Leesfragment: Dicht bij Elsschot

27 november 2015 , door Wieneke 't Hoen

Deze week verschijnt van Wieneke ’t Hoen Dicht bij Elsschot, een uitgave ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Dicht bij Elsschot’ in het Letterenhuis, Antwerpen, van 30 mei tot en met 31 december 2010. Vanavond kunt u al de eerste pagina's lezen.

’K heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen
aan al de passies van een menschenleven;
ik heb den beker huilend hoog geheven
en aangegaapt met lippen gulzig open.

Bovenstaande regels zijn niet geschreven door een oude man die terugblikt op zijn leven maar door een jongen van achttien. Ze bereikten in kleine kring een zekere status alhoewel ze pas na de dood van de dichter gepubliceerd werden. Ze zijn tekenend voor Alfons De Ridder, de schrijver van het gedicht, die als Willem Elsschot bekend zou worden.

In verhalen over hem keren steeds zijn talent, zijn taalgevoel en zijn streken terug. Hij wilde niet deugen op de middelbare school, had daarna allerlei baantjes en kwam toen terecht bij sociëteit De Kapel, waar hij het gedicht voor het eerst ten gehore bracht. Het sloeg in als een bom.

1882–1906

Vader Christiaan De Ridder, bakker aan de De Keyserlei in Antwerpen, zag al vroeg een schrijver in zijn zoon. In een brief uit 1895, geschreven twee weken na Alfons’ dertiende verjaardag, liet hij weten: ‘Bij onze Fons is eenen geheelen omkeer gekomen. Onze Jan zal ik maar zeggen, houdt er zich dagelijks eenigen tijd mede bezig en sedert dien heeft hij groote vorderingen gemaakt, wel zoodanig dat zijnen professor twijfelt of hij zijn werk wel alleen maakt. Over eenige dagen moest hij het park beschrijven bij winterdag. Ik begrijp niet hoe zoo een caboterken zoo iets kan aan een brengen, het was iets buitengewoons, waardig om gedrukt te worden, gelijk mijn Mieke dikwijls zeide van dien normalist.’ Twee jaar nadien meldde zijn vader dat hij de ‘eerste in het vlaamsch [was], ook in de overige vakken kan het er nog al door’.
Zijn favoriete vak op school was dan ook Nederlands; zijn leraren Pol de Mont en Engelbert de Chateleux zouden blijvende invloed uitoefenen. De laatste omdat hij gedistingeerd was, Multatuli kende en volgens Elsschot onberispelijk Nederlands sprak. De Chateleux liet hem voorlezen en hield de baldadige jongen de hand boven het hoofd. De Mont liet zijn jongens kennismaken met de toen moderne Nederlandse literatuur van Willem Kloos, Lodewijk van Deyssel, Herman Gorter en Frederik van Eeden. Zijn overtuiging dat het Vlaams een grote inhaalslag moest maken ten opzichte van het toen alomtegenwoordige Frans sprong over op de wilde pubers.
Toen Alfons’ zus haar kind Yvonne had genoemd in plaats van ‘Aagje, Leentje, Hedwig, Kora of iets in dien aard’, voelde hij zich gedwongen zijn oprechte verontwaardiging daarover uit te spreken. En hij was lid van het leesclubje Flandria, dat uitsluitend oorspronkelijk Nederlandse boeken aanschafte. Voorzitter was schoolvriend Ary Delen. Bij uitgever Desider Claes bedelde die om een of meer brochures over de Vlaamse Beweging. ‘Wij zijn allen jonge Flaminganten vol liefde voor onze moedertaal, vol bewondering voor onzen Nederlandschen stam. Geen wonder dus dat wij gaarne alles zouden kennen wat daarop betrekking heeft.’

Klassenfoto lagere school, Stedelijk Onderwijsgesticht No. 2, Van Maerlantstraat, studiejaar 1890-1891. Alfons De Ridder op de eerste rij, tweede van rechts.
Klassenfoto lagere school, Stedelijk Onderwijsgesticht No. 2, Van Maerlantstraat, studiejaar 1890-1891. Alfons De Ridder op de eerste rij, tweede van rechts.

In de zomer van 1899 verliet Alfons De Ridder op zeventienjarige leeftijd zonder diploma het atheneum. Hij was brutaal, opstandig en zijn prestaties waren daardoor zo achteruitgegaan dat hij weer zou blijven zitten, waar hij geen zin in had. Hij werd loopjongen bij graanhandel Kahn & Schoen, later bij de scheepsagentuur Tonnelier & Schepens. In Een Ontgoocheling zouden vergelijkbare bedrijven terugkomen; Kareltje de Keizer loopt ook door de haven met een stapel vrachtbrieven onder zijn arm.
Buiten werktijd om vermaakte Fons De Ridder zich prima. Hij schreef gedichten en ging uit, vaak in gezelschap van Ary Delen. Die herinnerde zich in 1955: ‘Ik ontmoette hem toen op Zomerse Zaterdagavonden op het Groenkerkhof, waar op de kiosk Poète et Paysan van Suppé en andere meeslepende muziek werd afgedreund, en waar we wandelden, in de lauwe avondlucht, tussen de toenmalige Antwerpse “jeunesse dorée”, van jonge kantoorklerkjes en babbelende kokette naaistertjes. Op Zondagmiddagen zaten we in dit gezellige 19de eeuwse café Het Nachtlicht nabij het Groenkerkhof, beroemd om zijn heerlijk pittig gerstenbier.’
De nieuwsgierigheid naar literatuur en kunst die op school met name door Pol de Mont was gewekt, groeide uit tot een grote liefde. Ze lazen, gingen naar het museum en Elsschot schreef. Voornamelijk gedichten vol verlangen, smart en hartzeer. Delen: ‘Ik ging hem bijna dagelijks opzoeken in zijn oudershuis in de Cuylitsstraat, waar het lieve moedertje De Ridder de vrienden van hare Fons steeds gastvrij ontving. Daar zaten we in het nauwe bovenkamertje, waar we, in de geurige walmen van onze Semois-tabak, elkaar onze nieuwste ontdekkingen op het gebied der fraaie letteren meedeelden en onze eigen dichtproeven opdreunden. Soms kon Fons van zijn jongste zuster Emma gedaan krijgen dat zij op de piano in het salon een aria van Beethoven of een lied van Schumann tokkelde, hetgeen hem met een bevende stem en een traan in de ogen deed mompelen: – Schoon, he?
De Zondagvoormiddagen waren dikwijls gewijd aan tochten door het Museum, waar we opgetogen drentelden van het ene meesterstuk naar het andere. Fons had er een goedkoop boekje met reproducties gekocht. De prentjes had hij uitgeknipt en die welke zijn voorkeur hadden, vastgeprikt op de muren van zijn kamertje.’

Alvoorder tijdens een boottocht op de Schelde, ca. 1901. Achterste rij: Constant van den Oever, Louis Speleers. Middelste rij: Jan Jacobs, Lode Baekelmans, Jef Beuckeleers, Alfons De Ridder, Jan Eelen. Onder: Ary Delen en Karel van den Oever.
Alvoorder tijdens een boottocht op de Schelde, ca. 1901. Achterste rij: Constant van den Oever, Louis Speleers. Middelste rij: Jan Jacobs, Lode Baekelmans, Jef Beuckeleers, Alfons De Ridder, Jan Eelen. Onder: Ary Delen en Karel van den Oever.

De Kapel en Alvoorder

De jongens werden bohemiens. Aan de Falconrui in De Kapel verzamelden zich elke avond voornamelijk jonge mannen die elkaar voorlazen, discussieerden, dronken en lol maakten. Ze waren anarchistisch en wilden kennisnemen van ontwikkelingen in politiek, literatuur en samenleving.Mannen van naam gaven er lezingen, onder wie Stijn Streuvels, Frederik van Eeden en Domela Nieuwenhuis. Delen en De Ridder bezochten De Kapel vaak. Hier was het dat Elsschot zijn vers ‘’K heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen’ voordroeg. Hier ontstonden vriendschappen voor het leven, met schrijvers, schilders, beeldhouwers. Sommigen werden beroemd, de meesten zouden later hun vrije bestaan moeten verruilen voor een keurig baantje bij de gemeente of elders.
Het leven lonkte. Ary Delen: ‘We zochten andere avonturen. Daarvoor zorgde onze goede vriend Jef Beuckeleers, thuis in de Antwerpse scheepvaartmilieus. Er werd een zeilschuit in huur genomen, met de schipper en zijn knecht inbegrepen. Iedere deelnemer betaalde zijn aandeel in de kosten, circa 45 frank, en zou overigens bijdragen tot de nodige proviand. Daar waren, behalve Jef Beuckeleers, Lode Baekelmans, Jan Eelen, Karel van den Oever en zijn broer Constant de schilder, Walter Vaes en zijn broer Flor, Jan Jacobs, René Leclercq, Louis Speleers, [...] ik zelf en ten slotte ook Alfons de Ridder. [...] Hij had lang getwijfeld of hij aan onze tocht zou deelnemen: centen en proviand betekenden zeker voor hem een lastig vraagstuk.Maar een half uur vóór het vertrek van onze boot kwam hij op de kade aangedraafd, met in de arm een onaangesneden Hollandse kaasbol, welke hij op ’t laatste moment uit zijn moeders keukenkast had weten machtig te worden.’
Uit de groep van De Kapel ontstond het tijdschrift Alvoorder, waarin Alfons De Ridder, toen nog onder zijn eigen naam, in oktober 1900 debuteerde met een handvol gedichten. De invloed van de Tachtigers is duidelijk aan te wijzen, een eigen stem ontbreekt nog. In vier afleveringen publiceerde hij zeven gedichten. Korte tijd na zijn debuut verscheen nog een gedicht in Arbeid, dat in Nederland werd uitgegeven door C.A.J. van Dishoeck en wel wat aanzien had. Ary Delen was bij beide tijdschriften betrokken.
In dezelfde periode leerde Elsschot zijn toekomstige vrouw Joséphine (Fine) Scheurwegen kennen. Geheel onbedoeld raakte ze zwanger, en op 29 augustus 1901 werd hun zoonWalter geboren. Vader Alfons verbleef op dat moment bij zijn zusMarie in Brugge, waar hij enthousiast de kunstschatten bewonderde. Alfons en Fine trouwden niet. Zij bleef bij haar ouders in Antwerpen-Berchem wonen, hij bij de zijne in Antwerpen-Zuid.Walter zou de eerste jaren van zijn leven niet De Ridder maar Scheurwegen heten.

Groepsfoto van de nsk bij haar school aan de Schildersstraat. Tweede rij in het midden De Ridder met baardje en snor, links onder hem Ary Delen.
Groepsfoto van de nsk bij haar school aan de Schildersstraat. Tweede rij in het midden De Ridder met baardje en snor, links onder hem Ary Delen.

Studententijd

Er moest iets veranderen, het losse leven kon niet duren. Aangemoedigd door zijn oudere broer Karel deed Fons toelatingsexamen voor het Institut Supérieur de Commerce d’Anvers. Hij slaagde tot ieders verbazing glorieus en begon zijn studie terwijl zijn lief bij haar ouders thuis zat met hun zoon. Vol overgave stortte Elsschot zich in het studentenleven. Hij werd actief lid van de Vlaamsgezinde Nederlandsche Studenten Kring (nsk). Die onderhield onder meer contact met Gentse studenten van ’t Zal wel gaan, een (Nederlandse-)taalminnend studentengenootschap. De Gentse universiteit was toen nog Franstalig, de strijd voor een Nederlandstalige universiteit zou een belangrijk actiepunt zijn in de Vlaamse Beweging.
De Ridder was een gangmaker en werd dichter van de vereniging, onder de naam Absolon, zijn eerste pseudoniem. Literaire gedichten schreef hij ook. Zij verschenen in 1902 in Jong Holland, maandblad voor Groot Nederland, waardoor zijn lezersgroep alweer werd uitgebreid. Ary Delen, die op aanraden van De Ridder dezelfde school volgde om onder zijn dienstplicht uit te komen, noteerde later: ‘Ook als student beleefde De Ridder heuglijke avonturen. Een der schoonste triomfen kende hij toen een van onze kameraden tijdens een studentikoze nachtfuif door de politie wegens nachtlawaai bekeurd werd. Het geval werd voor de politierechtbank gebracht en De Ridder trad er op als getuige ter ontlasting. Hij verscheen er met het dikke boekdeel der Codes Belges onder de arm en hij pleitte gedurende meer dan een half uur met zoveel brio, met zoveel vuur, maar ook met zoveel droge humor dat de lachende rechters de beschuldigde vrijspraken.’

[...]

Copyright tekst © 2010 Wieneke ’t Hoen / Athenaeum — Polak & Van Gennep, Singel 262, 1016 AC Amsterdam

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum