Leesfragment: Een vrouw op de vlucht voor een bericht

27 november 2015 , door David Grossman

Welke boeken hebben te weinig aandacht gehad op deze site? In een zomerse reeks uitgebreide fragmenten: David Grossmans Een vrouw op de vlucht voor een bericht, in de vertaling van Ruben Verhasselt.

Een vrouw op de vlucht voor een bericht is een groots verhaal over een vrouw, haar twee zoons en hun verschillende vaders. Een roman over vriendschap, emotie, en ruimhartigheid, over een grote liefde, over versmade liefde en over ouderschap.

‘Ik kom woorden tekort om de invloed te beschrijven die het boek op mij heeft. Deze roman, die je recht in de ogen kijkt, is een van de meer betekenisvolle – en wonderbaarlijke – die ooit in Israël zijn geschreven. De roman is zeldzaam menselijk en vol leven, en bovenal bevat Grossman het verbazingwekkende vermogen gedurende alle 880 bladzijden de menselijkste en heftigste gevoelens van de lezers te wekken. Ik heb het gevoel dat ieder van ons na lezing van dit boek een beetje een ander mens zal zijn.’ - Menachem Peri, Tel Aviv

De Engelse vertaling, die binnenkort verschijnt, heeft een hilarische discussie opgeleverd over flapteksten. Zowel Nicole Krauss als Paul Auster waren lyrisch - ongeloofwaardig lyrisch? (Conversational Reading, The Guardian)

 

*

 

‘Hé, jij daar, stil!’ hoorde ze.
‘Wie is daar?’
‘Stil een beetje! Je hebt iedereen wakker gemaakt!’
‘Maar ik hield haar vast.’
‘Wie?’
‘Op de rots, we zaten er samen.’
‘Over wat voor rots heb je het? Laat ons slapen.’
‘Ineens viel ze.’
‘Je schreeuwde, je zong.’
‘Maar ik sliep.’
‘En je was aan het schreeuwen!’
‘Ze liet mijn hand los, ze is gevallen.’
‘Goed, ga weer slapen.’
‘Doe het licht aan.’
‘Ben je gek geworden?We gaan eraan als we het licht aandoen.’
‘Wacht.’
‘Wat?’
‘Ik was aan het zingen, zei je?’
‘Je was aan het zingen, aan het schreeuwen, alles door elkaar. Stil nu.’
‘Wat zong ik?’
‘Wat je zong?!’
‘In mijn slaap, wat zong ik?’
‘Weet ik veel. Geschreeuw. Dat is wat je zong. “Wat zong ik, wat zong
ik?”’
‘Weet je niet meer welk liedje het was?’
‘Zeg, ben je gestoord? Ik ben halfdood.’
‘Maar wie ben je?’
‘Kamer drie.’
‘Ook in de isoleer?’
‘Ik moet terug.’
‘Blijf... Ben je er nog? Wacht, hallo... Hij is weg... Maar wat zong ik nu?’

Ook de volgende nacht maakte hij haar wakker, weer boos dat ze het hele ziekenhuis uit de slaap hield met haar gezang, en ze smeekte hem te proberen zich te herinneren of het hetzelfde liedje was geweest als de dag ervoor. Ze moest en zou dat te weten komen, vanwege haar droom, die in
die jaren bijna elke nacht terugkeerde: een volkomen witte droom — alles was wit, de straten, de huizen, de bomen, de katten en de honden, en ook het rotsblok op de rand van de klif. Ada, haar roodharige vriendin, was eveneens helemaal wit, zonder enig stipje rood in haar gezicht of op
haar lijf. Maar ook dit keer herinnerde hij zich niet wat voor liedje ze had gezongen. Hij trilde over zijn hele lijf, en zij, in haar bed, trilde even hard mee. ‘We zijn net een stel castagnetten,’ zei hij, en tot haar eigen verbazing barstte ze uit in een frisse lach, die hem vanbinnen kietelde. Hij had
al zijn krachten uitgeput tijdens de tocht van zijn kamer naar de hare, vijfendertig passen, met een rustpauze na elke stap om tegen een muur te leunen of zich vast te houden aan een deurpost of een leeg etenskarretje. Nu zakte hij in elkaar op de plakkerige linoleumvloer in de deuropening van haar kamer. Ze bleven allebei lang nahijgen. Hij wilde haar weer aan het lachen maken, maar kon geen woord meer uitbrengen. Daarna was hij kennelijk in slaap gevallen.
‘Zeg.’
‘Wat? Wie is daar?’
‘Ik ben het,’ zei ze.
‘Jij.’
‘Zeg, lig ik alleen op de kamer?’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Tril jij zo?’
‘Ja.’
‘Hoeveel heb je?’
‘Vanavond was het veertig.’
‘Ik veertig-drie. Met hoeveel ga je dood?’
‘Met tweeënveertig.’
‘Dat is dichtbij.’
‘Nee, nee, je hebt nog tijd.’
‘Ga niet weg, ik ben bang.’
‘Hoor je dat?’
‘Wat?’
‘Hoe stil het ineens is.’
‘Waren er eerst knallen?’
‘Artillerie.’
‘Ik slaap de hele tijd en voor ik het weet is het weer nacht.’
‘Door de verduistering.’
‘Ik denk dat zij aan de winnende hand zijn.’
‘Wie?’
‘De Arabieren.’
‘Hoe kom je daarbij?’
‘Ze hebben Tel Aviv veroverd.’
‘Ze hebben wat...? Wie heeft je dat verteld?’
‘Ik weet het niet. Misschien heb ik het gehoord.’
‘Je hebt het gedroomd.’
‘Nee, ze zeiden het hier, iemand, daarstraks, ik hoorde stemmen.’
‘Dat komt door de koorts, nachtmerries, ik heb ze ook.’
‘Wat ik droomde was... ik was met een vriendin.’
‘Misschien weet jij het?’
‘Wat?’
‘Van welke kant ik gekomen ben.’
‘Ik ken hier de weg niet.’
‘Hoe lang ben jij hier al?’
‘Ik weet het niet.’
‘Ik vier dagen, misschien een week.’
‘Wacht, waar is de zuster?’
‘’s Nachts is ze op interne één. Ze is Arabische.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Dat hoor je.’
‘Je trilt.’
‘Mijn mond, mijn hele gezicht.’
‘Zeg, waar is iedereen?’
‘Ons brengen ze niet naar de schuilkelder.’
‘Waarom niet?’
‘We zijn besmettelijk.’
‘Wat, dus wij zijn hier de enigen?’
‘Met de verpleegster.’
‘Weet je?’
‘Wat?’
‘Als je het nu voor me zou kunnen zingen.’
‘Begin je weer?’
‘Neurie het dan alleen.’
‘Ik ga.’
‘Als het andersom was geweest, had ik voor je gezongen.’
‘Ik moet terug.’
‘Waarheen?’
‘Waarheen, waarheen, bij mijn vaderen te ruste gaan, met droefenis ten grave nederdalen, dat is waarheen.’
‘Wat? Wat zei je? Wacht even, ken ik je misschien? Hé, kom terug.’

Ook de volgende nacht verscheen hij voor twaalven in haar deuropening om haar op haar kop te geven en te klagen dat ze in haar slaap lag te zingen, dat ze hem en de hele wereld wakker maakte. Ze lachte in zichzelf en vroeg of zijn kamer echt zo ver weg was, en pas toen viel hem op
dat haar stem niet klonk vanaf dezelfde plek als de vorige of eervorige nacht.
‘Omdat ik nu zít,’ legde ze uit. Hij polste voorzichtig: ‘Waarom zit je eigenlijk?’‘Omdat ik niet sliep,’ zei ze. ‘En ik was niet aan het zingen. Ik zat hier rustig op jou te wachten.’
Ze hadden allebei het idee dat de duisternis nog zwarter werd. Een nieuwe golf van hitte, die misschien niets te maken had met haar ziekte, kroop vanuit Ora’s tenen omhoog en ontstak rode vlekken in haar hals en haar gezicht. Gelukkig is het donker, dacht ze en ze hield met haar hand
de kraag van haar ruime pyjama dicht.

Daarna schraapte hij, in de deuropening, zachtjes zijn keel en zei: ‘Goed, ik moet terug.’ En toen ze vroeg waarom eigenlijk, zei hij dat hij zich dringend in de pek en veren moest gaan wentelen. Ze snapte het niet meteen, maar even later begon ze hard te lachen en zei: ‘Kom op, sufferd, nou is het genoeg met die toneelstukjes van je, ik heb hier naast me een stoel voor je klaargezet.’
Hij tastte zijn weg af langs een deurpost, stalen kastjes en bedden, tot hij ergens bleef staan uithijgen als een oud pakpaard, leunend op een leeg bed. ‘Ik ben hier,’ kreunde hij.
‘Kom dichterbij,’ zei ze.
‘Wacht, laat me even op adem komen.’
De duisternis gaf haar moed, en ze zei hard, met haar gezonde stemgeluid, het geluid van dagjes aan zee, strandtennis en zwemwedstrijdjes naar de vlotten voor de kust bij het Rambamziekenhuis: ‘Waar ben je bang voor? Ik bijt niet.’ En toen hij mompelde: ‘Oké, oké, ik weet het, ik kan nauwelijks op mijn benen staan,’ werd ze geroerd door zijn klaaglijke toon en zijn zware geslof. We lijken wel een stel bejaarden, dacht ze.
‘Auwa!’
‘Wat is er?’
‘Een of ander bed besloot ineens... Verdomme! De wet van de kwade
wil—’
‘Wat zeg je?’
‘Wel eens gehoord van de wet van de kwade wil van voorwerpen?’
‘Misschien kun je eindelijk eens hier komen?’
Het geklappertand hield niet op en zwol soms aan tot langdurige rillingen. Wat ze zeiden, brachten ze gehaast en met horten en stoten uit. Nu en dan moesten ze wachten tot het geklapper wat minder werd en de gelaats- en mondspieren een beetje tot rust kwamen, en dan stootten ze snel, met harde, gespannen stem, de woorden uit. Het gehakkel brak de zinnen in hun mond in stukken.
‘Hoe-oud-ben-jij?’ vroeg hij.
‘Zes-tien, en-jij?’
‘En-een-kwart.’
‘Ik-heb-geel-zucht,’ zei ze. ‘Wat-heb-jij?’
‘Ik? Ik-denk-ei-er-stok-ont-ste-king.’
Stilte. Hijgend bracht hij uit: ‘Tussen-twee-haak-jes, dat-was-een-grap.’
‘Geen leuke,’ zei ze.
Hij kreunde: ‘Ik probeerde haar aan het lachen te maken, maar haar gevoel voor humor is te—’ en gespannen vroeg ze hem met wie hij daar aan het praten was. Hij zei: ‘Met de tekstschrijver van mijn grappen. Ik moet hem blijkbaar de laan uit sturen.’

‘Als je niet onmiddellijk hier komt zitten,’ dreigde ze,‘ga ik zingen.’
Hij huiverde hoorbaar en lachte. Hij had een knarsende lach als het gebalk van een ezel, een soort lach die zichzelf voedde, en zij slikte zijn lach alsof die een medicijn was, nam hem in ontvangst alsof ze een prijs had gewonnen.
Hij moest zo lachen om haar domme grapje dat ze zich er nauwelijks van kon weerhouden hem te vertellen dat ze de laatste tijd mensen niet meer zo kon laten schateren als vroeger — haar humor was ‘zo droog als gort en saai’ hadden ze dit jaar over haar gezongen op het poerimfeestje — en het was niet zomaar een kleine tekortkoming, bij haar was er al echt sprake van een gebrek, een nieuw mankement dat zich nog zou kunnen uitbreiden en voor complicaties zou kunnen zorgen. Ze had het gevoel dat het op een of andere manier samenhing met andere eigenschappen, die de afgelopen jaren eveneens waren afgestompt. Intuïtie, bijvoorbeeld. Hoe kon zo’n eigenschap in godsnaam verdwijnen, in zo’n rap tempo nog wel? Of het instinct om op het juiste moment de juiste woorden te zeggen. Dat had ze vroeger gehad en nu was het weg. Of gewoon maar een beetje spitsvondigheid, vroeger was ze echt zo scherp geweest als peper, ze had gevonkt en gesprankeld. (Maar misschien hadden ze gewoon geen beter rijmwoord kunnen vinden op ‘de pleegdochter van Mordechai’ dandat ‘zo droog als gort en saai’, troostte ze zichzelf.) Of het liefdesgevoel, dacht ze ineens, misschien had dat ook te maken met haar aftakeling — echt van iemand houden, branden van liefde, zoals de meisjes vertelden, als in de film. Meteen stak haar de gedachte aan Avner, Avner Feinblat, haar vriend op de voorbereidende militaire academie, die intussen soldaat was geworden; op de trappen tussen de Pevzner- en de Josefstraat had hij tegen haar gezegd dat ze zijn hartsvriendin was, maar ook toen had hij haar niet aangeraakt, nee, geen enkele keer had hij haar ook maar met een vinger aangeraakt, en misschien had dat er ook mee te maken, dat niet-aanraken. Diep in haar hart voelde ze al dat alles op een of andere manier samenhing en dat zij de enige was die de dingen heel langzaam zou begrijpen: elke keer zou haar weer een klein deel duidelijk worden van wat haar te wachten stond. Maar misschien zagen en wisten mensen die van buitenaf naar haar keken het al eerder dan zij en kon ze het zelf eigenlijk ook al afleide nuit de zich opeenstapelende voortekenen.
Heel even kon ze zichzelf zien op haar vijftigste, lang, mager en ver welkt,een geurloze bloem,een vrouw die met snelle, grote stappen liep, met gebogen hoofd en een gezicht dat schuilging onder een breedgerande strooien hoed. En de jongen met de ezellach bleef ondertussen zijn weg naar haar aftasten, kwam naderbij en schuifelde weer weg — alsof hij het erom deed, dacht ze verwonderd, alsof het een soort spelletje van hem was — en hij grinnikte, dreef de spot met zijn eigen onhandigheid, slofte in kringetjes rond door de kamer en vroeg haar nu en dan iets te zeggen om hem de juiste richting te wijzen: ‘Als een vuurtoren, maar dan eentje van geluid,’ legde hij uit. Een wijsneus, dacht ze, en ook nogal een kluns. Maar eindelijk kwam hij uit bij haar bed, vond op de tast de stoel die ze voor hem had klaargezet, liet zich erop neer zakken en hijgde uit als een oude man. Ze rook zijn koortszweet en ze plukte een van haar dekens van zich af en gaf hem die, waarop hij zich er in wikkelde en er het zwijgen toe deed. Ze waren beiden uitgeput en ieder kromp rillend en kreunend ineen, intens geconcentreerd op zichzelf.
‘Toch,’ zei ze daarna van onder haar deken, ‘klinkt je stem me bekend in de oren, waar kom je vandaan?’
‘Uit Jeruzalem,’ zei hij.
‘Ik uit Haifa,’ zei ze met enige nadruk, ‘ik ben met een ambulance hierheen gebracht, vanuit het Rambamziekenhuis, vanwege de complicaties.’
‘Die heb ik ook,’ lachte hij, ‘mijn hele leven is één grote complicatie.’ Ze zwegen. Hij krabde hard zijn buik en borst en gromde, waarop zij ook begon te grommen. ‘Dat is nog het gekmakendst, hè?’ vroeg ze en ze krabde zich eveneens, met tien nagels. ‘Soms zou ik me het liefst helemaal villen, als het maar zou ophouden.’ Telkens als ze begon te praten, hoorde hij haar lippen van elkaar gaan met een zacht plakkerig geluid, en hij voelde het plotseling kloppen in zijn vingertoppen en de punten van zijn tenen. Ora zei: ‘De ambulancechauffeur zei dat ze ziekenwagens in tijden als de ze nodig hadden voor belangrijker zaken.’
‘Zeg, is het je opgevallen,’ vroeg hij, ‘dat iedereen hier boos op ons is, alsof we expres ziek zijn?’
‘Omdat we de laatst overgebleven patiënten van de epidemie zijn.’
‘Wie ook maar een klein beetje was opgeknapt, is uit het ziekenhuis gesmeten, en vooral de soldaten, die hebben ze helemaal snel teruggestuurd naarhet leger,zodat ze op tijd zouden zijn voor de oorlog.’
‘Dus het wordt echt oorlog?’
‘Ben je niet goed wijs? Die is al op zijn minst twee dagen aan de gang.’ Verbijsterd vroeg ze: ‘Wanneer is die begonnen?’
‘Eergisteren,geloof ik, en dat heb ik je gisteren of eergisteren al gezegd, ik weet niet meer wanneer, de dagen lopen door elkaar bij mij.’ Geschrokken viel ze even stil. ‘Dat is waar ook, je hebt het verteld...’ En het slib van rare, angstwekkende dromen kwam in haar bovendrijven. Hij mompelde: ‘Hoe kun je dat niet gehoord hebben? Er klinkt de hele tijd alarm en artillerievuur, en ik heb helikopters horen landen, er zijn vast al een miljoen doden en gewonden.’
‘Maar hoe verloopt de oorlog?’
‘Ik weet het niet, er is hier ook niemand om mee te praten, niemands hoofd staat naar ons.’
‘Wie verpleegt ons dan?’
‘Nu is er alleen nog die ene, kleine, magere Arabische die huilt, heb je haar niet horen huilen?’ Ora stond paf. ‘Is dat gehuil van een mens? Ik dacht dat het een jankend dier was, weet je het zeker?’
‘Het is van een mens, dat is zeker.’
‘Maar hoe komt het dat ik haar niet heb gezien?’
‘Het is er zo een die komt en gaat om de temperatuur op te nemen en de medicijnen en het eten op het dienblad te zetten. Ze is hier nu als enige, dag en nacht. ’Hij zoog op zijn wang en peinsde hardop: ‘Gek dat ze hier alleen een Arabische voor ons achterlaten, vind je niet? Ze laten de gewonden natuurlijk niet verplegen door Arabieren.’
Ora kon niet gerustgesteld worden. ‘Maar waarom huilt ze? Wat heeft ze?’
Hij zei: ‘Hoe moet ik dat weten?’
Ora richtte zich op en haar lichaam verstijfde, en met ijzige kalmte bracht ze uit: ‘Ze hebben Tel Aviv veroverd, zeg ik je, Nasser en Hoessein hebben al koffie gedronken in een café in de Dizengoffstraat.’
Hij schrok. ‘Waar heb je dat vandaan?’
‘Ik heb het gisternacht gehoord, of vandaag, ik weet het bijna zeker, misschien hebben ze het op de radio gezegd, ik heb het gehoord. Ze hebben Beërsjeva, Asjkelon en Tel Aviv ingenomen.’
‘Nee,nee,dat kan niet,misschien komt het door de koorts, je hebt het gedroomd, want het is godsonmogelijk. Je bent gek, het kan niet waar zijn dat zij winnen.’
‘Het kan wel, het kan wel,’ mompelde ze in zichzelf, en ze dacht: wat weet jij nu af van wat mogelijk is en wat niet?

[...]

Oorspronkelijke titel Isja borachat mi-besora
© 2008 David Grossman en Hakibbutz Hameuchad, Tel Aviv
Nederlandse vertaling © 2009 Ruben Verhasselt en Uitgeverij Cossee,Amsterdam

Utgeverij    Cossee

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum