Leesfragment: Filosofische temperamenten. Van Plato tot Foucault

27 november 2015 , door Peter Sloterdijk

27 september verschijnt de nieuwe Peter Sloterdijk, Filosofische temperamenten. Van Plato tot Foucault (Philosophische Temperamente. Von Platon bis Foucault), vertaald door Mark Wildschut. Vanavond kunt u al het Woord vooraf en een deel van het eerste hoofdstuk, over Plato, lezen. En uw exemplaar reserveren natuurlijk.

In dit fraaie miniatuur schrijft Peter Sloterdijk zijn eigen filosofiegeschiedenis in korte, briljante tableaus. Een zeer toegankelijk boekje voor alle liefhebbers van het werk van Peter Sloterdijk en voor degenen die dat (nog) niet zijn.

Van Plato tot Foucault brengt Sloterdijk het leven van negentien denkers en de inhoud van hun werken op onverwachte en soms humoristische wijze met elkaar in verband. Daarbij presenteert hij deze denkers niet uitsluitend als leveranciers van ideeën en analyses, zoals gewoonlijk in historische overzichten van de filosofie gebeurt. Sloterdijk tracht de denkers in hun temperament te treffen: in de urgente problemen die ze aan de orde willen stellen, in de heftige conflicten die ze soms aangingen, en in de persoonlijke emoties die hun stijl van schrijven bijzonder maken.

Sloterdijk behandelt in dit boek Aristoteles, Augustinus, Bruno, Descartes, Pascal, Leibniz, Kant, Fichte, Hegel, Schelling, Schopenhauer, Kierkegaard, Marx, Nietzsche, Husserl, Wittgenstein, Sartre.

Woord vooraf

Rond het midden van de jaren negentig vatte ik samen met uitgeverij Diederichs het toen gedurfd aandoende plan op voor een alternatieve geschiedenis van de filosofie, die de grote etappes van het oude en recente Europese denken moest afleggen in de vorm van leesboeken rond de belangrijkste schrijvers. Het idee was indertijd ongetwijfeld mede ingegeven door de behoefte een anticyclisch intellectueel signaal af te geven tegen de om zich heen grijpende geesteloosheid, die voor het Duitse fin de siècle typerend was.
Het nieuwe aan dit plan was gelegen in het besluit de toonaangevende schrijvers zelf aan het woord te laten. Er was ons als uitgevers en bezorgers van primaire filosofische teksten veel aan gelegen de overheersing van de secundaire literatuur te mijden, die er sinds jaar en dag voor zorgt dat de woorden waarin de oorspronkelijke gedachten zijn vervat overal schuilgaan achter ondoordringbare sluiers van commentaren en commentaren op commentaren. Door ons op de teksten zelf te richten, wilden we het oorspronkelijke filosofische denken toegankelijk maken voor een breder publiek, en niet in de laatste plaats ook de studenten die zich voor het academische vak ‘filosofie’ hebben ingeschreven een alternatief bieden voor de alom dominerende ‘Inleidingen’. Het was mijn overtuiging – en is het nog – dat er in de filosofie geen inleiding kan bestaan, maar dat de filosofische discipline vanaf de eerste minuut zelf het toneel moet betreden, eerst als denkwijze, en in het verlengde daarvan als levenswijze.
Het project nam door de goede samenwerking tussen de uitgeverij en de samensteller snel concrete vorm aan en wist een aantal uitmuntende geleerden zo te overtuigen dat ze zich bereid verklaarden de selectie en presentatie van de primaire teksten op zich te nemen. Binnen een paar jaar ontstond een serie die niet minder dan een filosofische bibliotheek in nuce vormde. Deze boeken hebben weldra hun weg naar de lezers gevonden en hebben vooral met hun herdrukken als pockets een groot publiek bereikt. Slechts twee van de geplande delen – niet de minste, ja juist die welke mij bijzonder na aan het hart lagen –, het Heidegger-leesboek en de Adorno-reader, kwamen door problemen met de rechten niet tot stand. Het was een schokkende ervaring te merken hoe de beheerders van de nalatenschappen van Heidegger en Adorno hun monopolies gebruikten om de uitgave van een door de grootste kenners gemaakte selectie uit de geschriften van deze auteurs te verhinderen.
Door de voorwoorden van de samensteller bij de afzonderlijke delen in het onderhavige boekje te bundelen, is een effect bereikt dat oorspronkelijk niet was beoogd en nu tot op zekere hoogte toch plausibel lijkt. Tot mijn eigen verrassing merkte ik dat de hier bijeengebrachte vignetten van denkers zoiets als een zinvol aggregaat vormen – geen geschiedenis van de filosofie, maar wel een galerij van karakterstudies en intellectuele portretten die aantonen hoezeer Nietzsche gelijk had toen hij opmerkte dat alle filosofische systemen altijd ook zoiets als onopgemerkte memoires en bekentenissen van hun schrijvers zijn geweest. Dat aan de selectie van de auteurs onvermijdelijk een element van onrechtvaardigheid kleeft, valt niet te loochenen. Doordat ze het ad libitum uit de weg ging, hield ze het midden tussen noodzaak en willekeur.
De titel van deze bundel is onmiskenbaar een toespeling op de bekende uitspraak van Fichte: wat voor filosofie je kiest, hangt af van de vraag wat voor mens je bent. Daarmee wilde hij zeggen dat onderdanige types kiezen voor een naturalistisch systeem, dat hun slaafsheid rechtvaardigt, terwijl mensen met een trotse inborst een systeem van de vrijheid omhelzen. Deze constatering is nog altijd even waar. Ik hoop met de volgende kleine studies te hebben aangetoond dat het scala van filosofische temperamenten veel verder reikt dan deze archetypische tegenstelling tussen laffe en trotse subjecten. Ze is zo breed als de door de logos verlichte ziel, waarvan Heraclitus beweerde: hoe ver je ook gaat, het is onmogelijk haar grenzen te bereiken.

Plato

In het beroemde aforisme 344 van De vrolijke wetenschap, ‘In hoeverre ook wij nog vroom zijn’, heeft de antiplatonist Friedrich Nietzsche voor de stichter van de Academie van Athene een even eervol als problematisch monument opgericht:

‘Maar men zal begrepen hebben waar ik heen wil, namelijk dat het nog altijd een metafysisch geloof is waarop ons geloof in de wetenschap berust – dat ook wij kennenden van tegenwoordig, wij goddelozen en antimetafysici, ook ons vuur nog ontlenen aan de brand die een duizenden jaren oud geloof heeft ontstoken, dat geloof van de christenen, dat ook het geloof van Plato was, namelijk dat God de waarheid is, dat de waarheid goddelijk is […] maar wat nu als juist dit steeds ongeloofwaardiger wordt…’

We kunnen ons de geschiedenis van de Europese filosofie voorstellen als een estafette waarin een bij Plato – en bij een paar van zijn voorlopers, voornamelijk Parmenides en Heraclitus – ontstoken vuur van generatie op generatie werd doorgegeven.
Het beeld van een fakkelloop van het denken door de millennia heen strookt met de meest uiteenlopende waardeoordelen, of je deze loop nu zonder omhaal als waarheidsgeschiedenis of slechts als probleemgeschiedenis of zelfs, zoals Nietzsche suggereert, als geschiedenis van onze langste dwaling wil opvatten. Terecht noemde Marsilio Ficino – sleutelfiguur van het Florentijnse neoplatonisme in de vijftiende eeuw – Plato in de inleiding van zijn commentaar op het Symposion (De amore): pater philosophorum, ‘vader der filosofen’.
Inderdaad was de Europese filosofie in haar idealistische hoofdstroming als het ware het gevolg van een platoonse patristiek. Ze opereerde als een complex van leerstellingen en machtswoorden die in laatste instantie uit één enkele vruchtbare bron leken te zijn ontsproten. De meesterwerken van Plato fungeerden als een zaadbank van ideeën, waardoor talloze latere intellectuelen zich lieten bevruchten, vaak over grote afstanden in de tijd en tussen sterk uiteenlopende culturen. Dat geldt niet alleen voor de Academie van Athene zelf, die als oerbeeld van de Europese ‘school’ haar onderwijsactiviteiten bijna duizend jaar lang in een ononderbroken reeks wist voort te zetten (387 v. Chr. tot 529 n. Chr.). Plato’s leer bleek daarenboven een wonder van vertaalbaarheid en had een bijna evangelisch te noemen uitstraling op vreemde talen en culturen – waarvan de Romeinse en de Arabische receptie, later ook de Duitse de belangrijkste voorbeelden vormen. Het belang daarvan wordt alleen nog overtroffen door de versmelting van het platonisme met de christelijke godsdienst. Wat Adolf von Harnack ooit de graecisering of verwereldlijking van de christelijke theologie noemde, de acute gnostische evenals de geleidelijke katholieke, staat voor een groot deel in het teken van de goddelijke Plato. Voor het overige dragen veel van de speculatieve theosofische theorieën van de islam tot op heden een grote hoeveelheid platoniserende motieven in zich.
Dus is het Corpus Platonicum meer dan een verzameling klassieke geschriften naast andere. Het is de stichtingsakte voor heel het genre van de Europese idealistische filosofie als schrijftrant, als leer en als levensvorm. Het vertegenwoordigt een nieuw bondgenootschap van de intelligentie met de mensen in de stad en in het rijk. Het lanceert het goede nieuws van de logische doordringbaarheid van deze droeve wereld. Als evangelie van de goede grond van alle dingen verankert het platonisme het streven naar waarheid in een vroom rationalisme – en er waren niet minder dan de burgerlijke revoluties van de negentiende en twintigste eeuw voor nodig om deze verankeringen los te wrikken. Als fasen in dit ontketeningsproces staan ons Schopenhauers metafysica van de blinde wereldwil, Nietzsches perspectivisme en fictionalisme, het materialistisch evolutionisme van de natuur- en sociale wetenschappen en ten slotte de moderne chaostheorieën voor ogen. In haar klassieke onderwijsvorm wilde de leer van Plato een aanwijzing geven hoe je in theorie gelukkig kon leven. Ze vormde in de ware betekenis van het woord een religie van het denken, die zichzelf in staat achtte onderzoek en stichting onder één dak te verenigen. Sommige godsdiensthistorici menen te kunnen aantonen dat de leer van Plato in sommige aspecten gewoon een modernisering vormde van sjamanistische tradities. Van oudsher kenden deze de hemelvaarten van de ziel en het heilzame contact met de geesten in het hiernamaals. Het bovenhemelse oord van Plato, waar de zuivere ideeën rondzweven, is volgens deze zienswijze niets anders dan een gelogificeerde hemel en het opstijgen van het denken naar de ideeën slechts een gemoderniseerde reis van de ziel met de vervoersmiddelen van het begrip.

[...]

Oorspronkelijk verschenen onder de titel Philosophische Temperamente. Von Platon bis Foucault
© 2009 Diederichs Verlag

Uitgeverij Boom

MINDBOOKSATH : athenaeum