Leesfragment: Een meesterwerk: Jacoba van Veldes De grote zaal in drie bedrijven van kritiek

27 november 2015 , door Daan Stoffelsen
| | |

Van 22 oktober tot en met 19 november staat Jacoba van Veldes De grote zaal (1953) centraal tijdens de leesbevorderingsactie Nederland Leest. Vanavond een analyse van de ontvangst in de jaren vijftig, in de jaren tachtig (toen haar Verzameld werk verscheen) en nu.

Beter dan ‘Simon van het Reve, wiens storm in een glas water (De Avonden) al weer is bezonken’, en dan W.F. Hermans, ‘als romancier een net niet voldoende bezeten nakomer van Multatuli’? Men schreef het in 1954 over Jacoba van Veldes De grote zaal, het boek dat dit jaar centraal staat tijdens de actie Nederland Leest, van 22 oktober tot 19 november. Hoe werd het boek destijds gelezen, hoe in de jaren tachtig (toen het Verzameld werk uitkwam) en hoe nu? Als een stilistisch hoogstandje, een actuele aanklacht, een boek zoals Elsschot dat had kunnen schrijven, een vrouwenroman? Een meesterwerk?

Morgen bij Recensieweb.nl, vanavond op Athenaeum.nl.

Recensies in de kranten, tijdschriften en online voor Jacoba van Velde, De grote zaal

  • Mischa de Vreede, 'Een on-Hollandse verschijning', in De Groene Amsterdammer, 21 oktober 2010.
  • Kester Freriks, ‘In gezelschap van het Niets. Jacoba van Veldes De grote zaal: onthutsend eerlijk’, in NRC Handelsblad, 15 oktober 2010.
  • Ronneke van der Genugten, ‘Rusthuizen’, in De Telegraaf, 10 mei 2010.
  • Martje Breedt Bruyn, ‘Fenomenale vrouw met één geweldig boek’, in Vrij Nederland, 21 januari 2010.
  • Anne Jongeling, op Nu.nl, 20 januari 2010.
  • Frank Hockx in Boek-delen, 12 januari 2006.
  • Johan Waumans, ‘De grote zaal’, in De  Leeswolf, 1 november 2005
  • Herman Leys, ‘Twee romans en tien verhalen’, in De Standaard, 14 mei 1988
  • Gerrit Jan Zwier, ‘Een sombere koorddanser’, in Leeuwarder Courant, 24 juli 1987.
  • Mariëlle Osté, ‘Jacoba van Velde en de tragiek van het isolement’, in Utrechts Nieuwsblad, 29 mei 1987.
  • Annejet van der Zijl, ‘Een puzzel die nooit werd voltooid’, in De Waarheid, 23 mei 1987.
  • Tom van Deel, ‘Het sterven in de grote zaal’, in Trouw, 30 april 1987.
  • Gerard van Herpen, ‘Jacoba van Velde: onbekende grootheid’, in De Stem, 11 april 1987.
  • Frank Ligtvoet, ‘Altijd in het gezelschap van de dood’, in de Volkskrant, 10 april 1987.
  • Diny Schouten, ‘Klein menselijk handelen, groot menselijk leed’, in Vrij Nederland, 4 april 1987.
  • ‘Oud. Een heel betrekkelijk ideaal’, in Trouw, 12 maart 1987.
  • Lejo Siepe, ‘Jacoba van Velde, schrijver met een bescheiden succes’, in Het Parool, 20 februari 1987.
  • C.J.E. Dinaux, ‘Het opmerkelijk debuut van Jacoba van Velde met roman De grote zaal’, in Haarlems Dagblad, 14 mei 1954.
  • Ben Stroman, ‘Sociaal probleem als grondslag voor een aangrijpend verhaal’, in Algemeen Handelsblad, 8 mei 1954.
  • ‘Menselijk einde, artistiek begin’, in Haagsch dagblad, 20 maart 1954.
  • Marie Schmitz, ‘Treffend romandebuut’, in Nieuwe Rotterdamse Courant, 13 maart 1954.
  • Pierre H. Dubois in Het Boek van Nu, februari 1954.
  • Jos Panhuijsen, ‘Novelle over de tragiek van het ouder worden. Opmerkelijk debuut, zij het nog geen meesterwerk’, in Het Dagblad, 16 februari 1954.
  • W.E., ‘Letterkundige Verschijningen. Het leed van de ouderdom. Een zeer schone treurzang’, in Leeuwarder Courant, 30 januari 1954.
  • ‘Een boek als een monument’, in Het Vaderland, 2 januari 1954.
  • H.K., ‘Van beneden en boven de taalgrens: spot, ernst en humor’, in De Nieuwe Eeuw, 19 december 1953.
  • C.J. Kelk, ‘Als ouders hulpbehoevend worden... Debuut van Jacoba van Velde’, in De Groene Amsterdammer, 14 november 1953.

Ontbreken hier kritieken van Jan Greshoff, Bordewijk, Gabriël Smit, en buitenlandse stemmen, als die van Simone de Beauvoir, Alfred Kazin en Stevie Smith.

‘De stille eenvoud der woorden’

De grote zaal, dat Van Veldes Nederlandse romandebuut was (ze schreef eerder een novelle in het Frans), wordt alom geprezen om de stijl; twee recensenten, die van Het Vaderland en die van de Leeuwarder Courant, bouwen hun betoog bijna uitsluitend rond hun lof daarvoor.  Maar de vroegste recensie die we hebben is meteen een schoolvoorbeeld van hoe zo’n betoog geïllustreerd kan worden. C.J. Kelk leidt zijn recensie voor De Groene Amsterdammer in met een citaat: ‘Als ouders hulpbehoevend worden kunnen ze niet bij hun kinderen wonen.’ Dat is redelijk uniek voor de recensies uit de vijftiger jaren die hier passeren, zeker omdat er direct een stijlanalyse aan wordt verbonden, van een ‘eenvoudige klare niets verhullende, niets verzachtende of verzoetende schrijftrant’.

Weinig citaten in de maanden hierop, wel veel bijval. H.K., voor De Nieuwe Eeuw: ‘een heldere, doeltreffende en directe stijl’. De anonieme recensent van Het Vaderland: ‘Zij bekommert zich in het geheel niet om mooischrijverij, zij wil niet “artistiek” zijn of lijken, zij bemoeit zich eigenlijk heel weinig om de schone letteren en de eisen van het genre dat zij beoefent.’ Van Velde ‘weet niet wat breedsprakigheid is’.

W.E., de criticus van dienst bij de Leeuwarder Courant: ‘Een voortreffelijk, gebonden proza, waarin geen woord teveel is gebruikt, alle woorden op hun plaats staan om een maximum van zeggingskracht op te leveren, en een volkomen verbeelding te schappen. In zijn soberheid is dit verhaal zo trefzeker gedaan en zo diep aangrijpend, dat men zich bijna angstig afvraagt, of de schrijfster zichzelve na dit debuut, nog ooit zal kunnen evenaren.’ Juist ‘door den stillen eenvoud der woorden’ worden de ‘nijpendste gewaarwordingen’ en het besef van eenzaamheid ‘in hun essentie gepeild’.

Net als Kelk impliciet al deed, worden termen als soberheid regelmatig op zowel de taal als de omstandigheden betrokken. De leeservaring stemt daar dan direct mee overeen.

Maar de mooiste duiding van Van Veldes stijl vinden we bij C.J.E. Dinaux, voor het Haarlems Dagblad: ‘... er is onder Hollandse hemelen weinig moderne litteratuur geschreven van een zo voortreffelijke evenmaat en helderheid, van een zo strakke soberheid en betoomde geladenheid als deze roman van een debutante.’ En er is ook wat Frans aan, betoogt de criticus, van ‘geest en structuur’: ‘licht van toets’, ‘korte, doordringend scherpe zinnen’. ‘Maar Frans bovenàl is de klare eenvoud, de vormkracht, waarin de Fransen dankzij hun Latijnse erfenis, uitmunten.’

‘Existentialistisch, rauw zonder grof te worden en meeslepend’

Als na ruim dertig jaar het Verzameld werk verschijnt, dan gaat het veel minder over stijl: de critici leggen uit wie Van Velde was, en tot welke stroming we haar moeten rekenenen. En of wat ze schrijft ouderwets is. Nee, zegt een recensent in Trouw: ‘Maar bovenal ontkomt De grote zaal aan datering door een persoonlijke, uiterst eenvoudige stijl - wars van alle pompeuze molenwiekerij, die toen net weer zijn rentree maakte in de Nederlandse literatuur. ‘

En Diny Schouten onderscheidt in Vrij Nederland ‘nogal ouderwets’ aandoende beschrijvingen in naturalistische stijl van de ‘korte, economische zinnen die De grote zaal juist zeer ongedateerd maken’. Stijl- en stromingsanalyse vallen samen in wat Annejet van der Zijl, voor De Waarheid schrijft: Van Velde ‘construeerde geen zinnen, doet geen enkele concessie aan de schoonheid van taal. Haar stijl is extentialistisch, rauw zonder grof te worden en meeslepend’.

Zo ook Gerrit Jan Zwier, voor de Leeuwarder Courant:

‘Al deze treurnis wordt door Jacoba van Velde op een indringende manier en in een bondige stijl opgedist. Wat dat betreft, heeft ze meer met Samuel Beckett gemeen - met wie ze heel lang bevriend geweest is - dan met de omslachtige verhaaltrant van Van Oudshoorn.’

Herman Leys ten slotte, voor De Standaard, laat een formele analyse los op Van Veldes Verzameld werk, en ontdekt spreektaal:

‘De ik-vorm is hier een konventie, een procédé dat je als lezer moet aanvaarden. En dat doe je algauw, omdat beider stijl wel heel direkt is, met korte zinnen, dicht bij de spreektaal, met de dialogen zonder aanhalingstekens er gewoon ingebed.’ En ook nu, eind jaren tachtig: ‘... haar stijl zonder enige franje is nog altijd even direkt aangrijpend.’

‘Een menselijk èn sociaal probleem’

Laten we daar dan eens naar kijken: Van Veldes stijl is aangrijpend, maar haar thema ook. Of dat specifiek de ellendige toestand in verpleegtehuizen betreft, of ‘de fundamenteel-menselijke problematiek van leven en dood, van de dood in het leven, van het diepste alleen-zijn van de mens met zichzelf met zijn verlangens en zijn angsten, met de taal van zijn ziel, de liefde van zijn hart en de zin van het leven’ (Dinaux) – dat is onderwerp van discussie.

Unaniem wordt wel de ‘waarachtigheid’ (Marie Schmitz, Nieuwe Rotterdamse Courant), het benaderen van de ‘essentie’ (W.E., Leeuwarder Courant) en ‘de waarheidsdrang’ (Dinaux) geprezen. En wat is die essentie? Kelk: ‘Deze schrijfster [...] heeft een onderwerp behandeld, dat griezeliger is in wezen dan de ergste gruwelroman, want ze beschrijft ons aller lot: het ouderworden, het doodgaan.’

Maar een ‘sociale aanklacht’ is het ook, betoogt Ben Stroman, die voor het Algemeen Handelsblad Van het Reve en Hermans schaart onder de ‘doodgewone Hollandse realisten’. ‘Zij hebben niet gedurfd waar een debuterend schrijfster, Jacoba van Velde, wel de moed toe heeft gehad: een aller kleinburgerlijkste tragedie tot onderwerp nemen voor een kleine roman. En dat met een zo grote eerlijkheid, zo’n onmodieuze aanpak, dat slechts het schrijverschap de doorslag kon geven.’ Ze ‘heeft aangetoond, dat het realisme voedingsbodem kan zijn voor een kunstwerk van betekenis’.

Schmitz (NRC) noemt het onderwerp ‘een even alledaags als smartelijk probleem, waaraan zij in dit kleine boek vorm geeft, het probleem van de oud en hulpbehoevend geworden ouders, die bij hun kinderen niet zijn kunnen en, overgeleverd aan de eenzaamheid in een onverschillige of vijandige omgeving, de dood tegemoet gaan. Een menselijk èn sociaal probleem’.

Eerder al noemde de criticus van het Haarlems Dagblad de ouderdom een maatschappelijk vraagstuk; hij moet denken aan de ouderenzorg hier en in Zweden (waar men verder is, stelt hij, maar waar ook kritiek is op de geïnstutionaliseerde ouderenzorg) ‘bij het lezen van de aangrijpende novelle: De grote zaal. Zonder enige opzettelijke strekking, eenvoudig als een zakelijk verhaal van een meedogenloos levenseinde, heeft Jacoba van Velde heel de tragiek van de hulpbehoevende ouderdom uitgebeeld’. Toch gaat het ook vooral over ouderdom en dood. ‘Geen lichtgeroerd medelijden wekken zij daarom, maar veeleer een diepe beklemming, zoals ook bij de houtsneden van de middeleeuwse dodendansen ons overvalt.’

En W.E. (Leeuwarder Courant): ‘... het probleem van de oudedagsvoorzorging is actueel; het wordt steeds dringender. [...] Stof te over om eens flink van leer te trekken en iedereen en alles de schuld te geven van het grote leed, velen ouden van dagen aangedaan. Doch niets daarvan in dezen korten roman.’ De bejaarde hoofdpersoon wordt namelijk uiterst goed verzorgd.

In 1987 wordt de ‘nijpende en dreigende actualiteit’ (Trouw) van De grote zaal meermalen onderschreven. Dat geeft hoop voor de organisatoren van Nederland Leest: de discussie over ouderdom is nog steeds relevant. In 1987 was Bernlefs Hersenschimmen net een succes geworden. Gerrit Jan Zwier: ‘Het is opvallend dat romans waarin maatschappelijk gevoelige kwesties en ziektebeelden op artistieke manier worden beschreven, zo’n grote weerklank vinden. [...] Zoals gezegd, is De grote zaal echter minder een tendensroman dan een psychologische roman.’

Oolbekkink, Elsschot en het ‘Sein zum Tode’

We zagen al dat Dinaux zijn summiere kennis van Van Veldes Franse achtergrond inzette om De grote zaal te plaatsen, maar van haar agentschap voor Samuel Beckett wist hij nog niets, en weinig critici waren zich in die jaren bewust van het existentialisme dat de letteren veroverde. Stroman doet een poging als hij Van het Reve en Hermans erbij haalt: ‘Zij markeren, ieder op eigen wijze de pas van het cosmopolitisme, met Harry Miller-flinkheid en inmiddels wat belegen Sartriaanse walging, maar zij blijven ondanks dat doodgewone Hollandse realisten.’ En: ‘Een geenszins cosmopolitisch boek, maar stellig een boek van Europees peil.’

Cosmopolitisch dus, en, zoals we eerder zagen, realistisch. Maar de term ‘existentialistisch’ valt slechts eenmaal, bij Marie Schmitz (‘het existentialistische besef van het niet ontsnappen kunnen’), maar is dat al een duiding van de literaire stroming? Wel citeert  Pierre H. Dubois, voor Het Boek van Nu, indrukwekkend:

‘Wat heeft Helena ook weer eens gezegd? De mens is zo verschrikkelijk eenzaam, mijn lieve moedertje. Sommigen, de meesten, zijn er zich niet van bewust. Een enkele keer, bij een groot verdriet, wanneer geen mens of redenering meer kan helpen, dan hebben ze er een vermoeden van. Maar meestal vergeten ze het weer, en misschien is dat goed... Zouden we dan niet allen een paniekstemming krijgen als mensen in een concentratiekamp? Toen luisterde ik naar haar, en hoorde alleen de woorden. Mijn God, het is vreselijk, dat bedoelde ze natuurlijk, dat de hele wereld een concentratiekamp is, waar je nooit uit kan ontvluchten. We zijn veroordeeld, zei ze, en we weten niet waarom. Waarom heeft ze dit zo verschrikkelijk jong moeten begrijpen?’

Het gaat dus juist over eenzaamheid, niet zozeer over ouderdom en dood. Jos Panhuijsen, in Het Dagblad: ‘Al zeer jong is [Helena, de dochter] tot het besef gekomen, dat de mens op zichzelf is aangewezen en dat de mens eenzaam is, verschrikkelijk eenzaam.’ En Dinaux:

‘De hoofdpersoon van deze roman mag zich van dit “existentiegevoel” pas bewust worden zodra ze van de “kleine zaal” van het niemandsland wordt overgebracht naar “de grote” van het gewissen einde, als doodsnadering dus - een figuur als haar dochter Helena, wier overpeinzingen als notities tussen de gedachtenspinsels van haar moeder zijn ingelast, heeft als representante van de jongere generatie op dat “actuele” levensgevóél een levenshòùding weten te veroveren: die van de moed, welke voor harde waarheden niet terugdeinst; die van een realiteitszin, welke met “nuchtere wijsheid” de nood omsmeedt tot liefdevolle deernis.’

Van Velde wordt daarmee gelukkig niet in een hokje geduwd. Er zijn nog andere referentiepunten dan stromingen: de auteur lijkt, betoogt de criticus van Het Vaderland, ‘uit de verte op Elsschot. Op een Elsschot ontdaan van zijn mannelijke sentimentaliteit en zijn hulpeloosheid tegenover het leven, welke hij achter een milde vorm van cynisme tracht te verbergen’. In de vergelijking met andere auteurs is overigens die met de samen met haar debuterende H.L. Oolbekkink (met de oorlogswinterroman Met lege handen) wel aardig. Oolbekkink bleek later nog uiterst productief, tot 1995, vooral in het thrillergenre. Dubois: ‘Maar men ziet tot op zekere hoogte precies het omgekeerde als bij Oolbekkink. Hier is namelijk de beschrijving van het geval volkomen identiek met de ervaring ervan.’

En de recensent van Het Vaderland: ‘[Oolbekkink] is, als ik op deze plaats schreef, van nature gezegend met talloze gaven. Maar zijn boek, hetgeen men een eersteling gaarne vergeeft, is wat te breedsprakig. [...] Ik betreurde het dat hij niet in staat bleek ons het tragische in het schijnbaar onbeduidende te doen ontdekken. Jacoba van Velde daarentegen weet niet wat breedsprakigheid is.’

Over Oolbekkink echter geen woord als vijfendertig jaar later haar Verzameld werk wordt besproken. Herman Leys maakt de vergelijking met Blaman, Vestdijk en Hermans, alle ‘getekend door het existentialisme’. ‘Ook bij Van Velde is er die angst voor een “Sein zum Tode”, het belangrijkste tema van haar romans, dat gevoel van zinloze vrijheid en diepe eenzaamheid. Als schrijfster haalt zij in haar romans m.i. niet het niveau van het beste werk van haar tijdgenoten. De wijze waarop ze moderne verteltechnieken (wisselende standpunten en persoonsvormen b.v.) hanteert, overtuigt niet helemaal.’

Zwier neemt de stelling van nawoordschrijver August Hans den Boef ter hand, dat De grote zaal een ‘Nederlandse existentialistische roman met naturalistische beschrijvingen’ is (Diny Schouten ging daar ook al op in), en ziet meer Beckett dan Van Oudshoorn; de onbekende Trouw-criticus noemt ook Kafka en Dostojevski. Tom van Deel ziet zelfs op woordniveau de stroming terugkomen: ‘De levensbeschouwing in De grote zaal wordt geformuleerd in termen die onmiskenbaar existentialistisch zijn en herinneren aan allerlei na-oorlogse literatuur.’

‘In de kleine groep van onze Hollandse schrijfsters’

Een paar decennia volstaan blijkbaar om zoveel meer te begrijpen van een roman. Ook van de persoon van Van Velde. Er wordt veel meer geciteerd in de 1987-recensies, maar dan vooral uit interviews die de auteur gaf. Terwijl de recensent in de Leeuwarder Courant van 1954 moest toegeven: ‘Van de schrijfster is ons niets bekend.’ Dat het een schrijfster is, ja, en hoe pijnlijk is het plotselinge onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs dat de criticus van Het Vaderland maakt als hij Van Velde na deze passage met Elsschot vergelijkt?

‘Ik ben niet geneigd op het gebied der kunsten en wetenschappen al te veel nadruk te leggen op het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk. Zo dit al bestaan moge, is het van bijkomstig belang. In dit geval echter zou ik de ingetogen nuchterheid van deze schrijfster, haar doeltreffendheid en onmiddellijkheid kenmerkend vrouwelijk willen noemen.’

Ongemakkelijker, wat dubbel, is de lof van de recensent van het Haagsch Dagblad: ‘In de kleine groep van onze Hollandse schrijfsters heeft zij zich, met dit eerste boek, een plaats verzekerd tussen de besten.’ Mannen zijn nog beter, gelukkig maar, en als Dubois stelt: ‘Jacoba van Velde heeft dit op een volstrekt eerlijke en zuivere manier gedaan en ze heeft daardoor van dit kleine boek iets zeer indrukwekkends weten te maken,’ dan moet de conclusie zijn: ‘Met dit eerste boek behoort zij ontegenzeggelijk tot onze belangrijkste vrouwelijke auteurs.’

Maar het schijnt dat Gabriël Smit in de Volkskrant stelde dat ‘het damesboek definitief ter ziele was gegaan’. De vrouwen veroverden hun plaats in de romanliteratuur. Toch schreef hij ook dat Van Velde ‘vrouweromans’ schreef. Of lees ik er nu meer discriminatie in dan er is?

Uit slechts de beperkte feiten kon de recensent van Het Vaderland al wel gissen: ‘Het heeft er alle schijn van dat de gegevens door Jacoba van Velde verwerkt, aan haar eigen leven ontleend zijn.’ Annejet van der Zijl mag zekerder zijn, als ze conclusies trekt uit de rauwe stijl van Van Veldes romans: ‘Vaak doet het meer denken aan een dagboek waarin iemand zijn wanhoop op papier zet dan aan een roman.  Er valt dan ook niet aan de indruk te ontkomen dat beide boeken sterk autobiografisch zijn. En dan niet zozeer wat betreft de feiten - hoewel Van Velde het sterven van haar eigen moeder als basis gebruikte voor De grote zaal - als wel wat betreft de gevoelens die erin tot uitdrukking komen.’

Lof

Maakt het uit? Men was bijna zonder uitzondering enthousiast. W.E.: ‘Het gebeurt een enkele maal - zeer zeker niet vaak - dat een boek ons na het lezen van nog maar enkele bladzijden de sensatie geeft: dit is het, dit is de meesterproef, die slechts zeer enkelen kunnen afleggen en die een volkomen mooi boek oplevert.’ En: ‘In zijn soberheid is dit verhaal zo trefzeker gedaan en zo diep aangrijpend, dat men zich bijna angstig afvraagt, of de schrijfster zichzelve na dit debuut, nog ooit zal kunnen evenaren. Doch het is, ten overstaan van dit kleine meesterwerk, ondankbaar om zich daar zorgen over te maken.’

De recensent van Het Vaderland schrijft dat de roman ‘een zo diepe indruk op mij maakte, dat ik enige dagen na de lezing niet in staat was er over te spreken of te schrijven’. En in Trouw in 1987: ‘“Een meesterwerk”, werd al bij het verschijnen in 1953 gezegd en al klinkt dat redelijk afgezaagd; wie iets karakteristieks over het boek wil zeggen, komt toch vroeg of laat bij zulk soort woorden terecht.’

En hoewel Jos Panhuijsen in Het Dagblad De grote zaal geen meesterwerk wil noemen, is zijn laatste zin niettemin mooi: ‘Jacoba van Velde is iemand, die voor de Nederlandse romankunst, die er niet zo best voor staat, van betekenis kan worden.’

Subjectiviteit en ‘compositorisch tekort’

Het lijkt erop dat Panhuijsen zit met de onaardige kenschets van een ‘Zondagsschoolkind’ en in een ruk door, de godsdienst: ‘Ondanks de objeciviteit van sommige opmerkingen en de gedeeltelijk zeker geslaagde kenschetsing van de oude vrouw zelf, heeft het nog niet die hogere objectiviteit en die intensiteit van feilloze verbeelding die het meesterwerk kenmerkt. Er wordt partij gekozen tegen Neeltje en Neeltje wordt eenzijdig voorgesteld. Ergens wil de schrijfster niet laten zien, niet tonen, maar aantonen, dat Helena het zo bij het rechte eind heeft.’

Een ander vuiltje, ten slotte, is het ‘compositorisch tekort’ dat Dinaux signaleert: ‘Hóé zij zich, haar gedachten formulerend in deze simpele en in hun simpelheid dubbel navrante zinnen, van haar toestand bewust maakt, blijft min of meer dubieus. Deze telkens naar het verleden afdwalende en zich dan weer op het ondragelijke “heden” concentrerende gedachten zijn voor het merendeel “neergeschreven” en dus, zou men zeggen, als notities in een dagboek bedoeld. Maar telkens stuit de lezer op passages die dit schrijvend noteren tot een feitelijke onmogelijkheid maken, zodat hij zich gaat afvragen of hij er niet beter aan zou doen, dit gehele boek als één onafgebroken zelfgesprek, een “monologue intérieure” te beschouwen. Waartegen zich dan toch weer, als storend element, de kennelijk “geschreven” fragmenten verzetten.’

2010: ‘Het moest geschreven worden’

Ruim een halve eeuw na verschijning wordt De grote zaal nogmaals besproken in de kranten, tijdschriften én online. Als addendum een overzicht van de reacties nu. Laten we beginnen met een medium dat er 57 en 23 jaar geleden nog niet was: nu.nl. Anne Jongeling leest het boek voor de nieuwswebsite met inleving en oog voor de actualiteit: ‘De grote zaal is een barmhartig boek over de onbarmhartigheid die de machtelozen zich moeten laten welgevallen. […] Ruim een halve eeuw later kun je niet anders oordelen dan dat er veel is verbeterd in de ouderenzorg, en het is te hopen dat we niet in deze situatie terugvallen.’

Eigenaardig genoeg trekt Jongeling daarmee andere conclusies dan de critici destijds, en bovendien is ze – typisch voor online recensies – meer dan haar krantencollega’s bezig met herkenning en inleving en het duiden van grotere thema’s. Wat dat aangaat is het eerste grote stuk over het Nederland Leestboek, door Martje Breedt Bruyn in Vrij Nederland een dag later, weer typische gedrukte literaire kritiek. Het is geen recensie, maar een profiel, wat ruimte biedt aan tijdgenote Mischa de Vreede maar een diepgravender analyse in de weg staat. Breedt Bruyns oordeel is er wel een op formele gronden: ‘Jacoba van Velde heeft de gedachtenstromen van haar personages beschreven in korte zinnen in een heldere, sobere taal, zonder enige sentimentaliteit. Bij herlezing van het boek, ruim een halve eeuw na de verschijning, doet het volstrekt niet verouderd aan. En het onderwerp is van alle tijden. Een goede keuze van de CPNB.’

Voor de eerste grote recensie moeten we wachten tot vorige week. Kester Freriks schreef toen een groot stuk in NRC Handelsblad. Net als Stroman en W.E., en later Leys noemt hij De grote zaal ‘aangrijpend’. Hij roemt niet de ‘waarachtigheid’, maar de ‘onthutsende oprechtheid’. Hij stelt vast dat Van Velde ‘met aandacht en compassie’ het ouder worden beschrijft, en brengt ook nieuwe informatie aan het licht: ‘De grote zaal bezit het geheim van een groots boek: het moest geschreven worden.’

Goh. En net als zijn voorgangers in de jaren vijftig ziet hij stijl en thematiek gelijk opgaan: ‘De zinnen zijn kort en helder, in fraai staccato. Deze filmische schrijfwijze sluit prachtig aan bij de onverbloemd weergegeven observaties van Geertrui.’ Er is nog een argument dat hij aandraagt – ‘geen literair argument’ – om het boek ‘om te huiveren zo mooi te vinden’: het toeval dat Van Velde net als haar hoofdpersoon stierf in een verzorgingstehuis. ‘Een halve eeuw later dwingt Jacoba van Veldes weergave van het spook van de ouderdom diepe bewondering af.’

Daan Stoffelsen is webboekverkoper bij Athenaeum Boekhandel en eindredacteur van Recensieweb.nl, waar dit artikel ook gepubliceerd wordt.

Foto © Philip Mechanicus

CPNB - Nederland Leest
CPNB - Nederland Leest

Stichting Recensieweb

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum