Leesfragment: Heimwee naar vereeuwiging

27 november 2015 , door Fernando Pessoa
| |

‘Mijn vaderland is de Portugese taal,’ schreef Fernando Pessoa in Boek der rusteloosheid. Maar hij had ook een tweede ‘vaderland’: de Engelse taal. Zijn hele schoolopleiding volgde hij in die taal, hij hield van Shakespeare, Milton en de Engelse romantische dichters (Keats, Shelley, Byron, Wordsworth), en van de prozaïsten Edgar Allan Poe en Thomas Carlyle. Op jonge leeftijd had Pessoa dan ook de ambitie om een groot dichter te worden in de traditie van Shakespeare; zijn eerste gedichten schreef hij in het Engels, en ook later toen hij naam maakte als Portugees dichter, bleef hij in die taal schrijven.
    Zo 'herschiep' hij in 1918 de sonnetten van Shakespeare. Het leidde tot de bundel 35 sonnets, die is opgenomen in Heimwee naar vereeuwiging. De Engelse gedichten, de nieuwste uitgave in de Pessoareeks van De Arbeiderspers, die deze week tijdens Poetry International werd gepresenteerd. Het festival heeft dit jaar als thema de relatie tussen proza en poëzie, en ook Heimwee naar vereniging bevat twee prozagedichten. Deze Nacht kunt u, naast twee sonnetten uit 35 sonnets een fragment lezen uit een van die prozagedichten: 'Antinous', met de vertaling door August Willemsen, de in 2007 overleden vertaler die van het vertalen van Pessoa zijn levenswerk heeft gemaakt.

 

Antinous

The rain outside was cold in Hadrian’s soul.

The boy lay dead
On the low couch, on whose denuded whole,
To Hadrian’s eyes, whose sorrow was a dread,
The shadowy light of Death’s eclipse was shed.

The boy lay dead, and the day seemed a night
Outside. The rain fell like a sick affright
Of Nature at her work in killing him.
Memory of what he was gave no delight,
Delight at what he was was dead and dim.

O hands that once had clasped Hadrian’s warm hands,
Whose cold now found them cold!
O hair bound erstwhile with the pressing bands!
O eyes half-diffidently bold!
O bare female male-body such
As a god’s likeness to humanity!
O lips whose opening redness erst could touch
Lust’s seats with a live art’s variety!
O fingers skilled in things not to be told!
O tongue which, counter-tongued, made the blood bold!
O complete regency of lust throned on
Raged consciousness’s spilled suspension!
These things are things that now must be no more.
The rain is silent, and the Emperor
Sinks by the couch. His grief is like a rage,
For the gods take away the life they give
And spoil the beauty they made live.
He weeps and knows that every future age
Is looking on him out of the to-be;
His love is on a universal stage;
A thousand unborn eyes weep with his misery.

Antinous is dead, is dead for ever,
Is dead for ever and all loves lament.
Venus herself, that was Adonis’ lover,
Seeing him, that newly lived, now dead again,
Lends her old grief’s renewal to be blent
With Hadrian’s pain.

Now is Apollo sad because the stealer
Of his white body is for ever cold.
No careful kisses on that nippled point
Covering his heart-beat’s silent place restore
His life again to ope his eyes and feel her
Presence along his veins Love’s fortress hold.
No warmth of his another’s warmth demands.
Now will his hands behind his head no more
Linked, in that posture giving all but hands,
On the projected body hands implore.

The rain falls, and he lies like one who hath
Forgotten all the gestures of his love
And lies awake waiting their hot return.
But all his arts and toys are now with Death.
This human ice no way of heat can move;
These ashes of a fire no flame can burn.

O Hadrian, what will now thy cold life be?
What boots it to be lord of men and might?
His absence o’er thy visible empery
Comes like a night,
Nor is there morn in hopes of new delight.
Now are thy nights widowed of love and kisses;
Now are thy days robbed of the night’s awaiting;
Now have thy lips no purpose for thy blisses,
Left but to speak the name that Death is mating
With solitude and sorrow and affright.

Thy vague hands grope, as if they had dropped joy.
To hear that the rain ceases lift thy head,
And thy raised glance take to the lovely boy.
Naked he lies upon that memoried bed;
By thine own hand he lies incoverèd.
There was he wont thy dangling sense to cloy,
And uncloy with more cloying, and annoy
With newer uncloying till thy sense bled.

His hand and mouth knew games to reinstall
Desire that thy worn spine was hurt to follow.
Sometimes it seemed to thee that all was hollow
In sense in each new straining of sucked lust.
Then still new turns of toying would he call
To thy nerves’ flesh, and thou wouldst tremble and fall
Back on thy cushions with thy mind’s sense hushed.
(...)

*

Antinoüs

De regen buiten was de kou in Hadrianus’ ziel.

De jongen, dood,
Lag op het lage bed, en op zijn naaktheid viel,
Voor Hadrianus’ oog, vol smart en zielennood,
Het schaduwlicht van de verduist’ring van de Dood.

De jongen, dood, lag daar, de dag was als een nacht
En regen viel gelijk een boze vracht
Van de moordlustige Natuur.
En geen herinnering aan hem die vreugde bracht,
En vreugd om wat hij was geweest kende geen duur.

O handen, ooit gevat in Hadrianus’ warme handen
Die, koud nu, koude raken!
O haren, saamgebonden, ooit, door strakke banden!
O ogen, die nu hun uitdagendheid verzaken!
O naakt en vrouwelijk manlichaam, godgelijk
In mens’lijkheid!
O lippen, rood-geopend, ooit bereid
De zetel van genot te kussen, vindingrijk!
O vingers, vaardig in onzegb’re zaken!
O tong, tegen de tong, die het bloed wild kan maken!
O heerschappij van lust, hoog op de troon gezeten
Van furie van een opgeschort geweten!
Dit alles, wat eens was, is nu voorgoed ontzield.
De regen zwijgt; de Keizer knielt
Bij ’t bed. Zijn smart is ook opstandigheid.
De goden immers nemen ’t leven dat zij geven
En doen de schoonheid welken die zij deden leven.
Hij weent en weet dat de te komen tijd
Hem ziet vanuit wat nog moet zijn;
Zijn liefde leeft op een universeel toneel
En duizend ongeboren ogen wenen om zijn pijn.

Antinoüs is dood, dood voor altijd en koud als as;
Hij is voor altijd dood en alle liefdes wenen.
Zelfs Venus, die Adonis’ liefde was,
En hem nu ziet, opnieuw dood na herleefd te zijn,
Laat haar hernieuwde smarten zich verenen
Met Hadrianus’ pijn.

Nu is Apollo treurig, want de rover
Die hem zijn blanke lichaam stal is eeuwig kil.
Geen zachte kussen op die tepels over
De plaats waar nu geen hart meer kloppen wil
Doen hem weer leven en de ogen openslaan
En liefde voelen door zijn aad’ren gaan.
Hij kan niet meer met warmte om warmte vragen.
Zijn handen zullen nimmermeer, achter zijn hoofd geslagen,
In deze houding alles geven, niets verhelen,
Smekend om handen die zijn naakte lichaam strelen.

De regen valt; hij ligt als had hij de gebaren
Vergeten die de liefde hem had geleerd
En wakker wachtte tot de lust was weergekeerd.
Maar Dood is nu in al zijn kunst en kracht gevaren.
Geen hitte kan dit ijs als water meer doen vloeien;
De as van dit vuur kan geen vlam doen gloeien.

O Hadrianus, wat is nu uw kil bestaan gelijk?
Wat baat u keizerschap en macht?
Want zijn afwezigheid valt over uw zichtbare rijk
Zoals een nacht
Zonder een dageraad van hoop op nieuwe pracht.
Uw nachten zijn een weduwschap van tederheid;
Uw dagen zijn beroofd van wat des nachts u wacht;
Uw lippen, altijd tot kussen bereid,
Spreken de naam slechts, in de Dood gelijk
Aan angst, verdriet en eenzaamheid.

Uw vege handen tasten naar een vreugde die verging.
Hef nu uw hoofd, hoor hoe de regen is gestaakt
En richt uw blik op de geliefde jongeling.
Hij ligt op het zo gedenkwaardig laken, naakt,
Door u met eigen hand ontkleed.
Daar gaf hij aan uw zware lust verzadiging
En gaf uw onlust nieuwe prikkeling
Tot een verzadiging die uw zin bloeden deed.

Zijn hand en mond wisten de lusten
Opnieuw te wekken in uw moede lenden.
Wanneer het u soms leek of alles in u hol was, en de
Spanning te groot voor de uit u gezogen krachten,
Dan kende hij nieuwe kunsten die nieuw leven kusten
In ’t vlees van uwe zenuwen, waarna u in de zachte
Kussens weer terugviel, met zinnen en ziel in ruste.
(...)

135 sonnets
Fernando Pessoa, Heimwee naar vereeuwiging (Lisboa, Monteiro e Co, 1918) uit de verzameling Manuel Vilhena de Carvalho.

 

I

Whether we write or speak or are but seen
We are ever unapparent. What we are
Cannot be transfused into word or mien.
Our soul from us is infinitely far.
However much we give our thoughts the will
To make our soul with arts of self-show stored,
Our hearts are incommunicable still.
In what we show ourselves we are ignored.
The abyss from soul to soul cannot be bridged
By any skill of thought or trick for seeing.
Unto our very selves we are abridged
When we would utter to our thought our being.
    We are our dreams of ourselves, soul by gleams,
    And each to each other dreams of other’s dreams.

*

I

Voor wie ons ziet of leest of spreken hoort
Zijn wij onkenbaar. Nooit laat ons bestaan
Zich vangen in een houding of een woord.
Oneindig staat de ziel van ons vandaan.
Hoe graag wij ook de kunst willen bedrijven
Die onze ziel voorziet van pralerij,
Toch zal ons hart onmededeelzaam blijven.
In wat wij tonen ziet men ons voorbij.
Door geen illusie of vernuft kan ooit
De kloof van ziel tot ziel worden geslecht.
Zelfs in ons diepste zelf zijn wij berooid,
Wat ook ons wezen aan ons denken zegt.
    De ziel kan slechts in onze dromen schijnen.
    Elk droomt eens anders dromen als de zijne.

*

II

If that apparent part of life’s delight
Our tingled flesh-sense circumscribes were seen
By aught save reflex and co-carnal sight,
Joy, flesh and life might prove but a gross screen.
Haply Truth’s body is no eyable being,
Appearance even as appearance lies,
Haply our close, dark, vague, warm sense of seeing
Is the choked vision of blindfolded eyes.
Wherefrom what comes to thought’s sense of life? Nought.
All is either the irrational world we see
Or some aught-else whose being-unknown doth rot
Its use for our thought’s use. Whence taketh me
    A qualm-like ache of life, a body-deep
    Soul-hate of what we seek and what we weep.

*

II

Als op de uiterlijke levenslusten
Die onze tintelende tast omvat
Een ijdel en wellustig oog slechts rustte,
Zou ons bestaan een scherm zijn, leeg en plat.
Het lijf der Waarheid wordt niet graag gezien,
Wat zich laat aanzien is altijd gelogen,
Ons dicht, vaag, warm beschouwen is misschien
Louter geblinddoekt snakken van de ogen.
Vanwaar komt welk besef van leven? Nergens.
’t Is alles ongerijmd wat men aanschouwt
Of een of ander rottend iets zou ergens
Ons denken moeten voeden. Mij benauwt
    Een levenspijn, een diepe ziele-nijd
    Om al ons streven dat tot treurnis leidt.

© Nederlandse vertaling 2010 M. Asscher en erven A. Willemsen/Uitgeverij
De Arbeiderspers, Amsterdam

Uitgeverij De Arbeiderspers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum