Leesfragment: Een klein ploegje

27 november 2015 , door Bert Hiddema

Donderdag 25 februari vindt bij Athenaeum Boekhandel de presentatie plaats van Bert Hiddema's Een klein ploegje. Vanavond kunt u al enkele pagina's lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Held en verteller van Een klein ploegje is Bert, die we volgen vanaf zijn geboorte in 1942 tot en met zijn volwassenwording (‘wat dat ook mag zijn’) eind jaren vijftig. Hij groeit op in de Dapperbuurt, waar iedereen domweg gelukkig is. Ondanks de armoede heerst er optimisme, want het kan alleen maar beter gaan.

De tv staat nog in de kinderschoenen, net als het profvoetbal. Er wordt maar één auto in de straat geparkeerd, de rijweg is voor jongens die voetballen. En om de hoek staat de National, de bioscoop waar Roy Rogers op Trigger over het witte doek galoppeert. Aan het eind van de Middenweg lonkt het Ajax-stadion met midvoor Rinus Michels.

Bert fietst naar de Veluwe waar een vakantie in het water valt, luistert naar Sprong in het heelal op de radio, zit op de rand van het podium bij de nachtconcerten in het Concertgebouw en ziet alle films van Doris Day tot zij door Marilyn Monroe wordt verdrongen.

Dit is een roman waar een hele generatie op heeft gewacht. In een volstrekt eigen stijl en met dwingende vertelkunst brengt Bert Hiddema de jaren vijftig tot leven. Met zoveel verve dat de lezer er middenin zit.

1 Mijn held

Het leven is simpel. De man is de baas en vrouwen werken alleen buitenshuis als het moet. Omdat ze weduwe zijn, gescheiden, ongetrouwd of arm.
Kinderen gehoorzamen hun ouders. Ze moeten rechtop lopen. Jongens met de handen uit de zakken, meisjes zonder verf op hun gezicht.
Ze mogen niet de grootste van de schaal nemen, geen aanstoot geven of iets zeggen zonder dat hun iets gevraagd wordt. In de tram staan ze op voor ouderen, invaliden en zwangere vrouwen en als ze de deur uit gaan vraagt hun moeder of ze een schone onderbroek hebben aangetrokken, want: ‘Je weet nooit wat er kan gebeuren.’
Aan seksualiteit – in het donker, hij boven en pas als je getrouwd bent – mag geen plezier, laat staan genot, worden beleefd.
Het gezin is de hoeksteen van de samenleving.

Wat me helder voor de geest staat, is het moment dat mijn vader na de bevrijding thuiskomt en beneden aan de trap naar boven staat te lachen als de verloren vader van Kruimeltje.
‘Daar heb je hem!’ roept tante Jo op tweehoog vanaf het balkon.
‘Je vader!’ juicht oom Frits met haar mee.
Tante Trees huilt, oom Daan slikt een brok weg en omhelst mijn vader.
Mijn moeder knijpt in mijn arm alsof ze het zelf niet kan geloven.
Voor de verveloze buitendeur staat een grote kerel breed te lachen. Naar mij, naar ons.
Een paar maanden geleden, in het hartje van de Hongerwinter, werd hij van huis gehaald. Hij is net als wij magerder en bleker geworden door de ontberingen van de laatste maanden. En kwetsbaarder, al valt mij dat niet op. Dat hij bittere trekjes om zijn mondhoeken heeft gekregen, dringt evenmin tot me door.
Hij lacht naar boven, naar ons: mijn moeder en ik.
‘Mijn kleine ploegje!’ roept hij met een snik in zijn stem voor hij zijn armen uitspreidt en de trap met twee treden tegelijk naar boven neemt.
Als eerste mag ik me tegen hem aandrukken, ik voel zijn lichaam schokken en huil net als hij, terwijl hij vraagt of ik goed op de vrouwen heb gepast.
‘Ja hoor.’
Achter ons verschijnt Ria om de hoek.
‘Ze kan al lopen,’ zegt mijn moeder.
‘Ria!’
Die pruttelt iets wat vaag op ‘pop’ lijkt.
‘En al praten ook!’ zegt papa trots.
Joke begint te huilen in de voorkamer, meteen rent mijn moeder naar binnen.
‘Dag Jan,’ zeggen mevrouw en meneer Scholten van tweehoog, terwijl de familie Smelik van driehoog zich, net als de afgelopen maanden, niet laat zien.
Aangezien er geen post werd bezorgd en de telefoon in het kamp was bestemd voor echt belangrijke zaken – het doorgeven aan de politie van ontsnappingen en dergelijke – komt mijn vader nu pas met horten en stoten te weten dat er bij de geboorte van zijn vierde kind ‘geen noemenswaardige complicaties’ waren en dat verder alles goed is.
‘Ik heb een zusje,’ zeg ik tegen hem. ‘En Ria ook.’
En hij een dochter.
‘Als ze net zo lief is als jij, wil ik er nog wel twee.’ Hij pakt Joke op, lacht naar het rood vertrokken gezichtje hoog boven hem in de lucht en huilt met haar mee.
‘Haar haar wordt net zo rood als van Bertie,’ weet mijn moeder al.

Beneden in het trapportaal staat een grote houten kist met nummers en cijfers op de deksel en een sleuteltje in het slot, die hij van de Canadezen heeft gekregen. Vol met dingen die ik nog nooit heb gezien, geroken of geproefd, want ik ben midden in de oorlog geboren en viel als tweejarige met mijn neus in de Hongerwinter. Armoe, honger en ellende zijn me op het lijf geschreven, geweerschoten, marcherende voetstappen, haltgeroep en luchtalarm heb ik van zeer nabij gehoord. Vanuit de kinderwagen roep ik ‘Jotmof ’ bij het Koloniaal Instituut waar de Duitsers gelegerd waren en ik sliep op het laatst door het afweergeschut heen. Ik heb mijn vader en andere mannen zien verdwijnen, niets anders meegemaakt dan ontberingen, angst en onzekerheid. Zo’n kind met spillebenen dat op het nippertje werd gered door het Zweedse wittebrood dat volgens ooggetuigen uit geallieerde vliegtuigen boven de stad werd uitgeworpen.
Wat ik me het langst kan herinneren van de inhoud van de loodgrijze kist, zijn de kleine, witte snoepjes die in een doorzichtige zak zitten van een soort papier dat ik niet kan scheuren, het knispert in mijn handen. Er zitten geen zuurtjes of toffees in, maar vierkante snoepjes in een doorzichtig papiertje dat ook niet stukgaat. Ik moet het eraf rollen en dan voorzichtig trekken, omdat het de neiging heeft aan het snoep te blijven kleven. Mijn vader doet het voor, het gewoon afwikkelen met twee handen.
Ik heb nog nooit snoep gegeten. Het is onvergetelijk lekker. Net als de bittere chocola die ook in de kist zit, maar die is meer voor mijn moeder en zusje.
Mijn vader raadt me aan op de snoepjes te zuigen: ‘Dan heb je er nog langer plezier van.’
Natuurlijk heeft hij gelijk.
Tijdens de intocht van Sinterklaas, na de oorlog, vangt mijn vader voor de Bijenkorf op het Damrak een knoert van een pepernoot: met één hand.
Mijn vader is een held.

Jan Hiddema, geboren op 9 december 1902, reed als vrijgezel rond op een motor en maakte uitstapjes naar Zuid-Limburg, het strand of Friesland, waar zijn voorouders vandaan kwamen maar hij niet veel wijzer werd.
Soms ging hij een paar dagen op vakantie in het buitenland. In het fotoalbum is mijn vader vereeuwigd in Brunswijk, de Eifel, langs de Moezel en in Luxemburg. Zittend op zijn motor, een fn, een rieten stoel of achter een glas in een uitspanning. Staand en lopend, lachend, maar meestal ernstig kijkend, een jeune premier met lichtblauwe ogen en een mooie kop met haar, onberispelijk gekleed met gepoetste schoenen met leren zolen. Een hoed op zijn hoofd en geen pet, zoals de meeste andere mannen. Alleen de manier al waarop hij hem afneemt of tegen de rand tikt als hij iemand groet. Hij is een halve kop groter dan zijn toekomstige vrouw.
‘Precies goed,’ volgens haar moeder.
Alida Hermina Snakenbroek, geboren op 19 januari 1918, werkte als verkoopster bij c&a op de Nieuwendijk. Ze hield van haar werk, ook al moest ze op zaterdagavond tot tien uur op haar benen blijven staan. Getapt bij haar collega’s, gewaardeerd door klanten en haar chef. Een mollige meid uit de Eerste Atjehstraat in de Indische Buurt. Een nauwe straat in een grauwe buurt aan de overkant van de spoorlijn.
Mijn vader, met de observerende blik van een politieman, signaleerde haar toen hij op een vrije dag langsliep. Zij lachte, hij probeerde niet streng te kijken. Het was de liefde op het eerste gezicht waarover in liedjes werd gezongen.
Zij viel op zijn houding, zijn manier van praten en de verstandige opmerkingen die hij maakte. Overal had hij verstand van. Een serieuze, zachtaardige en sympathieke man. Dat hij uit het goede hout gesneden was, bleek al meteen toen hij zijn motor zonder morren wegdeed. Ze was bang om achterop te zitten en een zijspan, vlak boven het wegdek, vond ze nog enger en hij zei gewoon dat hij blij was dat hij zelfs op zomerdagen niet meer die lange, zware, leren motorjas hoefde te dragen. Kortom, hij was het volmaakte tegendeel van zo’n kerel bij haar uit de buurt die dronk, zijn vrouw sloeg of haar afblafte en stiekem onder de rokken van andere wijven loerde, zoals bij haar in de straat als ze langsfietste.
Ze was maar een paar keer buiten de stad geweest, in Diemen, Duivendrecht en een kort stukje langs de Amstel tot voorbij Het Kalfje, zodat ze in de verte het dorp Ouderkerk kon zien liggen. Voor haar was mijn vader, vijftien jaar ouder, een man van de wereld. Op de zwart-wit trouwfoto van 24 maart 1938 staat hij links van haar, met in zijn rechterhand een witte zakdoek, de scheiding rechts in het haar en met golven die er van nature in vallen. Een naadloos gestreken wit overhemd met een streepje, een colbert volgens de laatste mode met drie knopen en de broek met een messcherpe vouw die precies goed hangt op de glanzende zwarte schoenen met effen voorblad.
Zij, net twintig, draagt een donkere hoed met een brede rand, waar ik me later voor schaam als ze hem op heeft. Ze draagt geen witte trouwjurk, maar een donker mantelpak dat nog jaren meegaat en daaronder een witte blouse die in de hals wordt dichtgemaakt door een broche die ze later reserveert voor hoogtijdagen, zoals de huwelijken van haar kinderen die nooit plaatsvinden.
De avond van de bruiloft brengen ze door op het balkon van restaurant Heck op het Rembrandtplein. Op mijn vaders verzoek brengt de zanger een ode aan het gelukkige bruidspaar (‘dat kunt u wel zien, dat zijn zij’) en met het orkest zingt hij ‘In een klein cafetaria van Milano’, het lievelingsnummer van mijn moeder sinds ze het op de radio van Bob Scholte hoorde.
Mijn moeder is van huis uit katholiek en mijn vader Nederlands hervormd. Voor haar vader Bertus, die bij het abattoir werkte, was dat geen enkel bezwaar, al ging de pastoor in duizend dubbele kronkels voor de deur liggen en sprak hij van hel en verdoemenis.
Ze trouwen niet in de kerk. Hun kinderen zijn gedoopt in de katholieke Bonifaciuskerk op het Kastanjeplein, maar omdat geen van vieren communie heeft gedaan, wurmt meneer pastoor zich na de oorlog langs de deur naar binnen en zegt: ‘Je bent niet getrouwd. Je hokt alleen maar samen.’
Waar mijn vader bij zit.
‘Dus mijn kinderen zijn onwettig?’ vraagt mijn moeder naar ons kijkend. Ik begrijp er niets van, Ria barst in huilen uit en Joke trappelt uit alle macht in haar bedje.
‘Ik kan alleen maar zeggen dat je nooit getrouwd bent geweest in de ogen van de kerk. Elk ander huwelijk dan gesloten in de katholieke kerk is immers onwettig.’
Mijn vader, die het me later vertelt, staat op en zegt ijzig: ‘Hier in huis ben ik de wet.’ En vlak voordat de deur achter de pastoor open blijft staan: ‘En op straat ook!’
‘Jullie hokken, jullie hokken!’
Als meneer pastoor in zijn vuistje lacht is dat niet te horen, omdat hij de onderste treden van de trap jammerlijk mist.

Opa Ieme Jan Hiddema is alleen maar oud. Tot zijn pensioen was hij stoker op de Oranjes, beide vlaggenschepen van de Stoomvaart Maatschappij Nederland.
Voor de maidenvoyage van de eerste Oranje in 1903 monsterde mijn opa aan. Hij was net vader geworden van mijn vader en zo trots dat hij op zo’n kolossaal mooi schip kon varen dat hij een paar maanden wegbleef, zonder enig overleg met zijn vrouw, die korte tijd later haar grote vrees bewaarheid zag: ze was weer zwanger. Tot het schip in 1922 werd verkocht, zorgde mijn opa ervoor dat de schoorstenen konden blijven roken.
De tweede Oranje was het grootste passagiersschip van de wereld toen het in 1938 van de helling liep. ‘Met drie schroeven en vier dekken,’ zegt mijn opa in steeds kleiner wordende gedachtecirkeltjes.
Hij werd een dagje ouder en was vader van vier kinderen, maar hij kon aan de wal niet aarden en een andere baan was niet voorhanden. Hij kon niets anders dan kolen op het vuur gooien. Het was ontzettend zwaar werk, in hoog tempo kolen scheppen, met de schep zwaaien en de kolen in het vuur gooien, met een legertje mannen tussen kettingen met katrollen en razende bokken die ledematen verbrijzelden alsof het luciferhoutjes waren, stralen kokend water die op de gekste momenten rondspoten.
Ik zie hem staan, met een ontbloot bovenlijf, zwetend in de uitzinnige hitte van de machinekamer en zo smerig dat er roet uit zijn longen blijft komen als hij allang niet meer vaart. Vechtend tegen de storm en de golven die het schip zo laten deinen dat hij bijna omvalt onder zijn loden last en niet toegeeft aan wanhoop, maar zich schrap blijft zetten om de levens van de passagiers, ook vrouwen en kinderen, te redden. Doorgaan tot hij erbij neervalt, dan alleen red je het als het kantje boord is. Een ongelooflijk sterke kerel met vierkante schouders boven keiharde kabels van armspieren die hij laat rollen om mij een plezier te doen voor ik erin mag knijpen (‘met twee handen’) en net zo’n vooruitstekende kin als Popeye die in de tekenfilm een blik spinazie achterovergooit. Door zijn spannende verhalen wil ik kapitein van de Oranje worden en niet langer conducteur op de Pullmantrein.
‘Daar moet je voor geleerd hebben,’ lacht opa me uit.
Mijn moeder veracht hem pas goed vanaf het moment dat ze hem erop betrapt dat hij zit te lachen wanneer zijn vrouw – over de tachtig, helemaal op en versleten, doof en bijna blind – de draad niet in het oog van de naald kan steken. Als ze eindelijk opgeeft en stilletjes voor zich uit blijft staren, begint hij prompt te klagen dat de knoop nog steeds niet op zijn gulp zit en pakt zij noodgedwongen weer naald en draad op. Grinnikend verbiedt hij mij om haar te helpen en zwaait dreigend met zijn stok als ik blijf aarzelen, omdat ik het zo zielig voor haar vind. En zo gemeen ook, tegen een vrouw die niets terug kan doen.
‘Het zou me niet verbazen als hij die knopen er zelf af trok,’ zegt mijn moeder.
Mijn vader zucht en tart het gezag van zijn vader door zijn moeder te helpen.
Kwaadaardig kijkt deze naar zijn zoon en bijt hem toe: ‘Je bent geen kerel.’ Hij heeft grijs stekeltjeshaar en als het hem goed uitkomt doet hij of hij stokdoof is.
Naast hem in de vensterbank staat een tinnen kroes, waarin hij af en toe een pruim of rochel deponeert. Zoals vieze, oude mannetjes plegen te doen in portieken, op straathoeken en tramhaltes, voor winkels en op de vloer van een kroeg die met houtsnippers en zaagsel is bedekt. Sinds zijn pensionering zit hij achter de begonia’s naar buiten te staren en zet geen stap te veel, steeds krommer, gieriger en gemener. Ruziemakend met jongens die op straat voetballen.

Opa en oma wonen in de Kraaipanstraat die alleen te bereiken is via een poort, terwijl in de verte een schoolgebouw staat met de uitstraling van een gevangenis. Het piepkleine woninkje ligt in de verste uithoek van de tweede inham links en zonlicht dringt er niet in door. Overdag is het bijna net zo eng als in het donker van de nacht, want opa kan niet lezen en oma ziet toch niets.
Een donker hol, een spelonk met alleen in de lucht een kaal peertje zonder kap.
‘De oorlog is voorbij, hoor,’ zegt mijn vader zo luchtig mogelijk, maar opa wenst het niet te horen.
‘Hier niet,’ zegt mijn moeder.
Zo weinig mogelijk verlaat opa het hofje achter het armzalige bloemperkje, waar zelden of nooit iemand langskomt en elk levend wezen wordt gewantrouwd, helemaal als het vreemd en onbekend is.
Ook ’s winters zit opa in zijn witte interlock van Jansen & Tilanus, want de kachel giert op topcapaciteit. Als hij een schep op het vuur gooit, waant hij zich op Bali of Java en staart gelukzalig voor zich uit. Tijdens aanvallen van malaria laat hij zijn onder- en bovengebit zo fanatiek tussen zijn malende kaken over elkaar schuiven dat het kunstgebit bijna breekt. De tropische ruzies met messengevechten van vroeger die hij opvoert zijn zo levensecht dat ik er het liefst niet bij zou zijn.
Voor mijn mooie schoolrapporten krijg ik nooit snoep, ijs, geld of iets anders, een complimentje kan er ook niet af. Nog geen snauw, gewoon helemaal niets.
‘Ik ga er niet meer heen,’ zeg ik na een paar vergeefse wandelingen door de Pretoriusstraat en linksaf over het Krugerplein langs de ijswinkel die er verleidelijk uitziet, maar waar ik nooit binnen ben geweest.
Na het overlijden van oma kan hij het thuis alleen niet meer redden en wordt hij opgenomen in een verbouwd herenhuis bij het Vondelpark. Het ligt vol met afgeschreven zeelieden die de gordijnen niet open willen hebben en meewarig omhoogstaren.
Volgens mijn moeder plast hij expres in zijn bed om de zusters te pesten. Hij ligt op een zaaltje met een man of acht, allemaal viespeuken. Met zijn gebit in een glas op het nachtkastje lijkt hij sprekend op een van de ergste schurken van de matineefilms. Knipogend geeft hij me een dubbeltje en beveelt me om een pond bitterkoekjes voor hem te gaan kopen.
‘Voor tien cent?’
‘De rest is voor jou.’
‘Hij is niet helemaal goed,’ fluistert mijn vader die me ziet lopen in de Cornelis Schuytstraat.

[...]

© 2010 Bert Hiddema en Uitgeverij L.J. Veen
Foto © Ilja Meefout

Uitgeverij L.J. Veen

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum