Leesfragment: Een soort familie

27 november 2015 , door Kees van Beijnum

Komende week verschijnt de nieuwe roman van Kees van Beijnum, Een soort familie. Dit weekend kunt u er al enkele pagina's uit lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Wieringen, jaren tachtig. Teun Draaijer en zijn oudere broer lijden onder de uitzonderingspositie die hun gezin inneemt binnen de gemeenschap van de boerse geboren Wieringers. Regelmatig vormen zij het doelwit van uitsluiting en pesterijen. Ieder op geheel eigen wijze proberen de jongens op school en op straat te overleven. Maar dan keert zijn broer radicaal de idealen en verwachtingen van zijn ouders de rug toe en raakt het gezinsleven ontwricht. Teuns positie is ondraaglijk: moet hij voor zijn broer of voor zijn ouders kiezen?

Jaren later keert Teun met zijn zoontje terug naar de plek van zijn jeugd, maar het is geen sentimental journey. De noodlottige nacht waarin het familieconflict ten slotte uitmondde, is hem altijd blijven achtervolgen.

Ter gelegenheid van het verschijnen van Een soort familie zijn ook een aantal nieuwe edities van ouder werk van Van Beijnum verschenen:

Natuurlijk zijn ook Over het IJ, Hier zijn leeuwen, De oesters van Nam Kee, De vrouw die alles had, en Het verboden pad nog verkrijgbaar.

Proloog

Als hij in de stenen, glazen schittering van de hoge kantoorgebouwen door zijn rayon rijdt, heeft hij het gevoel dat hem werkelijk alles meezit op deze warme lentedag. De meeste mensen zijn al op hun werk en hij is onderweg tussen het gesuis van de auto’s en het krioelende leven, zijn radio afgestemd op de favoriete muziekzender. Een telefoontje van de binnendienst voert hem zonder uitstel naar het rayon van zijn collega Marloes, die op vakantie is aan de Rode Zee. Hem is verteld dat het een onbekend adres betreft, Eldorado Reizen is dus geen voorbewerkte prospect van Marloes, wat inhoudt dat hij als haar waarnemer de onverdeelde som aan provisie opstrijkt, mocht zijn demonstratie tot een order leiden. Eldorado Reizen blijkt gevestigd aan de Gedempte Oude Gracht in Haarlem, parkeerplaats voor de deur, begane grond, zonder drempel. Soepel en vanzelfsprekend duwt hij zijn uitklapbare kar met de xr10 erop het linoleum over. Tien minuten later staat hij weer buiten in het volle licht van zijn succes, met een getekende order inclusief uitgebreid servicecontract op zak.
Over de weg door de duinen rijdt hij naar de kust, waar de strandtenten tot zijn aangename verrassing al zijn opgebouwd. Met zijn zonnebril voor zijn ogen, stropdas los, eet hij een broodje op het terras. Het licht op zee is adembenemend, feeëriek. Hij is een kind van het water, die band gaat ver terug. En terwijl de golfjes een voor een omrollen en voortkruipen over het droge zand, zou hij dit een perfecte dag willen noemen. Zijn perfecte dag.
Als hij wegrijdt van de parkeerplaats ziet hij haar lopen, zijn vrouw Tessa, gekleed in een zwierige zomerjurk, hand in hand met een man die hij, al heeft hij hem in jaren niet meer gezien, moeiteloos herkent. Ed, zijn vriend van vroeger. Hij twijfelt even en rijdt dan weg, terug naar de stad, terug naar zijn eigen rayon.
Weer enigszins tot zichzelf gekomen, ontgaat de ironie hem niet. Zoals hij in de tijd dat Tessa nog Eds vriendin was stiekem afspraakjes met haar maakte, gaat Ed nu achter zijn rug om met Tessa naar het strand. De rollen zijn omgedraaid, in zijn nadeel, ontegenzeggelijk in zijn nadeel.
Thuis zegt hij niets over waar hij op de parkeerplaats getuige van is geweest. Hun huis schijnt op deze avond van alles net iets te veel te hebben, een eethoekstoel te veel, een zijtafel te veel, een foto te veel. Samen met hun zoontje Joris eten Tessa en hij aan tafel. Ze hebben het over school, over Kos, waar ze met de vakantie heen gaan, als het toch niet Sicilië wordt. Hij weet zich geen raad met zichzelf, maar slaagt erin met zijn vrouw de voors en tegens van beide bestemmingen tegen het licht te houden. Als iedere avond ruimen ze samen de tafel af.
In de kamer wacht hij tot Tessa Joris naar bed heeft gebracht. Ze komt naast hem zitten met door de zon gekleurde armen. Ze wisselen beleefd, vriendelijk, de voorvalletjes van de dag uit, maar nog steeds komt er geen woord over wat hem bezighoudt van zijn lippen. Hij wacht af wat zij zal zeggen, maar ze doet er het zwijgen toe, en al zijn voorzichtige aanzetten verzanden in algemeenheden. De verdere avond blijft hij weigeren haar geheim te onthullen, verwoed starend naar het geschitter van de tv, zich afvragend aan wie of wat zij intussen denkt.
Het huwelijk is een sacrament, zei zijn schoonvader op de dag dat Tessa en hij trouwden. En het enige wat hij toen dacht, was: eigenaardig dat juist hij dat woord gebruikt, als ongelovige vreemdganger.
’s Avonds in hun comfortabele bed zoekt hij toenadering tot haar zachte, warme lichaam. Ze vrijen, net zo heerlijk als altijd. Vreemd genoeg is het alsof hij de bedrieger is, hij degene is die iets vreselijks voor haar achterhoudt. Op die warme lenteavond met het straatgeruis achter de gordijnen en binnen het gedempte licht van hun identieke bedlampjes houdt hij haar na afloop lang in zijn armen en kust haar in haar hals. Misschien valt het tij ondanks alles nog te keren.
Dan kust ze hem op zijn wang en draait zich behaaglijk zuchtend, al half in slaap, om en knipt haar lampje uit.
Hij luistert een poosje naar haar ademhaling en doet dan zijn lampje uit, waarna hij achterblijft in de duisternis. Hij is alleen.

Deel een

Amsterdam aan het begin van de avond. Volle trams met bleke, bedachtzame gezichten achter de raampjes glijden door de lange straten. In de huizenblokken springen steeds meer lichten aan. Hij gaat het Griekse restaurant binnen en neemt plaats aan het kleine tafeltje voor in de zaak. Vier keer per week eet hij buiten de deur en de overige drie dagen haalt hij iets bij een van de vele, goedkope afhaalrestaurants die zijn buurt rijk is. Om en om – buiten de deur eten en afhalen – zo gaat hij de eentonigheid van de week naar tevredenheid te lijf. Hij opent zijn koffertje en vist er zijn blok met dagrapporten uit. In een advertentiekrant die op de bar van het restaurant ligt, zoekt hij naar bedrijfsnamen en schrijft er een stuk of wat over: Stats bv, Pals consultants, De Ligt makelaardij. In zijn dagrapporten legt hij in eenheden van een halfuur verantwoording af voor zijn bezigheden: bezoeken aan bedrijven en instellingen, verkoopgesprekken, demonstraties, reistijden, telefoongesprekken. De dagrapporten zijn, uiteraard, bedoeld om te controleren of hij zich van negen tot vijf wel echt verdienstelijk maakt voor de company. Kleinschalige fraude is zijn antwoord. Het aanvullen van bezochte adressen met nepadressen, een absolute groeimarkt in zijn geval, vormt inmiddels de routinematige afsluiting van zijn werkdag. Ditmaal vervult het noteren van de nepadressen hem met onverwacht grote weerzin, die nog toeneemt als hij de tijden, straatnamen en telefoonnummers opschrijft.
Als hij zijn dagrapporten opbergt, gaat achter hem de deur open, waarna stemmen en voetstappen op een kille tochtvlaag naar binnen stromen. Hij slaat geen acht op het gezelschap dat langs zijn tafel schuift tot een bekende stem klinkt.
‘Teun! Wat doe jij hier?’ Aan zijn tafeltje staat Tessa, zijn ex-vrouw, met haar donkere, glanzende haar en lichtbruine ogen. Ze draagt een truitje dat hij niet kent en een spijkerrok met een maillot die hem haar onzekerheid over haar zware benen in herinnering brengt. Die stevige volheid is het eerste wat je aan haar opvalt, op haar lach na het eerste wat hem aan haar beviel.
Hij komt overeind en kust haar op haar koude wangen. ‘Ik eet hier wel vaker,’ zegt hij. ‘Mijn buurtje, hè?’
‘Wij komen net van een redactievergadering. Ben je alleen?’
‘Ik ga zo naar de bioscoop.’ Hij aarzelt, waarschijnlijk net iets te lang om geloofwaardig over te komen. ‘Ik heb een afspraak.’ Er is iets verontrustends in hem gevaren, niet nu, op dit moment, nee, de laatste tijd, een gebrek aan zelfvertrouwen zodra hij in haar nabijheid is. Toen ze een halfjaar geleden uit elkaar gingen, had hij gehoopt, verwacht, dat hij binnen niet al te lange tijd zijn leven weer op orde zou hebben, in het geestelijke, fysieke en materiële, maar tot veel meer dan het aanschaffen van een nieuw matras en wat servies op de markt, was hij nog niet gekomen, en ook met de extra vrije tijd die hij als alleenstaande heteroman had verworven wist hij vooralsnog weinig aan te vangen. In ieder geval was het niet gelukt die om te zetten in zichtbare resultaten in zijn werk, want in plaats van de door de company voorgeschreven acht uur per dag maakte hij er vier, gemiddeld, naar boven afgerond. De overige uren benutte hij om kranten te lezen of televisie te kijken, soms van ’s middags vier tot diep in de nacht, om tot rust te komen. Want terwijl hij minder werkte was hij vermoeider dan ooit. En hij voelt gewoon dat Tessa dit allemaal doorheeft, een besef dat hem zo klein, zo zieltogend maakt dat hij soms vreemde dingen zegt, zoals dat hij deze zomer met zijn zoon Joris naar Amerika wil, om in een camper door Yellow Stone Park te trekken, waarmee hij haar overstuur maakt. Dat is zijn kinderachtige manier om iets tegenover haar nieuwe leven te stellen, al die avontuurlijke tussendoortripjes met Joris, haar propere, smaakvol ingerichte appartement, haar kracht om het storende even adequaat als categorisch uit haar bestaan te weren. Wat kan hij inbrengen, behalve zijn auto van de zaak, zijn provisie die in de curve omlaag een nieuw dieptepunt heeft bereikt, en zijn appartement waar weinig meer over te melden valt dan dat hij er woont, in onderhuur, voor onbepaalde tijd, op naam van een oude vrouw die hij niet kent?
‘Ik wou je nog bellen vanavond,’ zegt Tessa. ‘Kun je morgen iets eerder komen? Ik moet toch vroeger weg.’
‘Hoe laat?’
‘Zes uur? Lukt dat?’
‘Ik denk het wel.’
‘Dan kunnen jij en Joris samen eten.’
‘Prima. Past je moeder nu op hem?’
‘Nee.’ Hij ziet hoe de huid op haar jukbeenderen verstrakt en vraagt niet verder.
Ze voegt zich bij haar collega’s aan de lange tafel, op een hoek, deels verscholen achter schouders en plastic palmen. Hij werpt zo nu en dan een vlugge blik op de druk pratende, gulzig drinkende vrouwen en mannen, redacteuren en vormgevers van het tijdschrift waar ze na ‘hun tijd’ is gaan werken. Net als dat truitje behoren zij tot haar nieuwe wereld, een voor hem ontoegankelijk schimmenbestaan.
Door hun aanwezigheid voelt hij zich broos en star in zijn confectiepak, het koffertje naast zijn stoel op de grond. Haar ex, in zijn eentje in het restaurant. Hij herinnert zich hoe Tessa hem tijdens hun laatste gesprek, nadat hij Joris thuis had gebracht, met een air van beheerste waardigheid goedbedoelde adviezen had gegeven.
‘Waarom richt je je huis niet in? Een laagje verf, een leuke bank. En al die dozen die er nog staan, ik wil je best komen helpen met uitpakken. Voor Joris is het dan ook gezelliger.’
‘Ik blijf er niet.’
‘Net als met je werk, zeker?’
Ze leerden elkaar kennen bij de faculteit Sociale Wetenschappen en trouwden toen Tessa zwanger werd van Joris, nu vijfenhalf jaar geleden. Als student had hij een bijbaantje in een café en hij stopte zo geleidelijk met studeren dat het nauwelijks opviel; hij zwom geruisloos weg, zoals Tessa later zou zeggen. Hij had er geen zin in, gewoon geen zin in, maar zij blokte hard voor ieder tentamen en haalde haar bul. In het laatste jaar van haar studie woonden ze samen op een studentenkamer in Amstelveen, waar ze midden in de nacht vanuit het centrum van de stad heen fietsten. In de zomer werd het al licht als ze thuiskwamen. Ze fietsten hand in hand over de stille straten om elkaar te gaan beminnen op de slaapbank die ze hadden gekocht met het oog op ruimtebesparing, maar die uitsluitend werd ingeklapt de doodenkele keer dat ze bezoek kregen. Hij maakte zich over weinig dingen druk in die tijd, het leven kwam op hem af en hij liet het graag op zich afkomen.
Samen met een collega besloot hij het café in Amsterdam-Zuid waar ze werkten over te nemen. Tessa’s vader, een man van cijfers, rekende avond na avond alles koortsachtig met hem door en hielp hem met het aanvragen van een lening. Maar aangezien hij helemaal niets op had met getallen en balansen, boekhoudkundige instrumenten waarvan, verzekerde zijn schoonvader hem, de logica zou meevallen als hij maar de moeite nam zich erin te verdiepen, begon de schittering van het toekomstvisioen van een eigen zaak al wat te verflauwen. Op het laatste moment zag zijn collega van de samenwerking af omdat hij een andere compagnon, iemand mét geld, had gevonden. Zijn schoonouders, Tessa, zelfs een paar vrienden van hem, namen het hoog op. Het verraad, zoals het voorval de geschiedenis in zou gaan, raakte hemzelf aanzienlijk minder diep.
Als hij betaald heeft, komt hij overeind en steekt zijn hand op naar Tessa. Ze knikt terug en met het gevoel dat alle ogen op hem zijn gericht, loopt hij met zijn koffertje in de hand naar de deur. De verlichting tipt hem aan als hij zonder op te kijken langs het grote raam schuift. Met grote stappen dringt hij zich tussen de naar huis terugkerende stroom fietsers en voetgangers tot hij bij zijn auto is. Tijdens het instappen werpt hij een verifiërende blik op de donkere, hoekige aanwezigheid van de xr10 onder de deken in de laadruimte. Met zijn contactsleuteltje in zijn hand overlegt hij bij zichzelf of hij niet beter de auto kan laten staan en naar huis zal lopen. Hij zou het liefst nu wegrijden, maar hij weet dat het in zijn straat om deze tijd lastig parkeren is en het langer kan duren dan wanneer hij naar huis loopt, een wandeling van een minuut of tien. Hij blijft nog even zitten, rillend, zijn adem stomend. Het dilemma laat hem niet los en het ergert hem dat hij de knoop niet kan doorhakken, in zijn ijskoude auto zit te vernikkelen om zo’n onbenulligheid. Hij stapt weer uit, sluit zijn auto af en loopt naar huis.

De gordijnen van het benedenhuis zijn dicht. De oude man die er naar hij heeft begrepen al dertig jaar woont, ziet hij overdag soms voor het raam zitten, gebogen over een kruiswoordpuzzelboekje, turend door zijn hoornen bril die met pleisters bijeen wordt gehouden. Een keer, aan het begin van de avond, zat hij op zijn bank televisie te kijken, intussen een glazen pot met bruine bonen uitlepelend. Hij probeert zich voor te stellen hoe het gezicht van zijn benedenbuurman er vroeger moet hebben uitgezien, nog een hele opgave. Achter die grauwe, rimpelige, ongeschoren eenzaamheid gaat een gezicht schuil waarvan misschien ooit een vrouw heeft gehouden. Ook al wil hij dat graag geloven, toch is het een waarheid waarop zijn blik afkaatst en het enige wat hij ziet, kan zien, is de klap die de man in het leven is toegebracht. Hij steekt de sleutel in het slot, raapt de post van de vloer en gaat de kale treden omhoog naar zijn woning.
Het eerste wat hij doet is de gashaard hoog zetten en daarna steekt hij met geoefende handigheid de uiteinden van een houten knaapje in zijn colbert en hangt het aan de deur naar de slaapkamer. De broek van het kostuum legt hij met de vouwen op elkaar over een stoel. Hij schiet in een trainingsbroek en een trui, loopt naar de koelkast en tuurt peinzend naar een wortel en twee blikjes bier. Hij neemt een van de blikjes en gaat naar de kamer, waar het al warmer wordt. Met het suizen van de gashaard in zijn oren denkt hij aan de auto met het kopieerapparaat achterin, die nu een behoorlijk eind weg staat, het alarm ervan buiten gehoorsafstand, mocht vannacht een junk besluiten een waarderende blik onder de deken te werpen. Omdat hij sinds zijn scheiding niet langer beschikt over een bergruimte op de begane grond om zijn demonstratiemachine veilig te stallen en omdat iets in je auto achterlaten, al was het maar een leeg lucifersdoosje, in deze buurt gelijkstaat aan roekeloze uitlokking, heeft hij met Snoek, zijn supervisor, afgesproken dat hij de xr10 aan het eind van iedere werkdag terugbrengt naar de kleine showroom. Maar die showroom is in Nieuw-West, wat hem minstens een uur extra reistijd kost, ophalen en terugbrengen, een inspanning waartoe hij niet in staat is.
Hij gaat op zijn bank zitten en zet de televisie aan, kijkt een poosje naar een programma over reïncarnatie. Even denkt hij dat zijn telefoon gaat, maar als hij het geluid van de televisie wegdrukt, is het doodstil in huis. Hij staart naar zijn gelige schaduw op het behang en vraagt zich af wie er op Joris past.

[...]

Copyright © Kees van Beijnum
Copyright foto © Jeroen van Loon

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum