Leesfragment: God op zijn plaats. Het kruispunt van religie en democratie

27 november 2015 , door Ian Buruma

Morgen verschijnt Ian Buruma, God op zijn plaats. Het kruispunt van religie en democratie, vertaald door Suzan de Wilde. Vanavond kunt u de inleiding lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Ian Buruma geeft een scherpe analyse van de spanningen tussen religie en politiek op drie continenten. Acht jaar lang hebben de Verenigde Staten een evangelische christen als president gehad, wiens goedgeorganiseerde, gelovige achterban de scheiding van Kerk en Staat soms helemaal leek te willen opheffen. Door het toenemende aantal radicale moslims groeit aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, in Europa, de angst dat de islam de westerse democratie aan het uithollen is. En zelfs in Azië, bij uitstek een polytheïstisch continent, is de ontwikkeling van de democratie lange tijd belemmerd door de nauwe banden tussen de staat en religie. God op zijn plaats biedt rijke inzichten in de ‘botsing’ tussen Oost en West, en in het aanhoudende conflict tussen religieuze en seculiere autoriteiten.

Inleiding

Religie is terug van weggeweest, dat gegeven is in Europa actueler dan in de Verenigde Staten, waar religie nooit verdwenen zou zijn. Maar een halve eeuw lang, van de jaren twintig tot de jaren zeventig van de twintigste eeuw, was de georganiseerde religie zelfs in de Verenigde Staten geen politieke macht van betekenis. Ze bleef echter altijd bestaan, zeker buiten de grote steden, als een sociale factor. En de politiek werd er wel door beïnvloed. De eerste rooms-katholieke president, John F. Kennedy, toch geen bijzonder vroom man, moest zijn kiezers geruststellen dat hij zich nooit de wet zou laten voorschrijven door het Vaticaan. Een openlijk ongelovige kandidaat had nooit president van de Verenigde Staten kunnen worden en zo is het nog steeds.
Maar dat Jimmy Carter de aandrang voelde om de blijde boodschap te verspreiden dat hij een wedergeboren christen was, was nogal ongebruikelijk. Hij was echter wel een vrijdenkende politicus die onder geen beding toeliet dat religieuze autoriteiten zich met zijn politiek bemoeiden. Sindsdien is de invloed van het evangelische christendom in de politiek toegenomen, vooral, maar niet uitsluitend, als een rechtse, maatschappelijk conservatieve kracht.
Zeker tijdens de acht jaar van het presidentschap van George W. Bush werd het in Europa normaal om het seculiere karakter van de Oude Wereld tegenover de godsdienstigheid van Amerika te stellen. Toen de ideologische verwantschap die West-Europa en de Verenigde Staten tijdens de Koude Oorlog had samengebracht na 1989 overbodig werd, begon men een groeiende kloof te ervaren tussen de twee continenten, alsof er een schisma was ontstaan in de westerse beschaving. Europeanen deden alsof het secularisme hen altijd al had onderscheiden van die bekrompen, conservatieve, godvrezende Amerikanen. Voor het gemak werd daarbij even vergeten hoe kort het nog maar geleden was dat de autoriteit van de gevestigde kerken in zelfs de meest vrijzinnige Europese landen was aangetast. Het is te begrijpen dat zij dit zo zagen, want terwijl in Europa de invloed van de kerk juist verder afnam, veroverden de gelovigen in de Verenigde Staten steeds meer politieke macht, althans in de Republikeinse Partij.
Het is echter geenszins zeker dat het christendom niet terug zal keren in Europa of dat het zijn invloed op de Amerikaanse politiek zal behouden. Zelfs als de oude, gevestigde katholieke en protestantse kerken in Europa er niet in slagen om hun oude posities van hoogste culturele, sociale en politieke autoriteit terug te krijgen, kunnen we onmogelijk met zekerheid beweren dat de Europeanen zich niet aangesproken zouden voelen door evangelische bewegingen, zoals dat overduidelijk bij mensen op ieder ander continent, Azië incluis, wel gebeurt. Wellicht is het zo dat mensen die meer welvaart kennen met minder enthousiasme in de Here zullen gaan, maar wie zegt dat de Europeanen altijd zo rijk zullen blijven als ze nu zijn? Daarbij lijkt het er niet op dat de toenemende welvaart in het zuiden van de Verenigde Staten ervoor zorgt dat de honger naar religie onder een aantal rijke ingezetenen, waaronder ten minste twee voormalige presidenten, afneemt.
Radicale secularisten gaan er vaak van uit dat iedere georganiseerde religie een bedreiging vormt voor de open democratie. Wanneer religieus gezag ook politiek gezag wordt, is deze bedreiging reëel. Bij democratische politiek gaat het om het oplossen van botsende belangen door middel van onderhandeling en compromissen. Een religieuze instelling die beweert de absolute of goddelijke waarheid te vertegenwoordigen, kan deze noodzakelijke compromissen nooit sluiten zonder het gevaar te lopen haar eigen principes aan te tasten, laat staan politieke principes. Dit is ook de reden waarom vrome christenen, met name de protestanten, in Europa en de Verenigde Staten, vaak de eersten waren om de scheiding tussen Kerk en Staat te bepleiten – om de zuiverheid van hun geloof te beschermen.
Hoewel het absurd zou zijn om te beweren dat georganiseerd geloof onverenigbaar is met de open democratie, bestaan er nog altijd spanningen tussen religieus en politiek gezag.
Mijn boek is een poging om uit te zoeken hoe democratieën in verschillende culturen, op positieve dan wel negatieve wijze, door deze spanningen zijn beïnvloed. Ik heb niet de pretentie alle religies in alle landen te behandelen. Dat zou een onmogelijke taak zijn. Ik heb me geconcentreerd op West-Europa en de Verenigde Staten, en daarnaast op de twee landen in Azië die ik het beste ken: Japan en China.
Een van mijn belangrijkste raadgevers bij deze onderneming is een groot Europees denker die een klassieker schreef over de Verenigde Staten van Amerika en ook interessante dingen te zeggen had over de islam: Alexis de Tocqueville (1805-1859). In zijn visie kon de democratie zich juist zo nestelen in de Verenigde Staten omdát de Amerikanen het christelijke geloof deelden, en in het bijzonder het protestantse geloof, waarvan de ongebonden vertegenwoordigers de grenzen tussen hun kerken en de democratische staat streng bewaakten. Tocqueville was terecht bang dat de zaken in Europa iets gecompliceerder lagen. Daar werden religieuze aanspraken, vooral in katholieke landen, vaak opgevat als een belemmering voor democratisch bestuur.
Mijn boek bestaat uit drie delen: een over de verhoudingen tussen Kerk en Staat in Europa en de Verenigde Staten, een over religieuze autoriteit in China en Japan en een over de problematiek van de islam in het hedendaagse Europa. De rode draad die door deze essays loopt, wordt, ondanks de verschillen wat betreft tijd en plaats, gevormd door de vraag van Tocqueville: Wat is er nodig, naast vrijheid van meningsuiting en stemrecht, om democratische samenlevingen bijeen te houden? Is de toepassing van de wet voldoende of hebben we gedeelde waarden, ethiek en mores nodig? En welke rol speelt religie in dit geheel? Is het een stimulans of een obstakel voor de open democratie?
Wat Tocqueville nooit had kunnen voorzien, was de opkomst van de islam als een belangrijke factor in de Europese politiek. Statistisch gezien vormen vrome moslims slechts een kleine minderheid binnen de Europese bevolking, maar toch is de islam in sommige gebieden een concurrent van het christendom als grootste georganiseerde religie. Wat dit precies betekent als het gaat om maatschappelijk of politiek gezag is moeilijk te meten, zeker omdat er, anders dan in de rooms-katholieke kerk of de gevestigde protestantse stromingen, geen islamitische kerk bestaat met een hiërarchie van geestelijken. Het zou voor de meeste moslims moeilijk zijn om een gemeenschappelijk programma vast te stellen: hun culturen, achtergronden, belangen en geloofsvormen zijn te divers. Dat is ook een van de redenen waarom er in Europa bijvoorbeeld nog geen islamitische politieke partijen bestaan. Desalniettemin worden praktiserende moslims, met inbegrip van de meerderheid van de gelovigen die zich aan de wet houdt en niets opheeft met welke gewelddadige politieke ideologie dan ook, gezien als een bedreiging voor de seculiere zekerheden die de Europeanen de laatste dertig jaar hebben verworven.
De Europeanen – en misschien de Amerikanen ook wel, zij het in mindere mate – zijn bang voor de gevolgen. Populistische waarschuwingen dat we ‘spoedig een minderheid zullen zijn in eigen land’ of ‘overspoeld’ zullen worden door moslims, vallen in vruchtbare aarde. Sommige schrijvers die gevangenzitten in deze sfeer van angst (of die helpen aanwakkeren), spreken over ‘Eurabië’, alsof Europa, te zwak of ongemotiveerd om haar eigen beschaving te kunnen verdedigen, het gevaar zou lopen te ‘islamiseren’ door mensen die niet alleen staan te trappelen om te vechten voor hun overtuigingen, maar die ook veel sneller, veel meer nakomelingen produceren dan ‘wij’ dat doen. En zelfs als dit waar zou zijn, wat in geen geval zeker is, dan gaat men er ook van uit dat de kleinkinderen van de huidige voortplanters zich in niets zouden onderscheiden van de huidige generatie op het gebied van cultuur en religie. Een onwaarschijnlijk vooruitzicht.
Het is niet altijd gemakkelijk om onderscheid te maken tussen de angst voor een vreemde religie, in dit geval een religie waartegen de christelijke wereld in het verleden eeuwenlang heeft gestreden, en de angst voor vreemdelingen in het algemeen. Voor sommige Europeanen maakt het niet uit of een moslim gelooft in de Profeet, laat staan dat hij een ‘jihadstrijder’ is, hij of zij is een buitenlander met een donkere huidskleur en dat is op zichzelf al bedreigend. Sommige mensen zijn bang dat onze hele beschaving op het spel staat als ‘hun’ gebruiken, al dan niet door religie geïnspireerd, botsen met onze opvattingen over hoe fatsoenlijke burgers zich zouden moeten gedragen.
Dit is de reden waarom voormalige progressieven, die zich voorheen profileerden als moedige strijders tegen racisme, zich soms in hun oppositie tegen de islam in hetzelfde kamp bevinden als conservatieven. Want de islam, zo stellen zij, dreigt met zijn achterhaalde ideeën over homoseksualiteit of de rol van de vrouw, juist die verworvenheden omver te werpen waar progressieve lieden in de afgelopen eeuw voor hebben gevochten. Dit verklaart de hysterie naar aanleiding van vrouwen die een allesverhullende boerka dragen, zelfs in landen waar het aantal van zulke vrouwen minimaal is.
Er zijn ongetwijfeld moslims met denkbeelden die niet te rijmen vallen met seculiere normen. Datzelfde geldt voor sommige joden en christenen, om nog maar te zwijgen van culturele enclaves waarin de tijd lijkt stil te staan, zoals die van de amish of de Amerikaanse mennonieten. De reden dat mensen juist moslims eng vinden komt door hun relatief grote aantallen in bepaalde wijken van Europese steden en de samensmelting, soms echt en soms verzonnen, van standaard denkbeelden met gewelddadige politieke ideologieën. Het gewelddadige aspect van de radicale politieke islam heeft in een aantal Europese steden zijn sporen al nagelaten. Maar het is te gemakkelijk om er simpelweg van uit te gaan dat de bebaarde man met broekspijpen tot op zijn enkels of de vrouw in de zwarte hidjab een mes of een tijdbom verbergt.
De relaties tussen Kerk en Staat of tussen religieuze en seculiere autoriteiten kunnen niet worden verklaard als abstracties. Zij kunnen alleen begrepen worden in de context van de geschiedenis. Omdat het niet mijn intentie is een polemiek te schrijven, maar om te proberen de wereld waarin we leven beter te begrijpen, zullen de geschiedenis en historische denkers in de geschiedenis een grote rol spelen in mijn betoog.
Omdat Europese landen ieder hun eigen geschiedenis hebben als het gaat om de verhoudingen tussen Kerk en Staat, en maatschappelijk gedrag, gaan verschillende gemeenschappen ook verschillend om met de aanwezigheid van grote groepen moslims in hun midden. Groot-Brittannië geeft de voorkeur aan een sociale vorm van laissez-faire. Mensen hebben het recht om vast te houden aan hun eigen gewoonten, zolang ze zich maar aan de wet houden. Progressieve Britten, net als Nederlanders overigens, wellicht achtervolgd door een schuldgevoel dat voortkomt uit een koloniaal verleden, gingen soms nog verder en moedigden mensen actief aan om vooral hun tradities te behouden, want elke druk om zich te conformeren aan Europese gewoonten zou immers rieken naar imperialistische arrogantie. Onder dit schuldgevoel gaat in dit geval een bijzondere ironie schuil, aangezien dit ‘multiculturalisme’, waar de conservatieven zo’n hekel aan hebben, namelijk een weerspiegeling is van de manier waarop het Britse wereldrijk ooit werd geregeerd: de onderdanen in de koloniën opdelen in gemeenschappen en regeren via hun leiders. Dit gegeven is op zijn beurt weer in overeenstemming met de Britse traditie: religie, zelfs de gevestigde anglicaanse kerk, wordt meer in culturele dan in theologische termen gezien. Om anglicaans te zijn hoef je niet zozeer te geloven, als wel je te conformeren aan bepaalde nationale gebruiken. Waarom – zo luidt het multiculturele betoog – zouden we iemand van Pakistaanse of Bengaalse afkomst een dergelijke culturele verbondenheid ontzeggen?
Ook Nederlanders beschouwden religie ooit volgens de principes van het multiculturalisme, lang voordat dit woord bekend werd. Ieder in eigen kring, protestant, katholiek of joods. In Nederland werd dit idee toegepast op alle aspecten van het leven: een katholiek ging naar een katholieke school, een katholieke voetbalclub, een katholieke universiteit, of een katholieke vereniging. Katholieken trouwden met katholieken, stemden op katholieke politieke partijen, luisterden naar katholieke radiozenders en kregen hun pensioen via katholieke pensioenfondsen. Hetzelfde gold voor de vele protestantse gezindten. En de liberalen en socialisten hadden eveneens hun eigen aparte werelden. Aan de top van het sociale en politieke systeem werkten de paternalistische vertegenwoordigers van de verschillende zuilen, vaak achter gesloten deuren, aan het bereiken van consensus over nationaal beleid. Deze verzuiling werd in de negentiende eeuw min of meer ‘uitgevonden’ om te voorkomen dat gelovigen elkaar naar de keel zouden vliegen. Zo kon de democratie functioneren.
Omdat de Franse Revolutie voor een deel ook een opstand was tegen het gezag van de katholieke kerk, is de Franse Republiek ideologisch met het secularisme verbonden op een manier die de Britten en de Hollanders vreemd is. Openbare instellingen zoals scholen mogen geen religieuze symbolen toestaan die hun seculiere karakter zouden kunnen aantasten. En de republikeinse idee van de citoyen, gelijk voor de wet als een individueel onderdeel van de algemene wil, laat geen ruimte voor denkbeelden die onderscheid tussen gemeenschappen maken. Multiculturalisme is anathema voor de ideologie van de Franse republiek. Veel mensen zijn bang dat de kleinste concessie aan religieuze uitingen in de openbare of politieke ruimte voor een opleving van de macht van de gehate priesters zou kunnen zorgen.
Ook al is de relatie met moslims in de Verenigde Staten minder beladen, de kwestie van Kerk en Staat is er verre van opgelost. Er is nog altijd een diepe kloof tussen diegenen die menen dat de Verenigde Staten altijd een christelijke (of judeo-christelijke) staat was en dat ook altijd zal moeten blijven en diegenen die het eens zijn met Thomas Jefferson dat de staat neutraal is en dat religie een privézaak moet zijn. Wat het extra ingewikkeld maakt is dat conservatieve Amerikaanse christenen zich, net als hun Europese tegenhangers, soms meer verwant voelen met conservatieve moslims dan met progressieve vrijdenkers, wier verdorvenheid in de ogen van gelovigen vaak de grootste bedreiging vormt voor een fatsoenlijke samenleving.
Vaak wordt aangenomen dat het lastige probleem van religieus dogmatisme in de politiek uitsluitend voortkomt uit de monotheïstische tradities. Slechts diegenen die in één god geloven hebben de neiging om agressief te reageren ten opzichte van andere geloven. En een fenomeen als theocratie wordt vaker geassocieerd met het christelijke of islamitische geloof, dat immers op dogma’s uit heilige boeken berust, dan met hindoeïsme, taoïsme of boeddhisme.
De waarheid is zoals gewoonlijk gecompliceerder. Hoewel mensen die in één God geloven een dieper verlangen hebben om hun geloof over de hele wereld te verspreiden – hun God is immers universeel en niet tribaal of lokaal – kan het probleem van Kerk en Staat, dus hoe politiek gezag van religieus gezag moet worden gescheiden, net zo heftig zijn in polytheïstische landen. De Tibetaanse traditie, en de positie van de Dalai Lama in de hedendaagse politiek, is hiervan een voorbeeld. Maar het is niet het enige. Ik zal de voorbeelden van China en Japan tamelijk gedetailleerd behandelen om te laten zien hoe men daar is omgegaan met de politiek van het geloof en hoe het geloof de ontwikkeling van Aziatische democratische instellingen kan hebben gestimuleerd dan wel belemmerd.
Er is hier een zeker verband met de problemen in het Westen. Ten eerste zal, nu het machtscentrum naar het Oosten verschuift, de politiek in Azië in toenemende mate invloed krijgen op het leven elders. Belangrijker is echter dat, als we het over de intellectuele geschiedenis hebben, vooral China door westerse denkers, ontgoocheld door de situatie in hun eigen land, vaak is voorgehouden als spiegel (een sterk vervormde, dat wel) voor het Westen. Zo ging Voltaire ervan uit dat het politieke systeem van China, dat gebaseerd was op seculiere confuciaanse ethiek, rationeler was, dat wil zeggen, minder beïnvloed door een religieuze autoriteit, en dientengevolge superieur aan de manier waarop Frankrijk werd geregeerd. In de maoïstische tijd werden vergelijkbare beweringen gedaan, en dat terwijl China zich op dat moment in de moordzuchtige greep van een quasireligieuze waanzin bevond.
De paradox waar we hier voor staan is dat zowel China als Japan in het Westen zijn geïdealiseerd, niet alleen vanwege het zogenaamde rationalisme in de confucianistische politiek, maar ook vanwege de superieure spiritualiteit in hun religieuze tradities zoals het zenboeddhisme, het taoïsme en dergelijke.
Delen van de confucianistische wereld – Japan, Zuid-Korea en Taiwan – worden tegenwoordig bestuurd door democratisch gekozen regeringen. In Vietnam en China is dit niet het geval. Mijn poging om verder te onderzoeken hoe religieuze organisaties een rol hebben gespeeld in deze ontwikkelingen is niet alleen bedoeld om dieper te graven in de Oost-Aziatische geschiedenis, hoe fascinerend deze ook mag zijn, maar is ook een manier om een beter inzicht te krijgen in de ingewikkelde relaties tussen geloof en seculiere politiek. Zijn sommige religies meer bevorderlijk voor democratische politiek dan andere? Brengt het monotheïsme inderdaad grotere ideologische gevaren met zich mee dan flexibeler overtuigingen?
Aangezien ik noch de voordelen, noch de ellende heb gekend van een religieuze opvoeding (ons gezin viel onder de ‘liberale zuil’), kan ik niet schrijven als aanhanger van een bepaald geloof. Ook heb ik geen speciale voorkeur voor polytheïsme of monotheïsme, ofschoon ik er wel de logica van kan inzien om je kaarten op meerdere goden te zetten. Ik ben geen fanatieke atheïst, eerder een agnost. Wel ben ik overtuigd van één ding: ik denk niet dat geloof, het verlangen naar metafysische antwoorden op vragen die niet rationeel beantwoord kunnen worden, de behoefte aan en het genieten van mystieke rituelen en spirituele speculaties, zullen verdwijnen. Ik denk ook niet dat dat per se zou moeten.
Pogingen om georganiseerde religie met geweld te onderdrukken hebben zelden geleid tot vrede, laat staan tot democratie. Sterker nog, dit soort pogingen hebben gewelddadige religieuze opstanden veroorzaakt of politieke stromingen voortgebracht die niet minder bloedig waren dan het ergste religieuze geweld.
Omdat dit essay over religie en democratie gaat, heb ik quasireligieuze politieke bewegingen als nazisme en stalinisme buiten beschouwing gelaten. Deze laten echter duidelijk zien wat er gebeurt als de staat beweert de bron van absolute waarheid te zijn. Dergelijke claims zijn altijd dodelijk wanneer ze met geweld worden ondersteund, of ze nu door priesters of door volkscommissarissen worden afgedwongen.
Religie is geen rationeel gebeuren. De metafysische waarheden van het geloof kunnen niet worden bewezen; ofwel men gelooft ze, of niet. Als we nadenken over de problemen van religie en democratie, dan is de voornaamste kwestie hoe voorkomen moet worden dat irrationele driften worden omgezet in geweld. Spinoza, geen religieus mens, had geen problemen met religie, mits onder strikte voorwaarden beleden. Het geloof zou tot liefdevol en vreedzaam gedrag moeten leiden, zou nooit met rationele wetenschap mogen worden vermengd en zou altijd onder controle moeten staan van de leiders van een seculiere staat. Ik zet mijn vraagtekens bij het laatste punt, maar de eerste twee punten zijn onaanvechtbaar.

© 2010 Ian Buruma
© 2010 Nederlandse vertaling: Suzan de Wilde
Oorspronkelijke titel: Taming the Gods. Religion and Democracy on Three Continents
Oorspronkelijke uitgave: Princeton University Press

Uitgeverij Atlas

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum