Leesfragment: Delle Weel

27 november 2015 , door Anjet Daanje

6 januari verschijnt de nieuwe roman van Anjet Daanje, Delle Weel. Vanavond kunt u al de eerste pagina's lezen en uw exemplaar reserveren.

Delle Weel is de naam van een personage uit een bekende televisieserie. Als chef-kok van haar restaurant verzet ze zich wanhopig tegen het dreigende faillissement. Tegenover haar man en haar personeel gedraagt ze zich onhebbelijk, uit egoïsme maar ook uit onzekerheid.

Hoewel Delle Weel buiten de grenzen van het televisiescherm niet bestaat beïnvloedt zij de levens van drie vrouwen die met het personage, en indirect met elkaar, verbonden zijn: de scenarioschrijfster, de actrice die de rol van Delle Weel vertolkt en de vrouw die ooit model heeft gestaan voor de chefkok. Maar wat gebeurt er met hen als het met Delle Weel bergafwaarts gaat?

De roman Delle Weel schetst op subtiele wijze onze moderne maatschappij waarin onder invloed van media en internet de grens tussen fictie en werkelijkheid steeds verder vervaagt. Anjet Daanje (1965) publiceerde vijf romans, een novelle en enkele verhalen. Zij kreeg in 2004 het Belcampo Stipendium toegekend. Naast proza schrijft Daanje ook filmscenario’s, waarvan er een werd bekroond met een Gouden Beer op het Internationale Filmfestival in Berlijn.

De keuken heeft bijna zijn kookpunt bereikt. Stoom puft uit de pannen met groenten en kreeft, hitte kringelt van de bakplaat omhoog, zweet biggelt langs de gezichten van de koks. Ze vegen het vergeefs met de mouw van hun koksbuis weg, in de hoop dat Delle niet ziet waarnaar de druppels op weg zijn en hun spottend zal vragen of hun lichaamssap een exotische specialiteit is die ze voortaan op de kaart moet zetten. Ze ziet alles, weet alles, proeft alles. Achter haar rug, terwijl ze de keuken schoonmaken, vertellen de koks elkaar over haar onhebbelijkheden. Alwin die ze vroeg om zijn hand op te houden waarna ze er een hap te lang gekookte risotto in spuugde. Cor die ze altijd Knorr noemt omdat hij één keer, slechts één keer, op een feestje nota bene, het verschil tussen eigengemaakte mosterdsaus en die uit de supermarkt niet had geproefd. Ze boenen terwijl ze stiekem van de restjes eten, en ze roddelen. Ze geloven dat ze haar haten, hoe meer ze over haar praten hoe erger het wordt. Maar als ze koks spreken die onder een aardiger, minder om - streden chef werken, merken ze tot hun verbazing dat ze eigenlijk trots op haar zijn. Haar grove beledigingen blijken bewijzen van haar liefde voor het vak te zijn, haar tergende perfectionisme wordt ineens noodzakelijk om hemels te kunnen koken.
‘De zeebaars, Rein, hoe lang nog?’
‘Nog vijf minuten, chef.’
‘Vijf minuten?! Je hoeft hem niet de laatste sacramenten toe te dienen, alleen te pocheren.’
Rein zwijgt en wrijft een lamsrugfilet in met een mengsel van knoflook en olijfolie.
‘Wat zeg je? Ik hoor je niet.’
‘Ja, chef.’
‘Wat, ja chef?’
‘Het duurt wat langer chef, want ik was…’
‘Bel het journaal! Wat was Rein aan het doen toen hij zeebaars moest pocheren? Dat wil iedereen weten. Wereldnieuws.’
‘Ja, chef.’
Alsof ze een vreemde is ziet Delle zichzelf soms in haar eigen keuken staan, in haar hagelwitte koksbuis met haar naam op haar borst geborduurd, strooiend met giftige scheldwoorden omdat de ossenhaas en de avocadopuree niet tegelijkertijd klaar zijn, omdat er zand bij de bospaddenstoelen zit, omdat de rode wijnsaus koud is. Van de chefs waaronder ze heeft gewerkt, bewondert ze Gideon Serré het meest. Hij schold nooit, verhief zelfs nooit zijn stem. Hij praatte zo zacht dat zijn koks doodstil werden als hij sprak, anders verstonden ze hem niet. Als er wat mis ging in de keuken, stond op zijn gezicht te lezen hoe vreselijk hij dat vond, en haastten zijn koks zich om het probleem op te lossen in de hoop de gepijnigde blik van hun chef te zien veranderen in een glimlach. Zo kan Delle geen keuken leiden, ze zou het willen, maar ze kan het niet. Zij heeft woorden nodig en heel veel misbaar, en zelfs dan is ze nog bang dat de controle over haar luie, roddelende, op macht beluste, witte brigade haar ontglipt. Ze vecht zich door de lunch en het diner heen, met altijd dezelfde twijfels als de eerste bestelling binnenkomt, en dezelfde opluchting als de laatste gerechten de keuken verlaten. De dag waarop ze ’s ochtends al zou weten dat iedere maaltijd volstrekt volmaakt op tafel zou belanden, zou ze een geheel nieuwe kaart introduceren, haar personeel ontslaan en opnieuw beginnen, alleen om weer met een droge mond van angst de eerste bestelling te kunnen annonceren, en om moegestreden en gelukkig na afloop van het diner met Selwyn de halfvolle fles keukenwijn te kunnen opdrinken en hem te laten vertellen over de klanten waarvoor ze heeft gekookt, klanten die zij niet kent, klanten die geen idee hebben wie zij is, maar die haar gerechten nooit meer zullen vergeten.
Selwyn loopt in de eetzaal geruisloos tussen de tafels door. Als hij passeert praten de gasten doodgemoedereerd verder over hun vertederende of lastige kinderen, hun zielige of ergerlijk gelukkige vrienden, hun levendige of ingedommelde seksleven. Ze merken hem niet op, want hij is precies zoals ze verwachten, keurig gekleed, beleefd, begripvol, met alleen een eigen mening als die van hem wordt gevraagd. Hij bestaat niet, net zo min als de keuken die zich achter de klapdeur in een onbekende, verontrustend banale wereld bevindt.
Hij blijft staan bij tafel zes waaraan vier mensen zitten. Twee stellen, denkt hij, de vrouwen zijn vriendinnen. De mannen doen hun best om elkaar aardig te vinden. Hij vraagt of ze al een keuze hebben kunnen maken. Ze twijfelen nog. Een van de vrouwen wil weten wat hij hun aanraadt. Hij zegt dat de zalm met Hollandse asperges een van zijn lievelingsgerechten is. Maar hij denkt aan de lage inkoopprijs van de zalm, niet aan de smaak. Terwijl de gasten overleggen en twijfelen tussen de zalm en de steenscholfilet, en misschien ook het wild zwijn met bospaddenstoelen, of toch de zeebaars, ziet hij dat Jolijn moeilijkheden heeft bij tafel elf. Hij geeft de gasten aan tafel zes beleefd nog wat bedenktijd zodat hij intussen naar tafel elf kan.
Als hij de twee klanten aan tafel elf vraagt of er een probleem is, zegt de man verontwaardigd dat er een haar in zijn gepocheerde zeebaars zit. En dat voor een gerecht van meer dan dertig euro! Jolijn wisselt een blik met Selwyn. Ze gelooft de man niet. Ze denkt dat hij indruk wil maken op de vrouw die tegenover hem zit. Maar Selwyn biedt onmiddellijk zijn excuses aan en belooft binnen tien minuten een nieuwe zeebaars. Buiten gehoorsafstand van de gasten geeft hij het bord aan Jolijn en geeft haar op gedempte toon de opdracht om de haar eruit te halen en het gerecht te laten opwarmen. Opwarmen? Hij leest verbazing op haar gezicht. Ze aarzelt. Hij herhaalt het nog eens: haar eruit, opwarmen. Met tegenzin loopt ze met het bord in haar handen naar de klapdeur, een scheldkanonnade van Delle tegemoet. Hij zou zelf moeten gaan, maar zoals zij zich in haar veilige keuken heeft verschanst, zo verstopt hij zich in zijn eetzaal tussen beschaafde gasten die niet lijken te weten wat schelden is. Ze gebruiken beiden het personeel om hun standpunt kracht bij te zetten. Zij stuurt hem een kok met dure, volstrekt overbodige aanvullingen op de menukaart. Hij stuurt haar Jolijn met een denkbeeldige haar in een zeebaars.
Delle ziet Jolijn aankomen met het volle bord in haar handen, ze doet alsof ze het te druk heeft. Ze annonceert de hoofdgerechten voor tafel vier, geeft Daan op zijn kop omdat hij de ratatouille niet proeft nadat hij er basilicum bij heeft gedaan, ze laat de nagerechten voor tafel negen uitserveren. Jolijn wacht onhandig tot de chef haar opmerkt, terwijl de koks vol leedvermaak uitzien naar de berisping die Delle haar ongetwijfeld gaat geven.
‘Wat sta je daar nou?’ zegt Delle. ‘Denk je dat ik helderziend ben? Als je wat wilt moet je je mond opendoen.’
Jolijn zegt dat de man aan tafel elf beweert dat er een haar in de zeebaars zit.
‘Een haar?’ herhaalt Delle ongelovig.
Jolijn knikt. ‘Een lange,’ zegt ze. ‘Maar hij kon hem niet aanwijzen.’ Er klinkt ironie in haar stem. Domme, verwaande klanten.
Delle pakt het bord uit haar handen, en inspecteert de zeebaars van alle kanten. Ze trekt een donkere haar van bijna tien centimeter uit het gerecht. De koks die hoopten dat Jolijn voor hun ogen op haar nummer zou worden gezet, zodat het bedienend personeel ook eens merkt hoe zwaar het is om in de keuken te werken, voelen de bui hangen en concentreren zich haastig op hun ratatouille, hun krabtaartjes of hun millefeuille. Daan wijst onopvallend naar het donkere haar van Lucas. Sander schudt zijn hoofd en knikt in de richting van Rein die immers de zeebaars heeft gepocheerd.
‘Hoe ziet de klant eruit?’ wil Delle van Jolijn weten.
Jolijn begrijpt niet wat ze bedoelt.
‘Ga even kijken,’ dringt Delle aan.
Jolijn opent de klapdeur op een kier en gluurt de eetzaal in.
‘Donkerblauw kostuum,’ bericht ze, ‘lang, een buikje…’
‘Zijn haar!’ zegt Delle.
Hij blijkt halflang, donker haar te hebben. De haar in de zeebaars is van hemzelf. Jolijn en de koks lachen opgelucht.
‘Wilt u dat ik hem dat ga vertellen?’ vraagt Jolijn. In Delles aanwezigheid doet ze vaak uitspraken waarvoor ze zich later schaamt. Ze kan niet nadenken terwijl de chef tegenover haar staat. Het is alsof Delle in haar hoofd kruipt en alles wat ze zou kunnen zeggen al belachelijk maakt voordat ze het kan formuleren.
Delle zegt dat ze dat vooral moet doen, als ze tenminste de rest van haar leven in de garderobe wil werken tussen de natte, ongewassen jassen, waar het hoogtepunt van haar avond een gast is die zijn paraplu vergeet.
Jolijn knikt hulpeloos.
‘De haar is niet van de klant,’ zegt Delle. ‘Hij is van jou.’
‘Maar ik ben blond, en…’
Delle kijkt haar doordringend aan. Jolijn slikt het einde van haar zin in. Ze weet wat de chef bedoelt. De klant heeft altijd gelijk, ook al heeft hij ongelijk.
Delle keert zich naar de keukenbrigade en annonceert het gerecht voor de man aan tafel elf opnieuw, maar Jolijn valt haar schichtig struikelend over haar woorden in de rede. Ze zegt dat de maître wil dat de zeebaars wordt opgewarmd, dat heeft hij gezegd, zij kan het ook niet helpen. Ze durft de chef niet aan te kijken terwijl ze de belediging overbrieft.
Delle voelt verontwaardiging in zich opborrelen. Opwarmen?! Gaan ze nu al opwarmen? Mijn God! Waarom maken ze niet direct een snackbar van Dellecieus? Dan kunnen ze de restjes van vorige week serveren, in smerig vet frituren, haren in de gehaktballen bakken. Het maakt niet uit. Zolang het maar geen geld kost.
Ze staat op het punt om uit te vallen tegen Jolijn, maar dan ziet ze haar angstige gezicht, alsof ze meent dat Delle haar zal slaan. Ze houdt zich in. Het personeel kan ook niet helpen dat Selwyn het restaurant om zeep wil brengen.
‘Vertel de maître dat we de zeebaars opnieuw maken,’ zegt ze kortaf. ‘Als hij daar een probleem mee heeft, komt hij me dat maar zelf vertellen.’
Jolijn knikt opgelucht. Ze loopt snel de keuken uit voordat de chef de kans krijgt om zich te bedenken. Delle roept naar de koks: ‘Eén keer gepocheerde zeebaars, ratatouille, saus van chorizo… En Rein als ik ook maar één haartje in de zeebaars vind, dan scheer ik persoonlijk je hoofd kaal.’
‘Ja, chef.’
Delle denkt dat Selwyn haar probeert te straffen omdat haar plan om Dellecieus te redden is mislukt. Hij weet dondersgoed dat zij geen gerechten gaat opwarmen. Zij is op z’n best een redelijke chef, een chef voor een grillrestaurant of een pizzeria, een chef voor opwarmen in magnetrons, geen chef voor een Michelinster. Dat probeert hij haar al weken, sinds het verschijnen van de Guide Rouge, als een mokkend kind duidelijk te maken. Hij is boos, maar niet op haar, op zichzelf. Hij had nooit op haar moeten vertrouwen toen ze hem plechtig beloofde dat al hun zorgen als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen als ze maar een Michelinster kregen. Zij denkt nog steeds dat ze de ster zouden hebben gewonnen als hij er ook in had geloofd, als hij bereid was geweest om er net zo hard voor te werken als zij.
Terwijl Jolijn hem vertelt dat Delle de gepocheerde zeebaars voor tafel elf opnieuw maakt, denkt Selwyn dat hij al die tijd wist dat ze de Michelinster niet zouden krijgen, hij heeft er alleen uit liefde voor haar in geprobeerd te geloven. Hij houdt meer van haar dan van het restaurant. Dat is het probleem. Hij denkt wel eens dat zij meer van haar keuken houdt dan van hem. Dat is ook een probleem.

Laila komt Selwyn vertellen dat Laurien Karman net is binnengekomen en haar jas in de garderobe afgeeft. Ze vraagt met een insinuerende lach of ze haar aan tafel twintig zal neerzetten, hun slechtste tafel, bij de deur naar de keuken. Selwyn kijkt in het reserveringsboek. Alle tafels zijn bezet. Hij geeft Laila opdracht om Laurien een glas champagne aan te bieden in de lounge, en haar over een kwartiertje tafel twee te geven, als de gasten van halfzeven zijn vertrokken.
Laila zwijgt verrast. Tafel twee is een van hun beste tafels, bij een raam, rustig, ver van de buitendeur. Ze dacht dat het personeel geacht werd Laurien Karman te haten omdat zij verleden jaar een concurrerend restaurant op loopafstand van Dellecieus was begonnen.
Selwyn zoekt Laurien op in de lounge. Hij geeft haar een hand en feliciteert haar met haar Michelinster. Laurien zegt met valse bescheidenheid dat ze het helemaal niet hadden verwacht. Volgend jaar misschien, als de chef en de keukenbrigade volledig op elkaar zouden zijn ingespeeld, maar niet zo belachelijk snel. En dat terwijl Dellecieus nog geen driehonderd meter verderop ligt en al meer dan vijf jaar bestaat. Ze hoopt dat Delle niet al te erg teleurgesteld is omdat zij haar ster hebben gekregen. Ze kijkt Selwyn doordringend aan. Het is een steek onder water. Zelfs nu de strijd is beslecht, nu zij zo verpletterend heeft gewonnen, kan ze het niet laten. Ze komt bij de verliezers eten. Het voorgerecht is een pesterij, het hoofdgerecht een flinke vernedering, het dessert een trap na.
Alsof ze naast hem staat ziet hij ineens Delle voor zich, zoals ze in haar strak gesteven koksbuis de keuken bestuurt, een cynische glimlach rond haar mond die moet verhullen hoeveel ze om haar gerechten, om hun restaurant geeft, zo veel dat het haar pijnlijk kwetsbaar maakt. En ze heeft niemand om haar te beschermen tegen de dolkstoten van Michelin, Laurien Karman, en onbenullige klanten. Ze heeft alleen hem. Hij zou Laurien aan haar haren het restaurant uit willen sleuren, naar de keuken willen gaan en daar Delle in zijn armen nemen, en doen wat hij al weken geleden had moeten doen, toen hij veel te overtuigend gelijk kreeg. Het was alsof hij had gewild dat Douceur de vivre van Laurien Karman een Michelinster kreeg, alleen om Delle te bewijzen dat zij zich aan onrealistische verwachtingen vastklampte. Maar hij is niet heroïsch. Hij is een maître.
Hij zegt kalm dat het onzin is om te veronderstellen dat Laurien Delles ster heeft gekregen, en dat het winnen van een Michelinster, het behouden ervan, de verwachtingen die het schept, een zware opgave kan zijn. Laurien glimlacht geamuseerd. Ze proeft jaloezie in zijn woorden.
Het doet hem goed dat ze merkt dat hij Delle op zijn eigen bescheiden manier verdedigt. Terwijl hij wegloopt, om haar in haar eentje van haar glas Henri Giraud te laten genieten, voelt hij zich alsof hij haar werkelijk het restaurant uit heeft gesmeten. Delle weet het nog niet, maar er is iets veranderd. Ze hebben ineens weer samen een restaurant, geen strijd meer, geen gelijk, geen ongelijk, tijd voor een verzoening. Hij staat op het punt om door de klapdeur haar wereld te betreden en het haar te vertellen, maar dan ziet hij meneer en mevrouw Weesenbeek binnenkomen, vaste klanten die hij moet begroeten.
Het komt er niet van, het gesprek met Delle. Hij denkt dat het wel kan wachten tot na het diner, als ze moe en tevreden en zachtmoedig is. Maar als hij een kwartier later de bestelling van Laurien opneemt, en zij voor de zalm kiest, weet hij dat hij het moment voor de verzoening voorbij heeft laten gaan. Het is te laat. Hij probeert Laurien nog onopvallend de zalm uit het hoofd te praten, maar zij merkt dat er wat mis is. Ze vraagt achterdochtig of de Hollandse asperges vers zijn, of de wilde Atlantische zalm gemarineerd in groene kruiden niet stiekem gekweekt is. Hij kan niet anders dan haar geruststellen. In Dellecieus serveren ze alleen het allerbeste. ‘Als jij het zegt,’ besluit ze ironisch terwijl ze de menukaart dichtklapt.
Selwyn gaat niet zelf naar de keuken. Dat lijkt hem het verstandigste. Hij stuurt Laila met de bon voor tafel twee naar Delle, en drukt haar op het hart om de chef te vertellen dat ze de bestelling met voorrang moet behandelen.
Hoewel Selwyn Laila niet heeft opgedragen om de chef over Laurien Karmans aanwezigheid in te lichten, doet ze dat natuurlijk toch, omdat Delle wil weten waarom de bestelling voor tafel twee zo dringend is. Als de naam Laurien Karman valt, wordt het doodstil in de keuken. De koks herinneren zich nog de woede-uitbarsting die de chef een paar weken geleden heeft gehad toen ze in de Guide Rouge las dat, zoals zij het noemde, de steriele kaktent van Laurien Karman een Michelinster had gekregen en Dellecieus, waar eerlijk eten wordt gemaakt, eten dat nog smaakt waarnaar het behoort te smaken, blijkbaar niet eens een Bib Gourmand waard was.
Delle bekijkt in de angstig stille keuken de bon voor tafel twee. Vooraf een krabtaartjemet basilicumen tomatenmousse, de wilde Atlantische zalmmet asperges als hoofdgerecht, en als dessert de crème brûlée van koffie. Geen lastige gerechten. Ze nam aan dat Laurien was gekomen om haar te vernederen, want ze hebben elkaar nog niet gesproken sinds haar overwinning, maar nu begint ze te twijfelen. Laurien is doortrapt. Delle kan niet geloven dat ze voor de aardigheid bij de concurrent gaat eten. Ze wil iets van hen. Een onbestemd dreigend gevoel bekruipt haar, alsof Laurien dit allemaal heeft gepland, de Michelinster, de weken waarin ze niets van zich heeft laten horen, zelfs geen reactie op de grote bos bloemen dieDelle en Selwyn als goede verliezers bij Douceur de vivre hebben laten bezorgen, en nu dit, op een doodgewone doordeweekse avond eten bij haar in slaap gesuste tegenstanders.
Met luide stem, die haar twijfels moet overstemmen, annonceert Delle de bestelling en voegt eraan toe dat ze Laurien Karman eens even zullen laten zien wat koken is. Dit wordt een culinaire belevenis die ze niet meer gaat vergeten. De gerechten verlaten de keuken niet voordat ze volmaakt zijn, voordat Delle er helemaal niets meer op aan te merken heeft. Begrepen?
‘Ja, chef!’ antwoorden de koks, terwijl ze achter haar rug vertwijfelde blikken wisselen. Dit wordt nog erger dan vorig jaar op de huwelijksreceptie van de chef en de maître, waarop zij de ingehuurde chef-kok met veel misbaar de keuken uitstuurde en zelf in haar trouwjurk de keuken overnam, omdat zij, zoals ze zei, niet wilde dat haar gasten uitgedroogde, gierige crematiehapjes voorgeschoteld kregen, maar overheerlijk eten zodat iedereen tenminste deze ene dag kon geloven dat hun huwelijk een goed idee was.
Terwijl de andere koks zich bezighouden met minder belangrijke tafels, maakt Sander met trillende handen een krabtaartje voor Laurien Karman. Delle loopt zo nu en dan langs, blijft naast hem staan en kijkt toe, maar ze levert geen commentaar. Als hij het voorgerecht naar de uitgifte brengt, bekijkt en proeft ze het zorgvuldig.Ze zegt niets, geen compliment, geen kritiek, ze knikt alleen, nauwelijksmerkbaar. Sander ontspant zich.De andere koks slaken eveneens een zucht van verlichting. Ze hebben het idee dat ze het hoofdgerecht nu ook naar volle tevredenheid moeten kunnen maken.
Delle maakt het bord voor Laurien op, het krabtaartje exact in het midden, de tomatenmousse er in lichtzinnige halen omheen, net niet symmetrisch zodat lijkt of het nemen van de eerste hap de orde zal herstellen. Ze wenkt Laila en geeft haar het voorgerecht mee. Terwijl zij door de klapdeur verdwijnt waarachter Selwyn zijn werk doet, hoopt Delle dat hij haar persoonlijk zal komen vertellen wat Laurien van het krabtaartje vond, dat hij niet weer Laila of Jolijn stuurt. ‘Rein, Daan,’ zegt ze, ‘over een kwartier de zalm en de asperges voor tafel twee.’
‘Ja, chef.’
Maar als Delle na twintig minuten de zalm en de asperges proeft, gaat het alsnog mis. De zalm heeft te weinig smaak. Ze scheldt op Rein en vraagt of hij wel beseft hoe weinig wilde zalm er op de wereld is, hoeveel moeite er is gedaan om dit prachtexemplaar te vangen, allemaal zodat hij uiteindelijk in zijn pan zou belanden, en dan heeft hij het lef om er een slappe, zouteloze borrelhap van te maken. Onacceptabel. Ze veegt het bord leeg in de vuilnisbak.
Rein bereidt zenuwachtig een nieuwe zalm. Hij gebruikt meer kruiden in de hoop dat de chef het niet meer flauw zal vinden. Dat heeft een averechts effect. Delle proeft de smaak van de zalm amper. De vis is vet en waterig. Dit kunnen ze Laurien Karman niet voorzetten. Ze stuurt Rein voor straf naar de koude nagerechten en maakt zelf de zalm voor tafel twee. Maar als ze hem proeft smaakt hij net zo als die van Rein. Ze begrijpt ineens wat er aan de hand is. Ze wendt zich tot haar souschef, Remy, en vraagt of hij zich vanmorgen door de leverancier heeft laten bedonderen. Dit is gekweekte zalm. Geen wilde Atlantische zalm. Remy durft haar niet aan te kijken. Hij knikt. Ja, chef. Hij weet het. Het is gekweekte zalm.
Daar kan Delle met haar verstand niet bij. Hij koopt bewust gekweekte zalm, terwijl er exclusieve wilde Atlantische zalm op de kaart staat. Dat is oplichterij. Net zoiets als iemand een Volkswagen verkopen als je hem een Rolls-Royce hebt beloofd. Wil hij dat ze bekend komen te staan als het restaurant waar ze hun gasten belazeren?!
Remy mompelt beschaamd dat hij de gekweekte zalm helemaal niet wilde. Het is niet zijn schuld. Het moest van de maître.
Selwyn stelt al de hele avond Delles geduld op de proef, zeebaarzen opwarmen, onnozele serveersters met berichten sturen omdat hij zelf te laf is om haar in de ogen te kijken. Nu is hij echt te ver gegaan. Ze roept Jolijn terug, die net met de nagerechten voor tafel tien de deur uitloopt, en eist dat zij de maître in de keuken ontbiedt. ‘Als hij weigert te komen, dan maak ik een scène midden in de eetzaal. Zeg dat maar tegen hem.’

[...]

Verder lezen? Zie AnjetDaanje.nl.

© Anjet Daanje

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum