarzen naar Theresienstadt onderweg was, en daar hadden ze gelijk in.
Tante Fridrich, of een van mijn andere tantes, was niet bij de bevalling zelf aanwezig geweest, de geheime bevalling werd geleid door oudere, ervaren vrouwen die nu al dood zijn, ik vond het jammer dat mijn tantes toen nog zo jong waren, ze hadden me kunnen vertellen wie Kops’ moeder was, maar eigenlijk maakt dat geen donder uit! het meisje dat Kops had gebaard was waarschijnlijk in het tumult van de oorlogsdagen omgekomen, misschien was ze wel op een van de laatste transporten naar het Oosten gezet, of ze was volgens de tantes waarschijnlijk in een tyfusgraf geëindigd, vanwege de illegale bevalling zou ze toch de kogel hebben gekregen, zo had tante Fridrich het me uitgelegd.
Maar we hebben toch niet goed opgepast! zei tante Fridrich toen ze herinneringen aan de oude tijd in Theresienstadt ophaalde, tante Holopírko en tante Dohnal waren juist bij haar over de vloer, tante Fridrich liet haar blik over de wanden van haar kleine woning glijden waar ik naar informatie was komen vissen, toen klonk in tantes keel het borrelen van een onderdrukte lach, ten slotte barstte ze in lachen uit en tante Holopírko en tante Dohnal, die net als zij hun jonge jaren in Theresienstadt hadden doorgebracht, lachten ook.

Kops was onze oom, hij was de oom van al het grut in Theresienstadt.
Voor hem doorzochten we de gangen, nog nauwelijks gegroeid pasten we in elk riool waar het water oprees door het drijfafval, planken van hekken die door overstromingen van de weiden waren gespoeld, er rotte niks onder de grond, de waarschuwingsborden die het Monument had geplaatst waren een lachertje, een kind kon ze opzijschuiven, en de bunkers bij de verst gelegen bastions lokten het meest.
Maar het was geweldig om een buis te vinden, een oude stal alleen voor jezelf, de borstwering van de vesting waar bijna niemand kwam, waar flessen lagen en condooms, om je daar in een hoek te drukken, de randen en de krommingen van de muren te voelen en uit te rusten.
Van mama mocht ik helemaal niet naar buiten.
Je had in me moeten blijven, zei ze altijd tegen me. Daar had je het toch goed? Zelf kwam ze helemaal niet buiten.
Gek mens.
Mijn tantes uit de buurt, tante Fridrich, tante Dohnal, tante Holopírko en anderen mopperden zo af en toe een beetje op mama.
Dat komt daardoor! Zij kan er niks aan doen! Ze heeft toch geleden als een beest! zeiden ze.
Mama kwam nooit buiten, ze moest de randen en hoeken van de kamer in haar rug voelen, een klein plekje om te ademen was genoeg, ze wilde niet langer in een grote ruimte zijn, en toch is ze niet gestorven in het gekkenhuis, ze hebben haar nooit weggehaald, ook niet na die affaire toen ze me had vastgebonden in een kamertje zodat ik niet naar school kon, ook na die en andere affaires, toen ze me niet de wereld in wilde laten gaan, werd mama niet opgesloten, ze was immers een oorlogsheldin, dus kon ze bijna alles doen wat ze wilde en hoewel ze, nadat ik de stad had verlaten om naar school te gaan, zichzelf van het leven beroofde, was niemand daar verbaasd over, niemand besmeurde haar nagedachtenis, want mama was het slachtoffer van de ellende oftewel een oorlogsheldin, maar ook tegen mijn vader zei niemand iets, hij was ook een oorlogsheld, daar waren er bij ons in Theresienstadt zat van, ook ome Kops immers, die als enige reusachtige boeketten voor mama meenam, werd als een oorlogsheld gezien, zelfs door de wetenschappers en de wethouders van het Monument, hoewel hij alleen maar tijdens de oorlog in Theresienstadt was geboren, dus van al die verschrikkingen kon hij zich niets herinneren.

Wij, de laatste halsstarrige verdedigers van Theresienstadt, het laatste handjevol, werden geleid door ome Kops die in Theresienstadt was geboren, in Theresienstadt naar school was gegaan, bij het Monument had gewerkt en daar toen was weggegaan, en die in Theresienstadt vooral voorwerpen verzamelde.
Met ome Kops en Sára, die als eerste vanuit de buitenwereld naar ons toe was gekomen, hebben we de commune Comenium opgericht, onze internationale school voor studenten van over de hele wereld.
Die naam is bedacht door Grote Lea die meteen na Sára naar Theresienstadt kwam, we noemden ons instituut Comenium, naar de leraar der volkeren Jan Amos Comenius, voor wie de school een spel moest zijn.
Maar de hele boel is in duigen gevallen, zelfs in vlammen opgegaan, en nu ren ik naar Praag.
Dat heeft Alex geregeld, een Wit-Rus.
Hij heeft deze trip voor mij geregeld, want alleen mijn kop zit vol met Kops, met Kops’ plannen en vooral met zijn adressen en de contacten die wij geld aftroggelden, en al die rijkdom, die contacten, zitten opgeborgen in een flash, in een piepklein technologisch dingetje.
Ik noem het de Spin.
Kops is de enige op de wereld die niet alleen in Theresienstadt is geboren, maar hier ook zijn hele leven heeft doorgebracht.
En alles wat met Theresienstadt te maken had, niet met zijn beroemde en militaire verleden, maar vooral met zijn afgrijzenwekkende oorlogsverleden, was Kops’ passie, hij had decennia de tijd om voorwerpen bij elkaar te schrapen, en hij verzamelde toen ook zijn contacten die hem moesten helpen de stad te redden. De contacten gaf hij aan mij om ten bate van het Comenium geld van ze los te peuteren.
Want Kops stond erop om Theresienstadt in zijn geheel te behouden, met alle gangen, britsen, kelders, de krabbels op de muren, en ook met zijn leven, met alle inwoners, de groentewinkel, de strijkerij, de gaarkeuken enzovoort.
Ik ken die mensen allemaal.
Kops wilde niet dat van heel Theresienstadt alleen het Monument overbleef, en de educatieve routes, opgezet door de wetenschappers, die wilde niemand van ons, de laatste inwoners.
Ik heb al Kops’ contacten in de Spin zitten, ik omklem hem in mijn zak.
Omdat ik de Spin heb, heb ik een vluchtroute. Dat heeft Alex geregeld, hij wil dat ik hem in zijn land help. Hij wil in zijn land Kops’ plan voortzetten.

Ik loop nu door de nacht, die zit vol geluiden, het razen van auto’s, ze zoeven hier over de weg naar Praag. Ik loop door de greppel, vaak ga ik erin zitten, nestel me erin, met mijn rug in de aarde gedrukt, ik droom.
In Theresienstadt hoedde ik geiten tussen de wallen, een kleine kudde, ze moesten daar grazen, dat was noodzakelijk voor de weerbaarheid en ook de schoonheid van de vestingmuren, vaak leidde ik de kudde naar de verste wallen, wat een eervolle plicht was, zoals papa altijd zei. Vanuit Praag waren deze wallen altijd het eerste wat de talrijke delegaties zagen die eer kwamen bewijzen aan de Tsjechische patriotten, doodgemarteld in de Kleine Vesting, en aan de talrijke Joodse gevangenen, doodgemarteld en overal in Theresienstadt vermoord of op transport gezet naar de vernietigingskampen in het Oosten. Ja, juist deze wallen van rood baksteen, de laatste vanuit Theresienstadt en de eerste vanuit Praag, zijn het visitekaartje van de vestingstad, zei mijn vader-majoor, en vast juist daarom was er een ereborstwering, namelijk een enorm rood spandoek met het opschrift: voor altijd met de sovjet- unie en nimmer anders, helemaal hierheen joeg ik soms mijn kudde geitjes, dit was de laatste wal van de vestingstad.
Maar meestal graasde mijn kleine kudde recht onder de wallen, mijn geiten waren gek op dat gras, rood van het stof dat van de bakstenen van de vestingmuren kruimelde.
Mijn vader-majoor hoorde bij de bevrijders van Theresienstadt, hij arriveerde tijdens de laatste dagen van de oorlog in de stad, heeft daar mijn moeder ontmoet en werd uiteindelijk befaamd om zijn militaire parades op het plein van Theresienstadt, op die kolossale appelplaats, aangelegd onder Maria Theresia.
Nog altijd klinkt papa’s fanfare in mijn oren. Die speelde toen ik klein was en me in mama’s armen achter tapijten, sofa’s, spiegels, fauteuils en zo verder schuilhield, en de geur van haar hals en prachtige gezicht opsnoof, maar ook later, toen ik bij haar wegvluchtte naar de wallen toe, de bunkers in, en met de andere kinderen meeging, toen we de geiten hoedden en onder hun gemekker speelden, ook dan hoorden we de fanfare van Theresienstadt, het was de plicht van ons, de kleinsten van de stad, om de geiten tussen de vestingmuren door te drijven, later maakte vader daar een eind aan en ik ging naar school, daar zou ik door nieuwe militaire marsen worden gesmeed.
Mijn leeftijdgenoten zwermden ook uit naar militaire opleidingen en wie daar te dom voor was, kon nog naar de hulptroepen, de meisjes werden dan wasvouw of kokkin of hoer, de jongens voerman en mineur, zelfs de allerstomsten konden werk vinden als knecht in het abattoir, maar ik was een majoorszoon, dus van hulptroepen kon geen sprake zijn.
Het abattoir was in Theresienstadt, zou ik zo doen, ik zou er de oude geiten naartoe kunnen brengen, het lag op een steenworp afstand van de wallen, vlak naast de begraafplaats, maar ik moest naar school en meteen de dag nadat ik met papa was vertrokken ging mijn moeder dood, de tantes vertelden me later hoe het was gegaan: papa was van een repetitie met de regimentskapel teruggekomen, hij verrichtte de paar ingestudeerde handelingen om de woning binnen te komen, waar het meubilair dicht op elkaar was gestapeld om zo voor mama een veilige nis te vormen, enkel geschikt om adem te halen, maar ditmaal hing vader met het neerdrukken van de deurkruk mama op, ze had daar gehurkt klaargezeten om zo min mogelijk ruimte in te nemen, dat was net iets voor haar.
Ze was gek! zei tante Fridrich. Dat kwam van die shock in de kuil! zei tante Holopírko. Arm kind! zei tante Dohnal huilend toen ze me in haar brede, smoezelige schort verborg, maar ik was geen kind meer, ik was een deserteur uit de militaire school en daar stonden straffen op, spitsroeden lopen, knevelen, honderden kniebuigingen, ook de hoon van de manschappen tijdens het zwiepen van de stok en vooral het gore militaire cachot, maar daar had ik schijt aan, ik wilde naar huis, naar mijn geiten, ik had schijt aan straffen, en ik had gelijk ook, voor deze desertie en ook voor de volgende deserties kreeg ik niks, mijn vader was toch majoor.

Mijn vader voelde zich doodongelukkig door mij en hij ranselde me af voor de deserties, wat hem uiteindelijk lelijk heeft opgebroken.
De bron van mijn ongeluk was weer dat ik moest leren, door de afgelegen hallen van de schietbanen sjokken en ook door de leslokalen met enorme ramen, waardoorheen de hele wereld op mijn rug viel, ik droste telkens als het kon en ten slotte ook telkens als het niet kon, want ik zag kans om me zelfs door afgedichte ingangen te wurmen, altijd vond ik wel een mangat, ook al zat ik opgesloten, en kwam ik thuis, daar vonden ze me dan altijd in een nis in de wallen, waar van planken en bakstenen een geitenstal was gemaakt.
Daar kon mijn vader-majoor blind op varen.
En hup weer terug naar school.
Op school werd ik gedwongen Engels te leren, de taal van de vijand, en Russisch, de taal van de vriend, ik bleef maar leren, ik overleefde daar de last van de omringende wereld door enkel maar in lesboeken te turen, van boven naar beneden, mijn ogen vastgezogen aan de lesboeken, zo wist ik het uiteindelijk in de klas te rooien en nog meer! Misschien vooral dankzij die verplichte talen, meer kan ik me van die school toch niet herinneren, werd ik Kops’ rechterhand, betekende ik iets bij het opbouwen van het Comenium, waarmee ik in feite vaders nalatenschap voortzette, ik werkte voor Theresienstadt, en zoals Kops me later uitlegde toen hij zijn kolenschop op mijn schouder legde... op mijn manier verdedigde ik papa’s vestingstad, dus uiteindelijk zou mijn vader, wie weet, ondanks onze laatste ruzie die hij niet had overleefd, wel trots op me zijn.
Kan zijn.
Ten slotte werd ik van school getrapt, hoewel mijn vader majoor was. Ik was niet geschikt voor het leger.
Ik ging weer geiten hoeden en was toen gelukkig, want de andere jongens en meisjes waren groot geworden en er was geen nieuw grut, dus bleef ik alleen met mijn kudde.
Geiten, dat was in Theresienstadt bepaald geen plattelandsvermaak of zomaar een broodwinning, geiten waren het symbool van vestingsteden, het waren biologische gevechtsmachines.
De geiten hielden de doorgangen tussen de wallen vrij van onkruid en gras en struiken, de kwetsbare plekken van de vesting, of op dat moment Pruisische kanonnen het toppunt van militaire technologie waren, de ronde muren van Franse bastions, de Duitse Tigers, de Sovjet-katjoesja’s, bijgenaamd Stalinorgels, of welk ander, later vooral door de hamers van de Koude Oorlog gesmeed wonder dan ook, enkel de geiten met hun gulzige bek en eindeloze grasconsumptie hielden de wallen schoon.
Wat had je aan al die hoogwaardige militaire technologie als door een met onkruid begroeide greppel één enkele vastberaden infanterist naar de poorten van de stad kon sluipen en met de meest primitieve bazooka een bres kon slaan?
Als de geiten verdwijnen, valt elke vestingstad.
Vader vond het niet goed dat ik me alleen met de geiten bezighield, dat vond hij te min voor mij, hij wilde dat ik leerde de baas te spelen en te commanderen, met mijn bevelen mensen in machines te veranderen enzovoort. We hadden toen een vreselijke ruzie op de met rood stof bedekte vestingmuren. Daar laten de honderden jaren door kille winden geteisterde bakstenen het rode stof in microscopische wolkjes ontsnappen, zoals onderzeese dieren inkt laten ontsnappen. Tegen het einde van onze ruzie moet vader hebben doorgekregen dat ik al zo groot was geworden dat hij me niet meer kon slaan... vader greep naar zijn hart en greep ook naar mijn hand, ik dacht dat hij me van de muur wilde duwen, maar ik stond pal, hij was het die uitgleed en viel, hij plofte op zijn rug in het rode gras, mijn kleine geitenkudde stoof uiteen, ik liet me naar beneden zakken en kalmeerde ze door te roepen, vader reanimeerde ik precies volgens de instructies van school, maar tevergeefs.
Hij kreeg een grootse militaire begrafenis, de eenheden stonden aangetreden op het Centrale Plein van Theresienstadt en onder het geweld van saluutschoten marcheerden ze tot aan de avond door de stad, de beroemdste militaire kapellen uit de omliggende garnizoenen speelden op de begrafenis, het was misschien wel de mooiste begrafenis in de hele geschiedenis van Theresienstadt, zeiden mijn tantes en onze buurman, de groenteboer Hamácek. Iedereen vond de begrafenis prachtig. En natuurlijk werd ik ermee gelukgewenst door een hoop soldaten die destijds nog in de stad woonden. Maar daarna werd ik in de gevangenis gegooid.

© 2009 Jáchym Topol
Rights reserved by Suhrkamp Verlag Frankfurt am Main
© 2010 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Edgar de Bruin
Oorspronkelijke titel Chladnou zemí

© Foto O. Nemec

Uitgeverij Ambo|Anthos

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum