Leesfragment: Groetjes en liefs aan allen. Het verhaal van de familie van Anne Frank

27 november 2015 , door Mirjam Pressler
| | | | | | |

Duizenden brieven, documenten en fotos die Anne Franks neef Buddy en diens vrouw Gerti op zolder vonden, vormen de grondslag voor het boek 'Groeten en liefs aan allen.' Het verhaal van de familie van Anne Frank, waarin Mirjam Pressler een bewogen geschiedenis van de familie Frank schildert. 13 januari treden naast de auteur ook Gerti Elias en Buddy Elias op. Vanavond kunt u  enkele pagina's uit het boek lezen, uit het deel van Annes tante Helene Elias-Frank.

De lezing zal plaatsvinden in de Singelkerk, Singel 452 te Amsterdam op woensdag 13 januari om 20.00 uur. De voertaal bij de lezing is Duits/Nederlands. De entree is € 5,-. Aanmelden vooraf is niet nodig. Deze lezing wordt georganiseerd door het NIOD in samenwerking het Goethe- Instituut Amsterdam en het Genootschap Nederland-Duitsland.

De tijd zonder brieven

Hoe leefde men in veilig Zwitserland, omringd door oorlogvoerende naties, omringd door het kanongebulder waarvan je de echo meent te horen, ook al is het vele kilometers van je verwijderd? Hoe leefde men met het gedreun van de bommenwerpers met hun dodelijke vracht? Ook in Bazel moeten ze soms te horen zijn geweest, de Franse en de Duitse grens zijn immers niet ver, en er is waarschijnlijk ook wel eens een bom bij vergissing op Zwitserse bodem gevallen. Dat heeft Buddy in ieder geval verteld.
In maart 1941 kreeg de familie de eerste schok te verwerken toen ze vernam dat Jean-Michel Frank, Leni’s neef, die intussen een zeer bekend meubelontwerper was geworden, in New York zelfmoord had gepleegd. Over zijn motief is niets bekend. Hij was voor de Duitsers vanuit Parijs naar de VS gevlucht, omdat hij zich dubbel bedreigd voelde doordat de nazi’s niet alleen joden, maar ook homoseksuelen genadeloos vervolgden. Op zijn zesenveertigste stortte hij zich uit het raam van zijn woning in Manhattan. Voor zijn vriend Jean Cocteau was zijn dood ‘als het vallen van een gordijn tussen de wereld van het licht en de wereld van de duisternis’. Het bericht van de dood van Jean-Michel raakte de hele familie diep en wekte de herinnering aan zijn broers Oscar en Georges – die in de Eerste Wereldoorlog in de strijd tegen Duitsland waren gevallen –, aan het trieste einde van zijn vader Leon, die, toen hij over de dood van zijn tweede zoon hoorde, eveneens zelfmoord had gepleegd, en aan zijn moeder Nanette, die uit vertwijfeling over dat alles in een zenuwinrichting moest worden opgenomen, waar ze intussen was gestorven. Het moet de familie in Bazel extra hebben getroffen dat Jean-Michel op dezelfde manier een eind aan zijn leven had gemaakt als zijn vader vele jaren eerder, door zich uit het raam te storten.

Jean-Michel Frank, ca. 1925
Jean-Michel Frank, ca. 1925

Toen, in 1942, kwamen er geen berichten meer, brak er een lange tijd zonder brieven aan. De familie, die eraan gewend was alles van iedereen te weten, wist opeens niets meer. In de Herbstgasse kregen ze kennelijk niet te horen dat Robert zich die zomer onder de honderden Duitse joden bevond die ‘in the interest of national security’ op het eiland Man waren geïnterneerd. Het kostte zijn vrouw Lotti weken om te achterhalen waar hij überhaupt was. Pas na enkele maanden mocht hij weer naar huis.
Er kwamen geen berichten meer in de Herbstgasse, uit Londen noch uit Amsterdam; in plaats daarvan nieuws over deportaties van Nederlandse joden naar de beruchte kampen in het oosten waarvan de namen geleidelijk bekend werden: Auschwitz, Majdanek, Treblinka, Theresienstadt. Tegelijk drongen er ook geruchten tot Bazel door, dat talrijke Nederlandse joden onderdoken om aan een dreigende deportatie te ontkomen. In de Herbstgasse hoorden ze niets over Otto, Edith en de kinderen, maar ze kenden Otto, wisten hoe bedachtzaam en vooruitziend hij was. Als het íemand zou lukken zichzelf en zijn gezin in veiligheid te brengen, dan was het Otto. Maar de twijfels en angsten moeten gebleven zijn. Hoe gingen ze daarmee om? Hoe leefden ze met de onzekerheid, niet alleen over het lot van Otto, Edith, Margot en Anne, maar ook over dat van Robert en Lotti? Want per slot van rekening hielden de Duitsers niet op Londen te bombarderen.
Hoe vreselijk het ook klinkt, je went aan alles. En je stelt je gerust, je maakt je iets wijs, je schermt je met strohalmen van de vijandige buitenwereld af. Je vlucht uit een realiteit die je je niet wilt of kunt voorstellen naar de dagelijkse sleur die zich met zijn eisen maar al te makkelijk op de voorgrond dringt. Natuurlijk vergaten ze hun bedreigde geliefden niet, hun zoon, broer, zwager, oom, ook diens vrouw en dochters niet, de kleinkinderen, nichten, neven. Ze dachten aan hen, maar niet elk uur, elke minuut. Er was het leven van alledag, en dat was, zelfs in het neutrale Zwitserland, moeilijk genoeg en werd steeds moeilijker. Per slot van rekening kon je niet almaar op de postbode zitten te wachten, en als je dag in dag uit, week na week vergeefs wacht, houd je op een gegeven moment op met wachten.
Ze waren het er in de familie over eens geworden dat Otto’s laatste briefkaart aan Leni, die met de vervroegde verjaardagswensen, erop wees dat ‘de Amsterdammers’ een schuilplaats wilden zoeken en daarom niet meer ‘met I en de haren’ konden ‘corresponderen’. ‘Dat moet ze begrijpen.’ Ze begrepen het omdat ze geen keus hadden. Bovendien kwam er in 1943 een schrijven van de Nederlandse Opekta. Johannes Kleiman, een oude vriend van Otto Frank en nu zakelijk leider van de firma, schreef nu een formele brief waarin hij op een puur zakelijke kwestie inging. Maar toen dook er een opmerking op die in de Herbstgasse tot lange discussies leidde, het zinnetje namelijk: Onze ‘kleine’ is intussen even lang als mijn vrouw, je kunt het nauwelijks geloven. Kleiman hád geen ‘klein’ dochtertje meer, zíjn kinderen waren volwassen, dat wisten ze. Zou deze opmerking dus een heimelijke toespeling op Anne zijn? Wist hij iets wat hij hun niet openlijk wilde mededelen? En als deze opmerking echt op Anne betrekking had, betekende de eerdere zin: Hoewel huishouden in de oorlog overal moeilijkheden met zich meebrengt, hebben we aan niets wezenlijks ernstig gebrek en zijn we allemaal gezond, dat de Franks in hun schuilplaats genoeg te eten kregen en tot dusver gezond waren? En moest de opmerking Niet een van ons was deze winter verkouden soms betekenen dat de employés van de firma, of Kleiman en zijn vrouw, niet verkouden waren geweest, of waren Otto, Edith, Margot en Anne ermee bedoeld? Ze geloofden het, ze hielden het zich net zo lang voor tot ze het geloofden. Ook nu hadden ze geen keus.

Brief van Johannes Kleiman aan Erich Elias, 12 mei 1943
Brief van Johannes Kleiman aan Erich Elias, 12 mei 1943

Het leven ging door, en voor Leni en Erich kwamen andere problemen op de voorgrond. Hun zoons Stephan en Buddy groeiden op en hadden zorg en aandacht nodig, en de economische situatie was niet bepaald rooskleurig. Daarbij kwam de bezorgdheid over Paul, Erichs broer. Erich en Leni probeerden alles om voor hem een inreisvergunning voor Zwitserland te krijgen, maar vergeefs. Buddy herinnert zich dat: ‘Paul wist op een of andere manier naar Frankrijk te vluchten. Daar heeft hij, ik weet niet hoe, een visum voor Bolivia op de kop getikt. Hij kon echter vanuit Frankrijk niet naar Bolivia reizen, via Zwitserland zou dat mogelijk zijn geweest. We hebben hier bij de autoriteiten verzoeken ingediend dat hij van hieruit door zou kunnen reizen. Er zouden voor Zwitserland geen financiële lasten uit voortvloeien, wij zouden voor hem zorgen. Maar ze hebben die afgewezen met als motivatie: verlaten van het land is niet gegarandeerd. Zwitserland wees alle verzoeken in deze aangelegenheid af zoals het ook de verzoeken van veel andere joden afwees, kennelijk uit angst voor Überfremdung, verlies van de eigen identiteit. Ook in zulke gevallen vond de weinig roemrijke politiek volgens het principe “De boot is vol” ingang.’

Johanna Elias, ca. 1911
Johanna Elias, ca. 1911

Oma Ida was wanhopig. Drie kinderen had ze ter wereld gebracht en uiteindelijk hield ze alleen Erich over. Haar dochter Johanna, een knap meisje van wie in de Herbstgasse nog enkele foto’s zijn aangetroffen, werd verliefd op een christelijke officier en liet zich door hem verleiden. Maar toen Johanna zwanger werd was de officier niet van zins met een jodin te trouwen, hij liet haar gewoon zitten. Een alledaagse geschiedenis, zou je kunnen zeggen, zoiets heeft men al zo vaak gehoord. Maar voor Johanna betekende het het einde van haar wereld – in 1911, op haar achttiende, pleegde ze zelfmoord.
Oma Ida en Erich hebben die gebeurtenis nooit verzwegen, ze hebben altijd open over Johanna en haar ongeluk gesproken.
Eén kind had oma Ida dus al verloren, nu werd ze door de zorg voor het tweede, haar zoon Paul, gekweld. En met iedere weigering van de vreemdelingenpolitie werd ze nog zwijgzamer en nam haar schoonmaakwoede toe. Hoe terecht haar bezorgdheid was zou pas na de oorlog blijken. Paul Elias is in Auschwitz vermoord.
Ook om Herbert moesten ze zich bekommeren. Erich en Leni probeerden een verblijfsvergunning voor hem te krijgen. In die aangelegenheid is er een brief van 18 januari 1943 aan de Israëlitische sociale zorg in Bazel, waarin de ondertekenaars, Mevrouw Alice Frank-Stern en de heer Erich Elias-Frank zich verplichten in volle omvang voor het onderhoud van hun zoon en zwager, de heer Herbert Frank, te zullen opkomen en voor zijn vertrek naar het buitenland volgens de gegeven mogelijkheden zorg te zullen dragen. Een met de hand geschreven opmerking onder op het document luidt: Aan de heer Gretschel, met het verzoek te beslissen of deze achterborg voor een garantie bij de vreemdelingenpolitie voldoende is.
De achterborg was voor de vreemdelingenpolitie blijkbaar genoeg. Het kan echter ook zijn dat Herbert Frank, die intussen eveneens staatloos was geworden, met vervalste papieren Zwitserland is binnengekomen, want onder de documenten bevindt zich een carte d’identité waarop weliswaar een foto van Herbert te zien is, maar die op naam van zijn overleden neef Jean-Michel Frank, Frans staatsburger, is afgegeven.
Herbert bleef tweeënhalf jaar in de Herbstgasse, waarvan een aantal brieven en ook een met de hand geschreven cv (1942-1945 in Basel) getuigen, en verliet Zwitserland pas na het eind van de oorlog om naar Frankrijk terug te keren.

Leni bleef zich om het levensonderhoud van de familie bekommeren. In 1943 verhuisde ze van haar ‘vlooienmarkt’ naar de Spalenvorstadt, een echte winkel op de hoek van de Schützenmattstraße waarin ze nu naast gebruikte kleding, schoenen, lampen en allerlei snuisterijen ook meubels verkocht, antiquiteiten. Veel van de emigranten zagen zich, uit geldnood of omdat ze ze op hun verdere omzwervingen niet wilden of konden meenemen, gedwongen hun meubels, waartoe ook waardevolle antiquiteiten behoorden en die ze voor een deel ergens hadden opgeslagen, te verkopen. Deze mensen wendden zich nu rechtstreeks tot Leni als ze nog in Zwitserland waren, of ze schreven haar brieven met het verzoek zich, als nasturen van hun eigendommen niet te realiseren viel, om de opgeslagen goederen te bekommeren en ze te verkopen. Dat was vanuit haar kamer in Klein-Bazel niet meer te doen; bovendien had ze intussen iemand in dienst, want haar activiteiten waren zo omvangrijk geworden dat ze deze in haar eentje niet meer aankon. Leni was dus zakenvrouw geworden, in zoverre ze daartoe in de gelegenheid was. Haar werkwijze was niet bepaald conventioneel. Zo heeft ze nooit een kasregister gehad, maar sorteerde ze het geïncasseerde geld in enveloppen met de naam van de eigenaar erop. Maar het lijkt altijd op de een of andere manier weer goed te zijn uitgekomen, en bovendien had ze immers Erich die zich om de boekhouding bekommerde.
Er is een verhaal over Leni, dat heel typerend schijnt te zijn. Gerti heeft het verteld, haar schoondochter die later nog met Leni in haar zaak heeft gewerkt. Op een dag, zo vertelt ze, kwamen er twee jonggehuwden in de winkel, twee studenten die hun eerste gemeenschappelijke woning wilden inrichten en eigenlijk een kastje zochten. Ze ontdekten een porseleinen servies en waren heel ongelukkig dat ze het niet konden kopen, het ging hun financiën verre te boven. Leni luisterde een tijd lang naar hen, toen mengde ze zich in hun gesprek en zei: ‘Jullie mogen het servies hebben. Betaal het maar als jullie het geld ervoor hebben.’ De twee kwamen met een lasserwagentje, laadden het servies erop en trokken het eendrachtig naar hun woning. Pas een jaar later, zegt Gerti, begonnen ze het servies in maandelijkse termijnen van een paar franc af te betalen, en ze waren daar pas mee klaar toen hun tweede kind geboren was. ‘Zo was Leni,’ zegt Gerti. ‘En toch heeft ze op de een of andere manier altijd kans gezien het broodnodige te verdienen.’

Franse identiteitskaart, op naam van Jean-Michel Frank, maar met de foto van diens Duitse neef Herbert
Franse identiteitskaart, op naam van Jean-Michel Frank, maar met de foto van diens Duitse neef Herbert

Ook in die moeilijke jaren heeft Leni nooit van haar bridgemiddagen, altijd op woensdag, afgezien, en evenmin van uitnodigingen om te komen eten. Volgens Buddy was ze gewoon als iemand haar onsympathiek was met een licht Frankfurtse tongval te zeggen: ‘Die ken ik van het wegkijken,’ en als iemand haar aanstond: ‘Die kan komen eten.’ Er kwamen er veel. Zo herinnert Buddy zich dat Wilhelm Herzog, een intussen vrijwel vergeten literatuur- en cultuurhistoricus, geregeld in de Herbstgasse te gast is geweest. Hij werd in de familie ‘le Duc’ genoemd. Buddy herinnert zich nog een gast, ‘Ivo Grgowitsch of zoiets’, deze was volgens hem Joegoslavisch consul geweest, misschien ook viceconsul; in ieder geval was hij elke zaterdag soepvlees komen eten. Hij zat dan aan tafel te wachten tot Erich het vlees voorsneed en daarbij altijd iets aan te merken had, nu eens was het te vet, dan weer te mager. Dan was Ivo als een geit beginnen te mekkeren, tot Erich zei: Zoet nou maar, zo heb ik het niet bedoeld, hoor. ‘We mochten hem allemaal graag,’ zegt Buddy. ‘Hij is toen naar Joegoslavië teruggegaan en er was geen contact meer, helaas. Heel de oorlog kwamen er gasten eten, vluchtelingen...’
Leni kon niet koken, dat wisten ze allemaal. Des te verbaasder reageerde Gerti later, toen haar schoonmoeder haar eens vertelde dat ze een kookcursus had gevolgd. ‘Op mijn vraag waarom,’ vertelt Gerti, ‘antwoordde ze dat dat in haar jeugd gebruikelijk was geweest. Ze liet me trots haar eigenhandig geschreven kookboek met talloze recepten zien. Maar gekookt heeft ze nooit. Later kwam ze een paar maal bij mij in de keuken en vroeg ze me of ik haar wilde laten zien hoe je kookt. Ik probeerde haar iets bij te brengen, maar in de kortste keren viel het haar in dat ze iets vergeten was dat ze meteen moest afhandelen. Daarmee was het alweer voorbij.’ Maar zelfs al had ze het gekund, dan had ze toch geen tijd gehad om te koken, ze bracht haar dagen in de zaak door en nam vaak te veel werk op haar schouders.
Beroemd waren Leni’s zondagse theevisites, waar ze zorgvuldig geselecteerde gasten voor uitnodigde. Dan werd de grote tafel in de eetkamer uitgetrokken zodat er tegen de twintig personen aan plaats konden nemen, en ging Leni zelf dekken, want dat kon ze meesterlijk. Er kwam een van de prachtige kleden met kantinzetten op tafel die Alice had gemaakt, daarop het porseleinen theeservies dat nog van Cornelia afkomstig was, en het zilveren bestek van Elkan Juda Cahn, zilveren kandelaars en bloemen.
Vreni serveerde thee en hapjes, niets geweldigs, veeleer bescheiden gezien de schitterend gedekte tafel, en als de twee zilveren theepotten die met de suikerpot op een eveneens zilveren dienblad stonden leeg waren, kwam Vreni ze bijvullen. Menig emigrant zal zich terug gewaand hebben in een tijd die hij lang voorbij dacht, en waarschijnlijk zal er wel eens een weemoedige opmerking zijn gemaakt.
Natuurlijk werd er geconverseerd, dat was gebruikelijk, men was beschaafd, men behoorde tot de hogere middenklasse, men demonstreerde zijn maatschappelijke positie, ook al zal het meestal de positie zijn geweest die men vroeger ooit had ingenomen.
Waarschijnlijk sprak men over de familie. En natuurlijk boden ze tegen elkaar op met hun verhalen, begonnen ze op te scheppen. Zo zou Alice misschien gezegd kunnen hebben: ‘Mijn neef, dr. Alfred Stern, was in Zürich professor van Albert Einstein, ja, ja, de Albert Einstein die in 1921 de Nobelprijs voor natuurkunde heeft gekregen. Mijn neef stond ook later met Einstein in contact, ik heb met eigen ogen brieven van die beroemde man gezien.’
‘Zo veel Duitse Nobelprijsdragers waren joden,’ merkt iemand op, en dan somt men namen op: Richard Willstätter, Fritz Haber, Gabriel Lippman, Alfred Fried, Paul Ehrlich, Otto Meyerhof... Allen knikken en daarmee is er iets van glans op de joden in het algemeen en op Alice en Leni in het bijzonder gevallen.
‘Woont uw neef in Zürich?’ vraagt wellicht een ander, en Alice antwoordt: ‘Nee, hij is in 1936 gestorven, en zijn drie dochters zijn ongehuwd gebleven. Helaas heeft geen van hen kinderen gekregen.’
Dan praten ze opeens allemaal over verwanten waar ze zich zorgen over maken, of over verwanten van wie ze graag zouden willen dat ze zich zorgen om hén zouden maken. En natuurlijk komt het gesprek op een gegeven moment ook op Nederland, zoals het ongetwijfeld op elk Europees land komt waar zich een familielid bevindt.
‘Ik ben blij dat ik er nog weg heb kunnen komen, kort na de overval,’ zegt iemand, de neef van een Bazelse joodse familie misschien, een jonge, forse man die je wel tot zo’n vlucht, via de Vogezen naar Frankrijk en vandaar hierheen, naar Bazel, in staat acht. Het is een gepromoveerd jurist die aan zijn studie hier in Zwitserland natuurlijk niets heeft.
‘Mijn broer is dáár nog,’ zegt Leni, ‘hij is ondergedoken.’ Onderduiken, het is een nieuw woord dat de vluchtelingen uit Nederland hebben meegebracht. Het komt al makkelijk over Leni’s lippen. ‘We nemen tenminste aan dat hij met zijn gezin ondergedoken is.’
En weer is men bij een thema uitgekomen dat men bij deze bijeenkomsten eigenlijk wilde vermijden. ‘Waar kun je je daar überhaupt verstoppen?’ vraagt Alice. ‘Die Nederlandse huizen hebben immers zelfs geen kelders. En hoe moet het als iemand ziek wordt? Of tandpijn krijgt?’
De jurist haalt zijn schouders op. ‘Voor onderduikers en hun helpers is het beslist niet makkelijk. En de Duitsers, zegt men, betalen voor het verraden van elke ondergedoken jood zevenenhalve gulden.’ Hij last een veelbetekenende pauze in, lang genoeg om als men dat zou willen aan Judas’ dertig zilverlingen te denken, dan vervolgt hij: ‘Er zijn genoeg verraders onder de Nederlanders. De opgepakte joden gaan allemaal naar Westerbork en van daaruit naar de kampen in Polen. En dat terwijl Westerbork ooit een vluchtelingenkamp voor joden uit Duitsland is geweest, het is indertijd zelfs door de Nederlandse joodse gemeenten betaald.’
Nu op zijn laatst staat Alice op en verlaat ze de kamer, dan hoor je haar voetstappen op de trap, trage voetstappen, ze is een oude vrouw geworden.
Leni weet dat ze haar moeder naderhand boven in haar kamer zal aantreffen. Daar zal ze in haar leunstoel zitten, met foto’s of brieven in haar hand, brieven van Margot en Anne die ze steeds weer leest, foto’s die ze steeds weer bekijkt, en haar ogen zullen rood en gezwollen zijn.
Bijzonder erg is het op de verjaardagen, dan komt Alice zelfs voor het eten niet beneden en moet Vreni haar het dienblad boven brengen. Als Leni later bij haar komt houdt Alice haar een foto voor en zegt ze, op 12 juni 1943: ‘Anne wordt vandaag veertien. Hoe zou ze er nu uitzien?’ En op 12 juni 1944: ‘Vandaag wordt Anne vijftien.’ Of ze heeft op 16 februari 1943 de foto van Margot in haar hand en zegt: ‘Margot wordt vandaag zeventien. Toen ik zo oud was ging ik naar concerten en naar het theater, en had ik al veel vereerders.’ Op 16 januari zegt ze misschien: ‘Edith wordt vandaag drieënveertig. Dit heeft ze niet verdiend, ze is toch nog zo jong.’
‘Het kan niet lang meer duren,’ zegt Leni dan, omdat haar niets anders invalt en omdat ze het zelf graag zou willen geloven. ‘Volgend jaar zijn we vast allemaal weer samen.’
‘Dat heb je vorig jaar al gezegd, en twee jaar geleden ook,’ zegt Alice en begint te huilen.
Leni geeft haar moeder een kus en laat haar weer alleen, ze weet dat op zulke dagen troostende woorden zinloos zijn. De verjaardagen zijn het ergst.

Misschien stelden ze zich immers ook voor hoe triest de verjaardagen in hun schuilplaats verliepen, en vroegen ze zich af of het überhaupt wel mogelijk was het jarige kind iets cadeau te doen. Otto zou toch minstens wel een gedicht hebben gemaakt, hij had immers altijd graag gedicht, zoals alle kinderen in de familie. Inderdaad bevindt zich onder de documenten die op zolder in de Herbstgasse zijn ontdekt een gedicht, een geschenk van Otto voor zijn vrouw Edith op haar drieënveertigste verjaardag. Vermoedelijk bevond dit gedicht zich onder de weinige dingen die in het Achterhuis achterbleven, zoals bijvoorbeeld enkele foto’s en zoals ook Annes dagboeken. Otto moet het gedicht, toen hij later in de Herbstgasse kwam wonen, als herinnering aan zijn vermoorde vrouw Edith hebben meegebracht. Het luidt als volgt: 208 Annes tante

Keine Blumen, auch kein Aal
Keine Torte, auch kein Shawl
Keine Strümpfe, keine Taschen
Ja, nicht einmal was zum Naschen
Keine Bonbons, Schokolade,
Nicht ein Keks’chen von Verkade,
Nichts zum Anziehn, nichts zum Lesen:
Wie ist’s früher doch gewesen?
Wenn wir doch nur etwas hätten!
Halt – 2 Päckchen Zigaretten.
Das ist alles. S’gibt nichts mehr
Denn die Läden, die sind leer.
Ausserdem war es Dein Wille
Nicht zu feiern, in der Stille
Ganz zu bleiben. So soll’s auch geschehn,
Das wird ein jeder sicher verstehn.
Die früheren Freunde, die alten Bekannten,
Die Brüder, die in fernen Landen
Sie denken Alle sicher an Dich.
Doch kein Brief ist auf dem Geburtstagstisch,
Kein Telefon kann dich erreichen.
So etwas ist doch ohne Gleichen.
Und doch: wenn auch abgeschieden im Hinterhaus
Wir heute Deinen Geburtstag begehn
Und nicht einmal ein Blumenstrauß
In unserm Zimmer ist zu sehn
Doch sind wir nicht allein, im Gegenteil
Für Geld und gute Worte ist feil
Die Liebe und Treue, die man uns hier beweist.
S’kann keiner ermessen, was das heisst,
Wie immer wieder, jeden Morgen
Die guten Freunde für uns sorgen,
Uns Nachricht bringen, Nahrung spenden
Stets bereit mit Kopf und Händen.
De tijd zonder brieven
Was kannst Du mehr verlangen im Leben
Als Freunde, die Dir alles geben,
Dass Du die Kinder bei Dir hast
– Dazu den Pim – sie wollen die Last
Dir helfen tragen, soweit es geht.
Wir ‘Vier’ sind zusammen von früh bis spät.
Wenn wir gesund die schwere Zeit durchstehn
Dann wird alles andre auch weitergehn.
Wir hoffen, dass bald Friede sei
Und Deinen nächsten Geburtstag wir frei
Und ohne Sorgen können verbringen.
Wir hoffen’s – und es wird gelingen.

(Geen bloemen, ook geen paling, geen taart, ook geen sjaal, geen kousen, geen tassen, zelfs niet eens iets om te snoepen, geen bonbons, chocola, niet één biscuitje van Verkade, niets om aan te trekken, niets om te lezen / Hoe is het vroeger toch geweest? Hadden we toch maar iets! Wacht eens – twee pakjes sigaretten. Dat is alles. Er is niets meer. Want de winkels zijn leeg. Bovendien was het jouw wens, niet te vieren, helemaal stil te blijven. Zo moet het ook gebeuren, dat zal iedereen zeker begrijpen. / De vroegere vrienden, de oude kennissen, de broers die in verre landen zijn, ze denken allen zeker aan je. Maar geen brief ligt er op de verjaardagstafel, geen telefoon kan je bereiken. Zoiets is toch ongeëvenaard. En toch: ook al vieren we vandaag, afgezonderd in het Achterhuis, je verjaardag en al is er in onze kamer zelfs geen boeket te zien, toch zijn we niet alleen, integendeel, voor geld en goede woorden zijn de liefde en trouw te koop die men ons hier bewijst. Niemand kan in zijn volle omvang begrijpen wat dat betekent, hoe steeds weer, iedere morgen de goede vrienden voor ons zorgen, ons nieuws brengen, voedsel bezorgen, steeds bereid met hoofd en handen. / Wat kun je meer verlangen in het leven dan vrienden die je alles geven – daarbij Pim – ze willen je voor zover dat gaat de last helpen dragen. Wij ‘vier’ zijn samen van vroeg tot laat. Als we gezond deze moeilijke tijd doorstaan, dan zal al het andere ook verdergaan. We hopen dat het gauw vrede wordt, en dat we jouw volgende verjaardag vrij en zonder zorgen kunnen doorbrengen. We hopen het – en het zal lukken.)

De vrede waarnaar hij verlangde zou nog meer dan twee jaar op zich laten wachten, vrije, zorgeloze verjaardagen zouden er niet meer komen. Edith zou nooit vierenveertig worden, Margot maar net negentien en Anne nog geen zestien.

De foto portretteert Buddy en Helene Elias.
Oorspronkelijke titel ‘Grüße und Küsse an alle’. Die Geschichte der Familie von Anne Frank
© 2009 Mirjam Pressler
© 2010 Nederlandse vertaling Uitgeverij Bert Bakker en Pim Lukkenaer

 

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum