Leesfragment: Donderhart

27 november 2015 , door Thomas Blondeau

Zomer 2005. In Brussel loopt journalist Max Gosset vlak voor zijn vertrek naar Londen de bekende zangeres Eva Witkin tegen het lijf, zijn oud-geliefde die hij al zeven jaar niet meer gezien heeft. Zij gaat er optreden, hij gaat voor het tijdschrift Criterium de gevierde schrijver Andrew Halbstam interviewen. De volgende dag verlammen vier zelfmoordaanslagen de Britse hoofdstad. Vannacht bij Athenaeum Boekhandel een voorpublicatie uit de roman Donderhart van Thomas Blondeau, die deze week verschijnt. Reserveer of bestel uw exemplaar nu.

6 juli, Station Brussel-Zuid

‘Hey... stranger.’

Ze had geen betere begroeting kunnen kiezen. Tussen de twee woorden had een pauze gezeten, geen stilte maar een twijfel. Eva Witkins eerste zin in jaren tegen Max waren van een onschuldige nonchalance. Een bekentenis zonder schuldige. Het klonk alsof ze al die tijd niet geweten had wat te zeggen. Nu ze de woorden eindelijk gevonden had, kon ze hem weer ontmoeten. Met niet meer dan de gêne van iemand die te laat was buiten zijn schuld om. Sorry, een vrachtwagen was gekanteld, de weg was weggeslagen door een vloedgolf, ik wist niet wat te zeggen.
Eva. In de zeven jaar die lag tussen hun slordige afscheid en dit filmcitaat had Max een uitvoerige methode bedacht om iedere gedachte aan haar uit te bannen. Die bestond uit een zorgvuldig ontworpen patroon van doodlopende wegen dat moest voorkomen dat onoplettendheid hem aan haar deed denken. Restaurants waar ze ooit samen hadden gegeten, werden ontoegankelijk verklaard. Acteurs uit een film die had opgestaan terwijl ze vrijden, werden als overleden beschouwd. Het bos waarin ze ooit hadden gewandeld, kon gerooid zijn zonder dat Max er weet van had.
En nu liep Eva met haar makkelijke stappers over die barricade van verboden bioscopen en verrotte parkbankjes en verscheurde de Plattegrond van Blinde Vlekken waar Max jaren aan had besteed.
Deze ontmoeting leek in niets op de fantasieën die hij hier vroeger over had gehad. Vroeger, voor hij zijn stille diplomatie van het verzwijgen geperfectioneerd had. Dit was geen rendez-vous tussen idool en aanbidder. Max was niet uitgeteerd door liefdesverdriet en zij was niet ongenaakbaar en onveranderlijk. Geen nobelheid, geen ootmoedig lijden en al die blabla waarmee Max zichzelf de weg had versperd nadat Eva had gezegd dat ze niet meer op hem verliefd was. Dit was geen zwijmelscenario, dit waren twee jonge dertigers die lang geleden wat hebben gehad met elkaar.
‘Mevrouw... Wat brengt u hier?’
Eva twijfelde even maar toen ze Max zag glimlachen, krulden ook haar mondhoeken omhoog. Max stond op, en kuste haar wang. Hij deed een stap naar achter en keek naar haar. Ze was afgevallen. Ze was altijd slank geweest, maar de plooien bij haar ogen en mondhoeken waren nu nog zichtbaarder geworden.
Eva uit zijn gedachten schrappen was niet makkelijk geweest. Ze was al tien jaar zangeres van een band die bij ieder album nog meer platen verkocht en nog meer zalen deed volstromen. Vlak na hun breuk spotte haar roem met zijn liefdesverdriet. Soms nam die hoon paranoïde vormen aan. Was ze even uit zijn aandacht verdwenen, dan hoorde hij opeens haar stem op de radio terwijl de kappersschaar over zijn hoofd gleed. ’s Nachts in de snackbar danste ze op het tv-scherm dat de wachtenden moest vermaken. De etalages van kiosken, de rijen affiches op blinde muren reproduceerden haar bestraffende blik in oneindig veelvoud.
Om het vergeten makkelijker te maken, had Max de muziekzenders van zijn tv gewist. Hij luisterde bijna alleen nog maar naar klassieke muziek en zijn autoradio was zo geprogrammeerd dat het gevaar van opdringerige herinneringen tot een minimum was gereduceerd.
De tijdschriftenkast op de redactie van Criterium kon hij natuurlijk niet censureren. Wanneer er een nieuw album uit was, zag hij een maand lang Eva’s nieuwe look opduiken op de voorpagina van de concurrerende bladen. Hij had geluk dat popmuziek nog steeds zelden toegang vond tot de kolommen van zijn tijdschrift. In de jaren dat Max voor Criterium werkte, was de band slechts één keer door het blad geïnterviewd. Hij had zijn ogen over de tekst laten glijden, zoekend naar woorden als ‘vriendje’, ‘ex’ of ‘lief’ maar kon niks vinden.
Behalve wat oude vrienden wist niemand uit Max’ omgeving van zijn tijd met Eva af. Véronique vertelde hij het pas toen ze elkaar al twee jaar kenden. Eerst geloofde ze het niet. Eens ze overtuigd was, vroeg ze of hij Eva nog wel eens zag. Dat ze een keer langs moest komen. Max snauwde haar af. Véronique was er niet meer over begonnen.

‘Londen, meneer Gosset, dat brengt mij hier. Evenals u, neem ik aan.’ Door Max’ overdreven formele toon over te nemen, gaf ze blijk van een mondigheid die nieuw was voor hem. Bij het uitspreken van zijn achternaam had ze zelfs een kleine buiging gemaakt. Ze had iets smalends, arrogants over zich gekregen. Was het een uitwas van de ijdelheid die vroeger slechts sluimerend bij haar aanwezig was geweest?
Want naar de normen van de wereld waarin ze zich voortbewoog, was Eva publiciteitsschuw te noemen. Ze was nooit te vinden in tv-programma’s of krantenrubriekjes die niet over muziek gingen. Interviews deed ze nauwelijks. De buitenwereld gaf ze haar stem en gezicht, niet haar opvattingen of jeugdherinneringen. Het leverde haar een imago op dat bestond uit gelijke delen artistieke puurheid en aanstellerige excentriciteit. Max wist dat verlegenheid, misschien wel schaamte dichter bij de waarheid lag.

7 juli, King’s Cross Station

Toen voor de zoveelste keer de melding opdook dat er geen verbinding gemaakt kon worden met het draadloze netwerk van het hotel, besloot Max naar een internetcafé te gaan. Er was er één vlakbij. Max laadde het artikel op zijn mp3-speler. Snel naar dat café, het artikel versturen en dan ontbijten met een halve meter Engelse kranten, daarna naar de tentoonstelling, boekhandels, terrasjes. Zijn vakantie was bijna begonnen.
Er stond niemand bij de ontvangstbalie. Ergens schetterde een tv. De ara hing ondersteboven in zijn kooi en kraste onophoudelijk. Nadat Max de binnenplaats verlaten had, duwde het stadslawaai twee priemen in zijn oren. Zelfs toen hij gewend was aan het volumeverschil, klonk de stad niet hetzelfde als gister. Londen leek dieper te brommen dan anders, vervaarlijker. Boven de auto’s, machines, scooters en het suizen van de mensenstroom, cirkelde een ander geluid. Het duurde even voor Max besefte dat het de sirenes waren. Ze stierven niet weg. Alsof in de straten van Londen een colonne gierende ambulances en brandweerwagens was blijven stilstaan. Twee helikopters vlogen over. Zo laag dat het leek alsof ze de schoorstenen van de huizen zouden raken. Max nam de weg waarlangs hij gisteren gekomen was, richting King’s Cross Station.
Politieagenten, uniformen die hij niet kon thuisbrengen. De sirenes vormden één schrille toon. Het aantal voetgangers leek de auto’s en bestelwagens van de wegen gedrukt te hebben. Ieder lichaam bewoog zich anders voort dan gewoonlijk, bedachtzamer, niet trager.
Twee mensen bedekt met grijzig stof liepen langs. 
Af en toe zag hij hoe iemand een mobiele telefoon naar zijn oor bracht zonder er in te praten. Max merkte geen paniek bij de mensen die hij probeerde aan te kijken, alleen een afwachtende spanning. De lucht deed helder aan, als vlak voor onweer.
De helft van de klanten in het internetcafé keek naar hun computerscherm. De anderen naar de flatscreen boven de bar. Opnames van de helikopters die Max net buiten had zien overvliegen. Hij stond in het midden van het gangpad naar de bar. De gesprekken waren rustig. Niemand lachte.
Op het scherm troepten beelden en woorden onchronologisch en schokkerig samen. In een metrolijn die naar King’s Cross voerde, was een ontploffing geweest. Het treinverkeer lag plat. Geen bussen, geen metro’s. Er waren drie, nee, vier ontploffingen geweest. In beeld verscheen een gekantelde, opengereten bus. Drie bommen in de metro en een in een bus. Max herkende het Ghandi-parkje van gister. Het dak van de bus was omhooggetild als het deksel van een sardineblikje.
Toen hoorde Max een knal. Een allesvernietigende knal vlakbij. Was dit het? Nee, iemand had het reclamebord buiten omvergelopen. Nu werd er wel gelachen, voorzichtig.
‘Kan ik u helpen, meneer?’ vroeg de man achter de bar.
‘Een koffie graag. Sorry, a large cappuccino, please.’
Hoe lang het al bezig was?
‘Een uur of vier, vijf. Er zijn vier ontploffingen geweest. Maar ik heb ook iemand negen horen zeggen. De politie heeft al verklaard dat het om terroristische aanslagen gaat. Wilt u kaneel of cacao op uw cappuccino?’
‘Cacao.’
‘Twee pond vijftig, graag.’
Max gaf een briefje van tien pond. Zei dat het goed was zo.
‘Bent u zeker, meneer?’
‘Sorry… nee, maak er drie pond van.’
‘Dank u, meneer. Als u een computer wil gebruiken, zult u even moeten wachten. U begrijpt dat het nogal druk is. Het mobiele telefoonnetwerk ligt plat.’
Nu pas besefte Max dat alle winkels en snackbars waar hij langs was gelopen, gesloten waren geweest. Hij bedankte de man en wenste hem sterkte toe. Na een kwartier kwam er een computer vrij. Véronique, een redacteur en zijn moeder hadden gemaild. Allemaal hadden ze hem proberen te bellen. Bernardse had naar het Cybelia getelefoneerd en gefaxt. Natuurlijk, de klop op de deur toen hij stond te douchen.
Hij stelde Véronique gerust en stuurde de rest van zijn adresboek een mailtje dat hem niets overkomen was en dat hij niet gebeld kon worden. In een ongeadresseerd bericht begon hij wat zinnen te tikken.
Al wat hij kon schrijven, zou snel achterhaalde speculatie zijn. Zeker voor het vakantienummer dat drie weken bleef liggen, met als thema ‘politieke hoop’, nota bene. Toch schreef hij door. Het hielp hem zijn gedachten te ordenen.
Halbstam. Het was onwaarschijnlijk dat de Romeinenliefhebber de metro nam. Maar toch, had Max het laatste interview met Koning Hartstilstand? De morbide ambitie van iedere journalist. Hij stuurde de redactie het interview. Vroeg of hij nog iets kon schrijven. En kon gecheckt worden of Halbstam bij de slachtoffers hoorde?
Hij bekeek een paar nieuwssites. De Vlaamse kranten hadden al stukken van hun correspondenten binnengekregen. Staatshoofden hadden hun afschuw uitgesproken. Splintergroepen de aanslagen opgeëist.
Nu hij meer en meer besefte dat zijn ervaringen nooit gepubliceerd zouden worden — te laat, te persoonlijk — opende hij het ongeadresseerde bericht opnieuw. Het snelle geklik van de toetsen kalmeerde hem:

Zo’n vijf uur na de eerste berichten over de ontploffingen, lijkt er berusting op te treden. Het meisje naast me in het internetcafé — type backpacker, inclusief dreadlocks - werkt haar internetdagboek bij. Op haar blog plaatst ze net genomen foto’s van de mensenmassa bij King’s Cross. Ik zie dat ze gister nog een foto gepost heeft van een ballonverkoper met Union Jack-hoge hoed.
Hoeveel erger moet het worden voor er paniek ontstaat? Wanneer zal het egoïsme het winnen van deze beleefde saamhorigheid van netjes je beurt afwachten en gepaste fooien geven? Wanneer gaan we mensen uit hun auto’s sleuren om weg te kunnen vluchten? Of ben ik al verkeerd bezig door deze vragen te stellen?

Hij schrapte de laatste alinea en checkte zijn mail weer. Op de flatscreen het beeld van een man in pak met een bebloed gezicht. Max wist dat het onmogelijk was om te achterhalen hoe het met Eva was. Daar had hij jaren geleden al voorzorgen voor genomen. Hij zag weer het beeld van zijn trillende vingers waarmee hij haar telefoonnummer wiste. De fles wijn die hij in één keer leeggedronken had om in een vlaag van roes en vernielzucht alles wat aan haar herinnerde, uit zijn appartement, zijn kleerkasten, zijn computer te schrappen. De onherroepelijkheid van die avond maakte hem nu, voor het eerst die dag, bang. De tv toonde een slachtoffer dat een witte doek tegen het gezicht drukte, er waren gaten voor de ogen en mond.
Max opende de website van Eva’s band. Haar gezicht vulde de pagina. Ze keek hem strak aan, alsof hij haar gestoord had. Hij zocht naar de podia waar ze moest optreden. Zondag stond ze in Shepherd’s Bush. Wat hij ook aanklikte, Eva’s priemende ogen bleven op hem gericht. Hij begon sneller te ademen en merkte hoe zijn schokkerig samenkneep om de muis. Om het trillen te doen stoppen, drukte hij zijn polsen tegen zijn ogen.
Kon hij haar platenmaatschappij bellen om het hotel te achterhalen? Dat zouden ze hem nooit geven. Wie zou hem kunnen helpen op de redactie? Wie kende hij nog uit Eva’s entourage? Kon hij Rashid, die manager bereiken, iemand van promotie? Wie zou hem nog herinneren na zeven jaar? Haar ouders. Hij zocht op hun naam in een online telefoongids.
Niks. Prachtig hoor, zo’n goed uitgewerkte Plattegrond van Blinde Vlekken. Echt, een dikke proficiat, Max.
Zijn hart sprong tegen zijn ribbenkast aan.
‘Gaat het?’ Het meisje naast hem had een hand op de zijne gelegd. Haar lichaamswarmte verdreef zijn schichtigheid.
‘Ja, natuurlijk, sorry.’ Dat ze haar hand weer weg zou nemen, was voor heel even het meest afschuwelijke wat kon gebeuren. Meteen daarna deed hij alsof hij moest hoesten en trok zijn hand van onder de hare. Ze keken weer naar hun scherm.
Véronique en de redactie hadden teruggemaild. Véronique schreef lieve, bezorgde woorden. Zijn ouders hadden haar al gebeld. Ze zei dat hij zoveel mogelijk moest binnenblijven en daarna gauw terug naar Brussel waar ze hem nooit meer zou laten gaan.
De redactiesecretaresse van Criterium was te weten gekomen dat Halbstam vanochtend vroeg al het vliegtuig had genomen. En dat Max niets hoefde te schrijven. Hij zou in die korte tijd toch niet meer dan een nieuwsbericht kunnen maken. Probeer Bernardse te bellen zodra je kunt. Zorg goed voor jezelf. Max verliet het café. Als Eva in één van die metro’s had gezeten, zou het morgen in de krant staan.

[...]

Copyright © 2010 Thomas Blondeau
Copyright © 2010 foto Giuliyani

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum