Leesfragment: Hartstochtelijk houd ik van muziek

27 november 2015 , door Claude Debussy

Komende week verschijnt deel 271 van de reeks Privédomein: Claude Debussy, Hartstochtelijk houd ik van muziek. Een keuze uit zijn brieven, vertaald en toegelicht door Lucas Bunge. Vanavond kunt u al een deel uit de inleiding en enkele brieven lezen. En natuurlijk uw exemplaar reserveren of bestellen.

Wat de impressionisten in de schilderkunst teweegbrachten, heeft Claude- Achille Debussy (1862-1918) voor de muziek gedaan: hij heeft haar bevrijd uit oude structuren, hij heeft vers bloed gebracht in het levende wezen dat zij is.

Natuurlijk is luisteren naar zijn werk het eerste middel om dat te ontdekken. Maar ook de duizenden brieven die Debussy schreef, geven een rijk beeld van zijn scheppend vermogen. Zijn proza is soms grillig maar altijd elegant en hoffelijk, al velt de schrijver soms een scherp oordeel over mens en muziek. Wie die brieven leest, wordt bovendien deelgenoot van de grote kring van kunstenaars die in het fin de siècle hun inspiratie ontleenden aan nieuwe elementen: aan wat uit verre oorden tot hen kwam op de grote wereldtentoonstellingen, aan de wereld van de mythologie, aan die van het kind en aan de krachten van de natuur.

Uit die overvloed van brieven heeft Lucas Bunge een keuze gemaakt die recht doet aan de veelkleurige wereld van deze componist: brieven waarin hij zijn opvattingen over muziek weergeeft, over liefde en vriendschap, over zijn materiële noden en, natuurlijk, over zijn eigen werk. De samensteller wisselt de brieven af met korte levensschetsen. Bovendien wekt hij Debussy’s weergaloze muziek tot leven door uit iedere periode een compositie te bespreken.

Inleiding

Achille-Claude Debussy (1862-1918) had geen zonnige natuur. Op slechts een enkele foto van hem is een zweem van een glimlach te ontwaren, en zelfs wanneer je zijn soms wat theatrale uitlatingen over het zware leven met een korrel zout neemt, rijst toch het beeld op van iemand voor wie het bestaan geen eenvoudige opgave is.
Wie in vogelvlucht Debussy’s leven beschouwt, kan weinig uiterlijke aanleiding zien tot zo’n levenshouding. Goed, zijn afkomst uit een zeer eenvoudig sociaal milieu bereidde hem bepaald niet voor op een artistieke loopbaan, maar hij bekroonde zijn studiejaren aan het conservatorium toch met de hoogst denkbare onderscheiding, de Prix de Rome. Ieder zou er blij mee zijn geweest, hij niet.
Zijn eerste liefde, Marie Vasnier, inspireerde hem tot meer dan twintig liederen. Hoewel zij veertien jaar ouder was dan hij, getrouwd en moeder, hield de liefde enkele jaren stand. Uit de opdrachten in autografen is op te maken dat Debussy veel om haar gaf. In de jaren na de terugkeer uit Rome zocht en ontving hij talloze artistieke en andere impulsen, en in de volgende fase, ruwweg tussen 1890 en 1900, komt zijn talent tot wasdom. Gaby Dupont, zijn minnares gedurende meer dan zes jaar, moet een stevig karakter hebben gehad, en de twee naïeve pogingen die hij in diezelfde tijd deed om met twee andere meisjes tot een ‘net’ huwelijk te komen, kunnen misschien alleen verklaard worden uit de neiging tot het burgerdom te behoren — hoewel, waren Thérèse Roger en Catherine Stevens nu werkelijk sociaal meer ‘aanvaardbaar’ dan Gaby?
Als dan de publieke erkenning daar is, met het eremetaal van het Légion d’honneur als symbool, zou iets kunnen blijken van een gevoel van voldoening. Veel is daarvan niet te bespeuren. Zijn eerste vrouw Lilly Texier komt aanvankelijk tegemoet aan zijn aard, ‘plus voluptueux que passionné’, zoals zij hem later kenschetste, maar de glans van het huwelijk verbleekt al na enkele jaren. Vaak wordt beweerd dat zij hem in artistiek en intellectueel opzicht niet kon bijbenen, laat staan stimuleren; het is misschien beter te zeggen dat Debussy’s karakter om een actief tegenspel vroeg, dat zij hem niet kon bieden. Hij verlaat haar in 1904 en stapt af van zijn eenvoudige bestaan in het artistieke milieu om met zijn tweede vrouw Emma Bardac een deftig herenhuis in een deftige buurt te betrekken. Emma bood hem wel dat tegenspel: zij was artistiek ontwikkeld en had ook in andere opzichten veel noten op haar zang. In 1905 wordt hun dochter Chouchou geboren. Ondanks momenten van laag water bleef het huwelijk in stand.
Wij laten het graag aan psychologen over om te verklaren waarom de beide huwelijken hem niet echt geluk brachten. Hij was fundamenteel niet uitgerust met de eigenschappen voor een harmonisch leven in een gereguleerd bestaan, en de wens om daar toch bij te horen, bracht hem meer problemen dan voldoening. ‘Om mij heen weigert men halsstarrig te begrijpen dat ik nooit in de werkelijkheid van dingen en mensen heb kunnen leven, met als gevolg een onbedwingbare behoefte mijzelf te ontvluchten in avonturen die onverklaarbaar zijn, omdat ik er een mens laat zien die men niet kent, en die misschien mijn beste deel is! Een kunstenaar is trouwens per definitie iemand die vertrouwd is met dromen en die te midden van schimmen leeft... Hoe kan men verlangen dat diezelfde mens in het dagelijks leven de tradities, wetten en andere hindernissen, die door de hypocriete en laaghartige wereld worden opgeworpen, strikt naleeft?’ (brief 121 aan Jacques Durand, 8 juli 1910).
Voortaan voelt hij het klemmende juk van een te royale levensstandaard. Om de stijgende schuldenlast bij zijn uitgever en anderen in te perken, onderneemt hij concertreizen, waarop hij eigen werk dirigeert en speelt. Menigeen zou van die nood een deugd hebben gemaakt en genieten van de talloze nieuwe indrukken die zulke reizen kunnen geven. Hij niet, integendeel, keer op keer is hij nog nauwelijks onderweg of een bijna pathologisch verlangen naar contact met Emma bevangt hem.

De laatste jaren van zijn leven worden getekend door betrekkelijk machteloze nationalistische gevoelens die de Eerste Wereldoorlog bij hem teweegbrengt, en door de pijnlijke symptomen van de darmkanker waar hij in maart 1918 aan zou overlijden.
Debussy had een pyknisch uiterlijk, bewoog zich langzaam en sprak zacht. Hij was snel uit zijn doen, was sociaal niet echt vaardig en was wat verlegen, een verlegenheid die hij verborg achter ironie. In kleine kring van goede bekenden moet zijn gezelschap de moeite waard zijn geweest, al kon hij zich ook dan plotseling schuw terugtrekken in stilzwijgen of afstand scheppen door sarcasme. Maar hij was een goede en trouwe vriend, die veel van de vriendschap verwachtte en er ook veel voor teruggaf. In brieven aan bijvoorbeeld Chausson, Louÿs, Durand en Godet legt hij zonder terughouding zijn zorgen en vreugden, zijn wensen en al zijn preoccupaties neer, maar hij luistert en leest ook goed en gaat graag in op wat de ander bezighoudt. Misschien zelfs is hij ‘op afstand’ op zijn best, als hij onbedreigd vanuit zijn werkkamer, rustig formulerend, zijn veelkleurige proza schrijft. Opvallend is overigens zijn ambivalente houding tegenover musici. Hij kon hen het ene ogenblik prijzen en dan weer tot de grond toe afbreken. Zo oordeelde hij over de zangeres Rose Féart (6 december 1908) dat ‘haar stem en muzikaliteit mij veel vreugde schenken’, maar enkele maanden later was zij in dezelfde rol (van Mélisande) ‘onbeschrijflijk lelijk en zonder poëzie’. Anderzijds was hij bereid jongere collega’s te helpen en waar mogelijk te stimuleren (Edgar Varèse, Francisco de Lacerda). En zijn liefde voor kinderen — natuurlijk in de eerste plaats voor zijn oogappel, de kleine Chouchou — is heel zuiver. Ook hield hij van dieren, en hij had blijkbaar enig plezier in tuinieren, waarbij hij soms muzikale invallen had die hij, na ze snel op zijn piano te hebben getoetst, meteen noteerde.
In het huiselijk leven aan de avenue du Bois de Boulogne — dus in zijn latere jaren — werd veel aandacht aan de maaltijd geschonken. Debussy was een fijnproever. Gabriel Pierné, zijn studiegenoot, herinnert zich hoe zijn moeder de jonge Claude in de winkel iets liet kiezen, en dat die altijd een klein, fijn hapje verkoos boven grote brokken.
Helaas loopt door zijn hele leven als een rode draad het onvermogen om de tering naar de nering te zetten. Komt zijn neiging tot verkwisting voort uit het onbewuste verlangen toch ‘bij de betere kringen’ te horen, door zich een levensstandaard aan te meten die nu eenmaal niet paste bij zijn onzekere inkomen? Al in een van zijn eerste brieven vraagt hij zonder terughoudendheid aan een vriend 500 franc te leen om bloemen aan zijn geliefde te sturen; tijdens zijn eerste huwelijk besteedt hij ontvangen lesgeld aan antiek terwijl zijn vrouw thuis op hem wacht om er de boodschappen mee te kunnen doen; en in later jaren, in het grote huis met personeel, is er geen houden meer aan.

Geluk — misschien, en rust — zeker, brachten hem de talloze uren dat hij kon componeren, uren waarin hij in muziek vorm kon geven aan wat in hem leefde aan herinnering, aan beelden, als bewustzijn van natuurkrachten. Daar, achter dat minutieus geordende schrijfbureau, wanneer zich het geheimzinnige scheppingsproces voltrok (o, konden wij maar precies doorgronden wat zich werkelijk in hem afspeelde toen hij de eerste maten van ‘Nuages’ uit Trois nocturnes opschreef, waar kwamen zij vandaan, hoe ving hij ze op?), daar vindt hij ogenblikken van harmonie. In zijn werk kent hij geen compromis, hij blijft eindeloos speuren naar de ‘juiste’ noten en verschillende malen vraagt hij bij zijn uitgever ingeleverd werk terug om het te verbeteren of te vervangen. In die hardnekkige strijd kapt hij zich nieuwe wegen, want de oude leiden niet naar het land dat hij zoekt. De klassieke vormleer bepaalt niet meer de structuur van zijn composities, die ontstaat veeleer door een verborgen, ingebouwde natuurlijke golfslag van vloed en eb; zijn thema’s — als je het al thema’s kunt noemen — zijn geen melodieen in de traditionele zin, maar doen eerder denken aan kleurvlakjes, motieven, guirlandes, kettingen, opgehangen aan of gestut door akkoorden of suggesties van akkoorden, die bij de luisteraar zowel rust als verwachting wekken; net als zijn ritmische steunpunten, onverwacht, verschoven, nieuw — om dat versleten woord hier terecht te gebruiken. En ook in zijn klankkleuren, zijn timbres (en dat niet alleen in zijn orkestwerken, maar ook in zijn piano. en andere kamermuziek) is Debussy ons voorgegaan naar een nieuwe wereld. Hij was, hij is een van de grootsten. Hij heeft nieuw bloed gebracht in de verstopte aderen van het levende wezen dat de muziek is, en daarmee de weg naar de toekomst vrij gemaakt.

Natuurlijk is het luisteren naar zijn composities het eerste middel om dat te ontdekken. Maar dezelfde krachten die ook zijn muziek bepalen, zijn werkzaam in zijn andere creatieve uitingen, zoals de briljante, eigenzinnige artikelen die hij schreef in 1901 in La Revue blanche, in 1903 in Gil Blas en van eind 1912 tot maart 1914 in het blad van de Societe Internationale de Musique, samengebundeld onder zijn ‘nom de plume’ Monsieur Croche (Parijs 1987). En ook in zijn brieven spreekt de componist zich vrij uit. Het lijkt soms wel of de brief de plaats van een dagboek inneemt; hij vertrouwt er zo nu en dan zijn diepste gedachten aan toe. Stijl en inhoud zijn als zijn muziek: rijk aan originele klanken, breed uitwaaierend; soms grillig, geestig, maar altijd elegant en nooit ruw. Zeker, zijn oordeel over mensen is wel eens scherp en af en toe ook onredelijk, maar hij formuleert altijd interessant en is nooit verlegen om een origineel beeld: een echte schrijver.

[...]

4 (1884-7) Aan Giuseppe Primoli

[november (?) 1884]

Beste vriend,
Hierbij vraag ik u om een grote dienst — misschien verbaast het u dat ik me wend tot u, die ik nog niet lang ken, maar door mijn grote eenzelvigheid heb ik weinig vrienden gemaakt en daarom richt ik me tot u omdat ik voel dat u meeleeft met mijn problemen.
Mijn ouders zijn niet rijk, en ik kan het diner van de prijs1 niet betalen — ik heb vergeefs geprobeerd wat muziek te verkopen, maar het zat allemaal tegen. Ik heb een paar schulden gemaakt, die ik moet betalen voordat ik afreis, en ik kan zelfs niet wat bloemen kopen voor haar die er zo veel van houdt.2 Daarom vraag ik u mij 500 franc te lenen.
Ik betreur het ten zeerste dat ik u hiermee lastigval, ook al omdat u zoveel hebt gedaan voor mijn geestelijk leven. En nu val ik u ook nog lastig met mijn materiële leven, maar ik herhaal dat ik dit doe op grond van de vriendschap die u, zo denk ik, voor mij koestert, en daar komt bij dat mijn ouders het heel moeilijk hebben en ik ze hiermee niet tot last wil zijn.
Met zeer vriendelijke groeten, uw
Ach. Debussy

(Ik zal u met 100 franc per keer terugbetalen zodra ik mijn uitkering3 ontvang.)

[1. Er was na de officiële ontvangst van de winnaars van de Prix de Rome altijd een gezamenlijke maaltijd met medestudenten in een restaurant in het Bois de Boulogne. 2. Marie-Blanche Vasnier (1848-1923), ‘une chanteuse de talent’ schreef Paul Vidal (1863-1931, componist en vanaf 1906 dirigent aan de Opéra in Parijs) over haar. Debussy had Marie-Blanche ontmoet bij de zanglessen van een zekere mevrouw Moreau-Sainti, waar hij een baantje als begeleider had. 3. De prijs bestond uit een toelage van 3510 franc gedurende vier jaar voor een verblijf in de Villa Medici in Rome (in het derde jaar werden de bewoners geacht een Duitssprekend land te bezoeken); van het bedrag bleef 2500 franc over na aftrek van de kosten van levensonderhoud.]

[...]

40 (1899-1) Aan Georges Hartmann

1 januari 1899, zondag
rue Cardinet 58

Beste mijnheer Hartmann,
Ik had u graag persoonlijk mijn goede wensen overgebracht, maar ik ben door bronchitis aan bed gekluisterd... Er zijn in mijn leven heel wat dingen gebeurd. Eerst ben ik verhuisd,1 toen heeft mejuffrouw Dupont, mijn secretaresse, haar verbintenis opgezegd.2 Dat zijn veel verwarrende zaken en ook al ben je musicus, je bent niettemin mens. Ik zal u pas zien als de drie Nocturnes bij u zijn, u zult het mij wel kwalijk nemen, en niet zonder reden; misschien zou u mij wel kunnen beklagen...
In alle genegenheid,
Claude Debussy

[1. In december 1898 was Debussy verhuisd naar twee kamertjes op de vijfde verdieping van de rue Cardinet 58. 2. Dit was, na meer dan zes jaren samenwonen, de definitieve breuk met Gaby Dupont.]

[...]

43 (1899-44) Aan Lilly Texier

5 mei 1899, vrijdag

Beminde Lili,
Gisteren had ik een knap vervelende dag... je bezoek in de ochtend dat me zo gelukkig maakte liet me in verwarring achter, en natuurlijk was ik er helemaal klaar voor om het leven ondraaglijk te vinden... Dat was onvermijdelijk en ik ben zeer onaangenaam geweest tegen de mensen die het geluk hadden mij te ontmoeten. Ik sprak je naam uit, waar ik zo van houd, en achtereenvolgens, Lili, heb ik een tramconducteur en mijn beste vriend aangeroepen. Het is echt waar, op die manier beginnen de grote passies, ik kan wel zeggen dat de mijne om zich heen grijpt met de snelheid van een brand (ik moet erkennen dat het huis ditmaal in brand wílde staan!), ik heb voortdurend jouw mond voor ogen, en mijn lichaam doet pijn, zo sterk wordt het gekweld door het hevige verlangen om jou aan mijn hart te drukken, ik heb honger en dorst naar jou alleen, met uitsluiting van al het andere.
Weet je, Lili lief, je kunt misschien rodere lippen dan de mijne vinden, je kunt omhelsd worden door leniger armen dan de mijne en je kunt tegen jouw bloed een minder warm bloed voelen stromen, maar dat is allemaal niets, en nooit zal iemand anders van je houden met zo’n absolute overgave. Ik zal je vrijheid nooit beknotten, maar je altijd willen behagen, ik zou altijd degene willen zijn bij wie je je verlangen naar geluk kunt neerleggen. Je zult zeggen dat dit heel wat is, maar daarover kun je me alles vragen wat je wilt, ik heb immense reserves tot je beschikking.
Nog één dag en dan morgen...! Ik ben nu alleen maar bang dat iets je van me zal wegnemen...
Al mijn kussen,
Claude

Ik ben zoals altijd om 7.30 uur in de rue Scribe, ik stuur je een stukje kant en hoop dat je het mooi vindt, ik mag wel zeggen wat een geweldig geluk dat kant heeft, dat het zo dicht op je huid mag zitten.

[...]

56 (1901-69) Aan Pierre Lalo

[tegen 10 november 1901]
rue Cardinet 58

Monsieur,
Ik weet niet hoe ik u moet danken voor de vriendelijke dingen die u over de Nocturnes hebt geschreven,1 en dat is, geloof mij, ook het enige maar geenszins goedkope excuus voor mijn late reactie.
U hebt door een bijzondere genade, of eenvoudigweg door de kracht van uw afkomst, een solide inzicht in de muziek en, beter nog, u doorschouwt de geheimzinnige samenhang van de mens met zijn werk.
Daarom aanvaard ik met beide handen dat u erin geslaagd bent de zang in mijn muziek op een hoger plan te brengen; maar ik verzet mij wel tegen de perversiteit...!
Naar mijn mening bestaat perverse kunst nauwelijks, of, zo u wilt, past deze alleen bij enigszins verdorven geesten, en het zou mij wel diep bedroeven als mijn muziek op een goede dag alleen nog maar stiekem kon worden gespeeld.
U moet weten dat ik eigenlijk alleen maar heel voorzichtig probeer de muziek te bevrijden van een erfenis van zware tradities die verkeerd worden geïnterpreteerd, en waardoor deze kunst zeer wel ten onder zou kunnen gaan, als men dat niet voorkomt! De enige vraag is of ik daartoe de aangewezen persoon ben. In ieder geval heb ik misschien de weg gewezen, en anderen zullen het dan beter doen.
Ik kan niet alles zeggen, want het is me zwaar te moede, zoals de uitdrukking luidt. Liever dank ik u nogmaals en verzoek ik u te geloven in mijn oprechte sympathie.
Claude Debussy

[1. In Le Temps van 7 november 1901 had Lalo een lovende recensie geschreven over de drie Nocturnes: de enige schaduwzijde van het werk was, aldus Lalo, dat het publiek, verwend door deze subtiele klanken, de smaak voor al het andere zou verliezen.]

[...]

De brieven zijn ontleend aan Claude Debussy, Correspondance (Parijs 2005). Éditions Gallimard heeft toestemming gegeven voor de Nederlandse vertaling.
Copyright Nederlandse vertaling en overige tekst © 2010 Lucas Bunge

Uitgeverij De Arbeiderspers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum